Verbondskinderen hebben de roeping Gods medearbeiders te zijn

Door: C.A. Teunis

 

Vervloek Meroz! Zegt de Engel van de HEERE.
Vervloek zijn inwoners voortdurend,
Omdat zij de HEERE niet te hulp zijn gekomen,
De HEERE te hulp met de helden.

Richteren 5:23

 

Lezen: Richteren 5:17-31

 

  1. De tijd van de Richteren

Het boek Richteren geeft een beschrijving van de periode van circa 1380 tot en met 1085 voor Christus. Een periode van ongeveer driehonderd jaar.
Het boek begint met het sterven van Jozua. De laatste richter waarover geschreven wordt is Simson. De laatste richter is Samuël.
De periode van de Richters is een tijd van grote onrust en verwarring. We kunnen lezen hoe de kerk telkens de HEERE verlaat.
De HEERE stuurt dan vijanden die Zijn volk onderdrukken. Dan roept het volk Israël tot God. De HEERE is dan genadig en zendt een richter op Zijn tijd, die de vijanden verjaagt. Dan is het weer een tijd rustig. Daarna begint opnieuw de afval in de kerk.
Kenmerkend voor de richterentijd is dat iedereen deed wat recht was in zijn eigen ogen (Richteren 21:25). Met de HEERE wordt vaak niet gerekend. Heel veel kerkleden denken het beter te weten dan de HEERE.
Tegenwoordig noemen we dat ‘eigenwilligheid’.

 

  1. Eigenwilligheid

Het boek Richteren toont ons hoe Israël steeds ontrouw is aan het verbond met de HEERE, ook onze God. Het volk voert niet de opdracht uit om de Kanaänieten uit te roeien. Het  kerkvolk van die tijd blijft ruimte geven aan ongeloof en vijandschap in hun midden.
Maar de HEERE is trouw. Hij zendt richters.
Hij verlost het volk en dan bekeert het volk zich.
Daarna vervalt het volk weer tot eigenwilligheid en begint de afval opnieuw.
Dit bijbelboek roept om de komst van Jezus Christus. Alleen Hij is in staat om Zijn volk definitief te verlossen en Hij wil Zijn Geest zenden om de vernieuwing in het hart van de mens te doen doorwerken.

 

  1. Het lied van Debora

In hoofdstuk 5 wekt Debora zichzelf en Barak op om op een eerbiedige manier de overwinning op Gods vijanden te bezingen. Tot eer van God en tot eer van Israël en tot aanmoediging van hun vrienden en tot afschrikking van de vijanden van de kerk.
Debora is een profetes. Zij zingt een overwinningslied.
Ze geeft God de eer. Ten gunste van Israël zijn Gods vijanden, de Kanaänieten, verslagen.

In haar lied vertelt ze de gebeurtenissen in verband met deze overwinning: Ontwaak, ontwaak, Debora. Ontwaak en spreek een lied.
Daaruit blijkt dat ze het moeilijke van haar taak ziet.
Volbrengen van die taak vraagt heel veel van haar.
Ze is zich bewust van haar eigen zwakheid, en ook zij kan tot verslapping vervallen.

Het prijzen van Gods Naam is een activiteit waartoe we elkaar moeten oproepen, Hij is barmhartig en genadig (Psalm 103:8). Ook voor ons geldt dat het prijzen van Gods Naam ons goede moed geeft. De Almachtige ziet ons met ogen vol ontferming.

Barak moet de HEERE loven door zijn gevangenen, gevangen te nemen. Uit het meevoeren van een stoet aan krijgsgevangenen blijkt de kracht van God.
Hij geeft in een kerkstrijd die in trouw aan Zijn woord gevoerd wordt, de overwinning aan Zijn kerk.
Dat blijkt en zal blijken. Iedereen moet gewaarschuwd worden en in staat zijn om de goede regering van God te zien. De hoogmoed van een mens zal hem vernederen, maar de nederige van geest zal de eer vasthouden (Spreuken 29:23).

 

  1. Overwinning en ook een vervloeking

In het overwinningslied van de kerk op haar vijanden klinkt ook een vervloeking.
En wel binnen de kerk.
Dat is opvallend. Hoe kan dat gebeuren?
De vervloeking treft de inwoners van de stad Meroz.
Waarschijnlijk lag deze stad dichtbij de plaats van het gevecht. En daarom had ze dan een goede gelegenheid om een belangrijke bijdrage te leveren aan de strijd om het behoud van het kerkvolk. Maar ze weigeren om mee te helpen. Dat zal bij de getrouwe strijders voor het behoud van de waarheid een ontmoedigende invloed uitoefenen.
Afzijdig blijven als de kerk moet strijden op leven en dood is wangedrag, een grote zonde. Want hoe zwakker het kerkvolk blijkt te zijn, hoe meer hulp zij nodig heeft. De inwoners van Meroz hadden niet de wil om te helpen in de strijd van de zaak van de HEERE.
Toch won Israël de strijd.
Uiteraard.
Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (Romeinen 8:31)

Want God, Die almachtig is, had de hulp van Meroz niet nodig. Ja, onze God is in staat om zijn kinderen te beschermen, wat er ook gebeurt en hoe het er ook aan toe gaat in de kerk. Ook als teleurstellingen Gods trouwe kinderen overvallen.
Daarom vervloekt Debora, die de andere stammen over hun traagheid bestraft had (Richteren 5:16-17), Meroz met een strenge vloek. Omdat Meroz zwaarder gezondigd had dan de andere stammen die traag waren in de vervulling van hun dienst.

