Zoeken- en niet vinden

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van dr. M.B. van ‘t Veer (1904-1944).[1]


 “Zie, er komen dagen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik honger in het land zal zenden; geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar om de woorden van de HEERE te horen. Dan dolen zij van zee tot zee, van noord tot oost trekken zij rond, om het woord van de HEERE te zoeken, maar zij zullen het niet vinden.” ~ Amos 8: 11,12

 

Zoeken- en niet vinden, is de grootste ellende voor het volk van de Heere. Het is de openbaring van onzegbare leegheid bij hen, aan wie een volheid is toegezegd.

In die uiterste ellende van de leegheid wordt Israël gebracht in de dag van Gods toorn. Want in het uur, waarin zij van al hun weelde worden beroofd, kunnen zij ook het hongerend hart niets ter verzadiging voorzetten. En dat laatste is bevestiging en verzwaring van het eerste wee, dat over hen kwam.

Amos moet die verschrikking aankondigen aan een door weelde verslapte en door ongerechtigheden afgestompte generatie. Het is de schrik van de naderende dag van de Heere! Israël moge zich vleien met de gedachte, dat de Heere in Zijn komst alleen maar groter voorspoed over hen brengen zal, maar de Heere zal tonen, dat Abrahams bloed te bezitten niet hetzelfde is als de beloften te beërven, die aan Abrahams geloof zijn toegezegd. Integendeel, het bloed van Abraham zal in de ongelovige Abrahamskinderen het oordeel van de Heere tot zich trekken.

Zo moet dan het gericht komen. Het zal tegenover de dagen van grote weelde en rijkdom golven van ellende doen komen over het volk, dat de weldaden van God in ongerechtigheid heeft verkeerd. De zon van de voorspoed zal op de middag ondergaan en het vrolijk levenslicht in duisternis veranderen.

De blijde feesten zullen rouwdagen worden; de liederen zullen in klaagzangen over de doden veranderd worden; het rouwgewaad zal in geheel Israël gezien worden. Bitter zullen de weeklachten zijn om de grote beroving als van ‘een enige zoon’, met wiens sterven alles is ontnomen.

Dit is het eerste wee, dat komt.

En het tweede wee komt met haast.

 

Het tweede wee is zwaarder
Maar dit tweede wee is veel zwaarder.

Het is de honger naar de woorden van de Heere, die niet verzadigd wordt.

Als Israël zo beroofd wordt van alle aardse rijkdom, gaat deze honger kwellen. De Heere laat aan dit volk dan die honger smartelijk voelen.

Als de voorspoed van dit leven wegvalt, houdt dit volk niets meer over.

Met die voorspoed is alles weggeslagen, want iets anders had Israël niet.

In de tijd, dat Israël eten kon, het Woord van de Heere eten, heeft het dit geweigerd. Het had geen honger. Het gevoelde zich verzadigd. Want het vergaapte zich aan het onrechtvaardig verdiende geld, aan de onrechtmatig verworven schatten. Dat was voor Israël geweest het ‘voedsel voor de ziel’.

En naar meer, naar iets anders wilde het niet vragen, ja, als het voorgezet werd, wees het dat voedsel van de hand.

Maar nu al dat andere uit de handen geslagen wordt en het leven zich kromt onder bitter gebrek en in diepe rouw over degenen die door de gerichten van God zijn gedood, nu opeens wordt het knagend gebrek openbaar; nu doet zich schrijnend gevoelen het gemis aan het waarachtig levensbezit. Nu hongert het hart en roept om verzadiging! Nu grijpt de ziel naar enig bezit, dat onvervreemdbaar is, maar vindt nergens bevrediging. Zo gaan de beroofden en berooiden, de grondig geslagenen zoeken, zoeken- maar vinden niet. Ze gaan zoeken naar de woorden van de Heere om de onverdragelijke roep van de honger te stillen, maar om steeds dieper, smartelijker het knagend hart te horen kreunen.

Zoeken maar niet vinden!

 

Israël demonstreert hierin zijn onbekeerlijkheid
Dit tweede wee is erger, omdat Israël in dat zoeken zijn onbekeerlijkheid demonstreert. Juist in dat zoeken bewijst dit volk nog in niets veranderd te zijn. Want zij behandelen het Woord van de Heere als de koopwaar, die zij eerst gezocht had. Zij zwerven van zee tot zee, van het Noorden tot het Oosten, door het gehele land, ja, over de gehele aarde. Zoals zij de schatten van goud verdienend verworven hadden, zó wenden ze zich nu naar de woorden van de Heere, om die door eigen inspanning tot hun bezit te maken. Ze doen juist, waarvoor Mozes hen zo streng gewaarschuwd had, nl. zich aanstellen, alsof ze het zelf moesten halen en door eigen verdiensten zich eigen maken. ‘Nee’, zegt Mozes (Deut. 30: 12b), ‘u zult zich nooit mogen aanstellen, alsof u dat Woord van God zelf van de hemel halen moet: u zult nooit mogen zeggen: ‘het is aan de overzijde van de zee en we zullen overvaren om het voor ons te halen’. Want wie dat doet, wijst het Woord van de Heere als genadegift af.

