Werelddiaconaat (3)

Door: J. Bos

 

De vorige keer hebben we gezien hoe ‘algemeen-christelijke’ organisaties zich hebben geconformeerd aan de ‘humanistische’ identiteit van de vereniging Partos, direct zelf als lid en/of indirect als onderdeel van Prisma. Zoals gezegd willen we nu een tweetal koersbepalende leidraden voor het handelen van Partos en haar leden bekijken. We splitsen het in twee delen: in dit artikel de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)’ en in het volgende de ‘Sustainable Development Goals (SDG’s)’.

Op internet is over de UVRM en wat daarmee te maken heeft een grote hoeveelheid informatie voorhanden. Als we via Google zoeken op dit onderwerp, krijgen we een waslijst aan verwijzingen voorgeschoteld. De Wikipedia-pagina lijkt ons het meest geschikt als samenvatting van een en ander.[1] Hoewel vrij lang, kan die tekst een handig overzicht vormen voor wie geïnteresseerd is in allerlei praktische gegevens met betrekking tot deze verklaring. We gaan daar in dit artikel verder niet uitgebreid op in, maar beperken ons tot de ideologie die aan de UVRM ten grondslag ligt en die daarin naar voren komt. De Nederlandse vertaling van de verklaring staat op de website van ‘The Office of the High Commissioner for Human Rights’.[2] Een vereenvoudigde en verkorte versie is te lezen op een website die gericht is op beïnvloeding van jongeren.[3]

Op 26 juni 1945 zijn de Verenigde Naties (VN) opgericht. Blijkens de preambule van haar Handvest is deze organisatie ‘vastbesloten’ om onder meer ‘… opnieuw ons vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen, alsmede voor grote en kleine naties’.[4] Dit wordt door C. van der Waal in zijn boek ‘Antithese of synthese?’[5] ook aangehaald, en van het volgende commentaar voorzien.

Spreekt hierin niet klaar de oppermachtige mens? Ook de franse revolutie schreef op de waardeloze bankbiljetten, de assignaten, en op de rechtzalen, waar onschuldigen vielen: droit de l’homme, recht van de mens. Steeds hebben humanisme en revolutie gesproken van elementaire mensenrechten: de mens maat van alle dingen. De geschiedenis is echter illustratie van de waarheid, dat zo juist het menselijke is losgelaten, omdat de genezende normen van God, den Rechter over allen, losgelaten zijn. Wanneer de mens de rechten gaat bepalen en de ‘waarden’ gaat vaststellen op eigen gezag, legt hij zijn eigen subjectieve, egoïstische maatstaf aan. Macht en wil van den sterkste worden tot ‘recht’. (p. 187)

De UVRM is op 10 december 1948 aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN. Van bovengenoemde Wikipedia-pagina citeren we enkele gedeeltes om een indruk te geven van de denkwijze van de opstellers van de verklaring.

‘De UVRM is gebaseerd op rechtsnormen vanuit de hele wereld. De redactiecommissie deed een uitnodiging uitgaan naar vertegenwoordigers van alle stromingen, religies en ideologieën, en verwerkte honderden reacties.’

‘De meest prominente Nederlandse gedelegeerde was pater Leo Beaufort (1890-1965). Hij maakte zich voor de vermelding van God sterk. Aanvankelijk kreeg hij enige bijval, maar geleidelijk rees bij steeds meer gedelegeerden de vrees dat christenen, moslims, boeddhisten en atheïsten het nooit over een verwijzing naar een Opperwezen eens zouden worden. Toen Beaufort merkte dat er nogal wat bezwaar was, voegde hij aan zijn pleidooi toe dat wie het daar niet mee eens was, de desbetreffende zin in de verklaring gewoon kon negeren. Waarop de vertegenwoordiger van Polen opmerkte dat de staten dan vrij zouden zijn om alles te negeren wat hun niet beviel (Samnøy, 1993). Uiteindelijk werd God in de UVRM buiten beschouwing gelaten. Mensen zijn, volgens artikel 1, ‘begiftigd met verstand en geweten’, maar het wordt in het midden gelaten door wie of wat ze daarmee begiftigd zouden zijn. (Morsink, 1999)’

Het doet er ook niet toe of er al dan niet een verwijzing naar een ‘opperwezen’ in de UVRM staat. Welke ‘god’ men daarmee dan ook zou mogen bedoelen, zeker niet de God van het verbond, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft. De verklaring is namelijk geheel doordesemd met het in het Handvest van de VN geproclameerde goddeloze ‘zelfbeschikkingsrecht’ van de mens. Het recht van Jezus Christus wordt in ongeloof genegeerd.[6] We citeren uit de preambule van de UVRM enkele gedeeltes waarin deze ideologie meer specifiek naar voren komt.

‘Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;
(…)
Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;
(…)
Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten die Lid van de Verenigde Naties zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:’

Uit het laatstgenoemde punt blijkt tevens dat de ideologie van de VN totalitair van aard is.

Vervolgens worden in dertig artikelen de rechten, plichten en ambities beschreven. We noemen er ter illustratie een paar die we in verband met ons onderwerp het meest ter zake achten, en maken er kort enkele opmerkingen bij.

Artikel 1.
‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.’

Dit artikel behelst geen recht, maar een plicht, en er wordt, evenals in de preambule, een ‘humanistisch’ uitgangspunt geformuleerd. De uitgangspunten, en de hoogmoed die eruit spreekt, staan echter in schril contrast met de gereformeerde leer, zoals die bijvoorbeeld in het doopformulier beknopt is samengevat. Daarin staat onder meer:

‘(…) wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden. Dit leert ons de onderdompeling in en de besprenkeling met het water. Daardoor wordt ons de onreinheid van onze ziel voor ogen gesteld. Dit moet ons ertoe brengen, dat wij een afkeer krijgen van onszelf, ons voor God verootmoedigen en onze reiniging en ons behoud buiten onszelf zoeken.’

Artikel 18.
‘Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.’

Dit klinkt mooi, maar altijd moet worden bedacht dat dit ‘recht op vrijheid’ niet vrij is van het ‘humanistische’ kader waarin het staat (zoals dat overigens voor alle ‘rechten en vrijheden’ geldt). Het artikel biedt geen godsdienstvrijheid zonder meer, maar een begrensd ‘recht’ op godsdienstvrijheid. Zie hieronder ook het vermelde bij artikel 29.

Artikel 25.
‘1. Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.’

Dit artikel houdt in dat hulpbetoon ondergeschikt is aan sociale wetgeving. Op die manier worden hulpbehoevende kerkleden losgeweekt van de diaconie.

Artikel 26.
‘2. Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.
3. Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.’

Paragraaf 2 benoemt geen recht, maar beschrijft een dwingend streven naar onderwijs dat ‘humanistisch’ van aard is.
De formulering in paragraaf 3 is opvallend. Er staat namelijk niet: ‘ouders hebben het recht’, maar: ‘aan ouders komt in de eerste plaats het recht toe.’ In de tweede plaats kan dus ook aan anderen dat recht toekomen.

Artikel 29.
‘1. Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.
2. In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.
3. Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.’

Paragraaf 1 stelt onder meer dat een ieder, dus ook een kerklid, afhankelijk is van ‘de gemeenschap’ voor ‘de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid’.
Wat betreft paragraaf 2: het hangt er maar van af welke ‘de gerechtvaardigde eisen’ zijn waaraan ‘in een democratische gemeenschap’ moet worden voldaan en hoe ze in de loop van de tijd verder worden uitgewerkt.
In paragraaf 3 zijn de ‘doeleinden en beginselen’ van de VN, die zijn opgetekend in het Handvest, boven het uitoefenen van de rechten en vrijheden geplaatst. Een van de doelstellingen betreft het tot stand brengen van internationale samenwerking, onder meer ‘(…) bij het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor fundamentele vrijheden voor allen, (…)’.[7] Gevolg van een en ander is, dat ‘het bevorderen en stimuleren van eerbied, enz.’ en de ‘humanistische’ propaganda en indoctrinatie die daarmee gepaard gaan (bijvoorbeeld via het onderwijs, zie artikel 26), ‘in geen geval’ mogen worden afgewezen, dus zelfs niet op grond van Gods Woord. Het ‘recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst’ zou dan immers in strijd met de ‘doeleinden en beginselen’ worden uitgeoefend.
Artikel 29 maakt extra duidelijk dat de ‘rechten en vrijheden’ (ook die van artikel 18) zijn ingekapseld in een door mensen bedacht systeem met een atheïstisch, totalitair karakter.

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Universele_Verklaring_van_de_Rechten_van_de_Mens
[2] https://www.ohchr.org/en/human-rights/universal-declaration/translations/dutch-nederlands?LangID=dut
[3] https://youthforhumanrights.nl/mensenrechten/30-mensenrechten/
[4] https://unric.org/nl/verenigde-naties/vn-handvest/
[5] C. van der Waal, Antithese of synthese? De oecumenische beweging beschreven en getoetst. Enschede, J. Boersma, 1951
[6] 2 Korinthe 2:4
[7] Artikel 1.3; zie ook het derde citaat uit de preambule van de UVRM