Debora sprak deze vloek niet vanuit haarzelf. De Engel van de HEERE deed dat door haar mond. De vloek kwam niet voort uit haar eigen boosheid, maar de vloek kwam voort uit de toorn van de HEERE over de dienstweigering van de inwoners van Meroz. En wie zou deze Engel anders geweest zijn dan de Bevelhebber van het leger van de HEERE (Jozua 5:14)?
God beoordeelt datgene wat tot voordeel of tot nadeel van Zijn volk gedaan wordt als een daad die aan Hem gedaan is (Jesaja 48:9; Zacharia 2:8; Mattheüs 25:45).
De oorlog was een oorlog van God en dan is geheel Gods volk geroepen om mee te strijden.
De zaak tussen God en de machtigen van de wereld, de overheden en machten van de duisternis, laat geen afzijdigheid toe.
In Gods oorlogen is de overwinning altijd voor de trouwe kerk, dat is zeker, dat blijkt altijd weer, tot op de jongste dag.

 

  1. De vijgenboom

Er is geen verontschuldiging om onze plicht van ons af te schuiven.
Niemand weet wat voor plaats Meroz is geweest. Van tevoren wordt er geen melding van gemaakt en daarna ook nooit meer. De stad Meroz is achteruit gegaan, verdord en vergaan.
Dat Meroz uit de geschiedenisboeken is verdwenen is het gevolg van deze vloek die na hun dienstweigering en ongeloof is uitgesproken (zie Psalm 99:13, Spreuken 10:7).
Ook in de Schrift horen wij niets meer van Meroz.

Net zoals de vijgenboom, die door Christus vervloekt is (Mattheüs 21:18-22 en Marcus 11:12-24). Deze boom was erg vroeg met zijn bladeren. Een vijgenboom die volop in blad staat ziet er veelbelovend uit. Daarom konden ook vijgen verwacht worden.
Zo ook vruchten van Israël, dat vóór alle volkeren, naar Gods welbehagen Zijn ontferming en geboden kende.

Dat geldt later ook voor de kerk na de uitstorting van de Heilige Geest.
Laodicea was een rijke en welvarende stad. De inwoners waren met zichzelf ingenomen. Ook de kerkelijke gemeente van Laodicea was tevreden over zichzelf. Zij kent de blijde boodschap van vergeving van zonden en eeuwig leven en dus het werk van Jezus Christus. Maar de gemeenteleden leven en werken niet in dankbaarheid voor God de Heere. De gemeenteleden zijn lauw. Christus walgt ervan. De gemeente wordt door Christus uitgespuwd (Openbaring 3:14-22).

Verteert de ijver voor Gods huis wel voortdurend de kerk van Jezus Christus? Ook als de kerk in mensenogen zeer klein en onbetekenend is geworden? (Psalm 69:9,10).
Het geloof is geen vaag vertrouwen in God, maar het geloof is een vast vertrouwen en een zeker weten (HC 7-v/a 21). Het geloof verwacht van God datgene wat voor mensen onmogelijk is: God wil en zal zijn trouwe kinderen redden.
De kerk die wel uiterlijk vertoon heeft, maar geen vrucht wil voortbrengen ontvangt Gods vloek.

 

  1. Gods medearbeiders

Het verschrikkelijke is dat de inwoners van Meroz niet wilden meehelpen met de strijd van God. God is almachtig, heeft onze hulp niet nodig.
Onze God beveelt wel dat we mee werken.
We mogen Gods medearbeiders zijn (1 Korinthe 3:9).

Kinderen van het verbond hebben de roeping om medearbeiders van God te zijn.
Zij zijn deelgenoten in Gods overwinning.
Ze lopen door de wereld in de overwinningsstoet van God.
Dat is de tocht van het leven dwars door de dood heen.
De verbondskinderen in Meroz hebben zich  echter niet aangesloten bij de overwinningstocht van God. Ze hebben de dood, hun vijanden, met rust gelaten. Ze hebben dus de dood beschermd.
Iedereen die niet met God loopt, loopt het leven in de weg en zwoegt aan zijn eigen dood.
God heeft door Debora en Barak de vijanden van Christus gedood.
De vijanden van het leven zijn de vijanden van Christus.

Vervloek Meroz, want ze zijn de God van het leven niet tot hulp geweest.
Wie weet nog waar Meroz gelegen heeft?
Dat is onbekend!
Als God vloekt, waar kan men dan blijven?
Ja, de vloek van het verbond is verschrikkelijk.

Tyrus en Sidon hebben het draaglijker in de dag van het oordeel onder hun vloek, dan de gemeenteleden die van de Christus niet willen weten (Mattheüs 10:15).

Wij zijn kinderen van het verbond en willen graag leven in, en delen in de zegen van het verbond. Maar, beven we ook voor de vloek van het verbond? Als we weigeren Gods medearbeiders te zijn?

God vloekt in zijn ontferming de dood weg in Israël.
Zijn kerk zal eens in volmaakte heerlijkheid leven.

image_pdfimage_print