Wie zó zoekt, weigert alleen door het geloof verzadigd te worden. Voor hem is het Woord van God nog koopwaar en hij zelf is de koopman, die zijn geluk gaat beproeven op verre reizen. Israël is nog in niets veranderd. Nu het éne voedsel (geld en goed) de ziel niet verzadigen kan, wendt men zich tot een ander voedsel,- maar de methode is dezelfde gebleven. ’t Is de methode van de zelfgenoegzame mens.

Ze begeren dan ook niet het Woord van de Here, maar ze zoeken woorden van de Heere. Ze zwerven overal heen, gekweld door zielenhonger, om hier en daar een woord van God te kunnen vinden, wat hun zelf wel toelijkt en wat zij zelf wel appetijtelijk vinden en met hun smaak overeenkomt.

Maar aan de tafel van de Heere moet de mens niet komen met zijn menu van voorkeurspijzen,- hij zal moeten eten wat zijn grote Gastheer voorzet. Daarom, laat hen zoeken- zij zullen niet vinden.

 

De Bijbel wordt weer opengeslagen?
Och, wat zien we dit alles weer leven in onze dagen.

In de bange misère van het leven, waarin velen zich van al hun vroegere zekerheden zien beroofd, ziet men nu de kentekenen van grote zielenhonger. Juist bij die mensen, die vroeger de tafel van het Woord van de Heere voorbijliepen. Ze hadden toen zoveel ander voedsel, waarmee ze de honger van het leven konden stillen. En ze hebben gegeten, alle dagen, van wat dit leven aan genot en welvaart hun bracht. Het hart had genoeg-, de aarde was vol-, het leven had zijn vervulling!

Dit is nu wel anders geworden. Het roemen in de dag van morgen hebben de kinderen van het donkere heden wel afgeleerd. De vastigheden zijn ons ontnomen, en het bedreigde leven moet iets anders grijpen.

Nu wordt de grote honger openbaar in het leven van velen.

Nu wordt het gezien, dat men gegeten heeft van wat niet werkelijk verzadigen kan.

En zo gaan nu ook velen zoeken om woorden van de Heere te horen. Men wil een orakel ontvangen, een stem van boven, die als medicijn kan zijn voor het gewonde hart, als voedsel voor de hongerende ziel.

Men gaat zoeken! De Bijbel wordt weer opengeslagen.

Het versmade voedsel van gisteren kon toch nog wel eens krachtvoller zijn dan men toen gedacht heeft.

We kennen ze allen wel, die nu plotseling zich herinneren dat er in de Bijbel dit of dat woord staat. Liefst uit Openbaring of uit de Profeten. Een woord, dat hun juist nu in het gevlei komt en dat heet te voorspellen, wat zij zo graag zagen gebeuren. Och ja, ze zoeken naar woorden, hier een woord en daar een woord, om aan de hongerende ziel iets te kunnen voortzetten. En wij zijn geneigd te zeggen, dat die onkerkelijke buurman nog wel meevalt, en die lang afgezworen vriendin zich nog wel toegankelijk betoont. Ze schijnen toch nog in de Bijbel te lezen, ze zijn toch zoekend, enz. Vallen ze niet mee?

 

Zoeken maar niet vinden!
Zij zullen zoeken – maar niet vinden! Want juist in dat zoeken bewijzen ze, dat ze zich van hun oude zonde nog niet bekeerd hebben. Zij zullen zelf wel het voedsel bepalen naar hun smaak, en nemen hier en daar een woord zonder het Woord te willen. Zij oefenen selectie en verzetten zich op die manier tegen Gods electie (verkiezing).

Zo moet het tweede wee hen treffen: zoeken – en niet vinden!

Laat onze ogen er toch open voor zijn. Er is geen verzadiging dan door te eten het Woord van de Heere. Dat Woord in zijn geheel. En dat met geheel ons hart. Wie dat gegeten heeft, zal niet hongeren, zelfs niet in de dag van verlies. Deze mens kan alles verliezen – en zie, hij is verzadigd. Deze mens wordt alles ontnomen – en zie, hij heeft Gods volheid.

Maar hij heeft dit alleen, doordat hij niet op zoek gaat naar woorden van God, maar het gegeven Woord van de Heere gelooft. Want wie aparte woorden van God zoekt, mist de Christus, die zich alleen laat vinden door hen, die naar alle woorden van God horen, omdat zij één zijn.

Hij zal eten – en nooit meer hongeren!

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 126-129. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.: