Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen (1)

Door: M.R. Vermeer

“En hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.”
~Mattheüs 2:15

Het evangelie naar Mattheüs verhaalt ons de vlucht van Jezus naar Egypte. De evangelist vermeldt dat dit plaatsvond opdat vervuld werd het woord van de Heere: “Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen” (Hos. 11:1).[1]

Nu kan de vraag worden gesteld: hoe kan deze gebeurtenis een vervulling zijn van hetgeen staat in Hosea 11? Ziet Hosea niet terug op de uittocht uit Egypte, in plaats van vooruit naar de toekomst? Ook gaat het geciteerde tekstgedeelte toch juist over Israël als ‘zoon’, in plaats van over Jezus als Gods Zoon? Kortom: is het wel een profetie, laat staan een messiaanse profetie?

 

Israël als zoon
In Hosea is het kind-zijn van Israël één van de beelden (naast het huwelijk) voor de relatie van de Here met Zijn volk. De Here heeft Israël reeds liefgehad toen het een kind was (Hos. 11:1). Een onverdiende liefde, die niet is gebaseerd op iets goeds of verdienstelijks van Israël zelf. Een liefde die is een daadwerkelijk liefhebben, zoals in de geschiedenis van het volk is gebleken: Hij heeft hen bevrijd uit het slavenhuis van Egypte.[2]

Nu moeten we ermee rekenen dat Mattheüs met dit ene citaat uit het begin van Hosea 11 heeft willen verwijzen naar de profetie in dit tekstgedeelte als geheel (Hosea 11:1-11). Veel van zijn lezers kenden de Schriften immers door (voor)lezing, waarbij een enkel citaat voldoende was om ook het daaropvolgende Schriftgedeelte in herinnering te brengen.[3]

Een Schriftgedeelte waarin direct na dit begin, vol van het ontfermend liefhebben van de Here, ook de ernstige afval van het volk moet worden aangewezen: “Maar hoe meer zij hen riepen, hoe meer zij van onder hun ogen wegliepen. Aan de Baäls offerden zij…” (11:2). Naast het roepen van de Here was er de lokroep van de heidense volken tot Israël, waardoor het volk andere goden achterna ging lopen.[4] Deze afdwaling van het volk doet oordelen en gerichten van de Here komen: Israël zal naar Egypte terugkeren en door Assur overheerst worden (11:5).[5]

 

Redding en herstel
Toch eindigt dit hoofdstuk met een boodschap van redding en herstel: de Here zal Zijn volk niet prijsgeven (11:8-11). Een toekomstige ‘exodus’ zal er zijn, waarbij de zonen van Israël “bevende zullen komen als een vogel uit Egypte (!), als een duif uit het land Assyrië” (11:11). Hier staat dus Egypte symbool voor een verblijf in ballingschap.[6]

Nu zijn de tienstammen (waartoe Hosea zich richtte) verloren gegaan, hoewel afstammelingen van deze tienstammen zijn vermengd met de Judeeërs. De profetie van Hosea 11 vraagt nog om (volledige) vervulling.

Het citaat uit Hosea 11:1 wijst dus niet alleen terug naar de uittocht uit Egypte, maar doet ook (vanuit het bredere tekstgedeelte) vooruit zien naar een toekomstige ballingschap én uittocht.

 

Exodusprofetie
Dit wordt nog duidelijker wanneer we letten op Schriftplaatsen die verbonden zijn met Hosea 11.

Een duidelijke verbinding is er uiteraard met Exodus 4:22-23. Mozes krijgt hier opdracht om tegen Farao te zeggen: “Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” Voor het eerst wordt hier Israël als ‘zoon’ aangeduid, net voor de uittocht uit Egypte.

Toch zijn er meer Schriftplaatsen die resoneren in Hosea 11. Zo is er ook een verbinding met tekstgedeelten uit Deuteronomium.[7] Opvallend is dat in Hosea 11:8 de plaatsen Adama en Zeboïm worden genoemd. Het zijn twee plaatsen die met Sodom en Gomorra het volk Israël als waarschuwend voorbeeld zijn voorgehouden: bij afval van de Here zal het land zijn als Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm (Deut. 29:23).[8] Ja, bij verbondsverlating zullen ze worden weggeworpen in een ander land (Deut. 29:28).

Door Hosea wordt aangekondigd dat de verbondsvloek, zoals in Deuteronomium gepredikt, nu van toepassing is: het volk zal naar Egypte terugkeren en door Assur worden geknecht (Hos. 11:5). Tóch is er nog hoop voor het volk: de straffen van de Here zullen niet tot een volkomen ondergang van het volk leiden. Israël zal in ballingschap gaan, maar een rest zal terugkeren uit het land Assyrië (Hos. 11:11). Een terugkeer die ook reeds in Deuteronomium het volk was voorgehouden: “Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen” (Deut. 30:3).

De profetie van Hosea staat dus in het raamwerk van dreiging en herstel zoals in Deuteronomium het volk is voorgehouden.[9] Het gaat ten diepste om de aloude exodusprofetie, dat de Here Zijn volk zal uitleiden uit het diensthuis van de zonde, om uiteindelijk te komen in het (hemelse) Kanaän.

 

Vervulling in Mattheüs
Lezing van Hosea 11 als geheel, tegen de achtergrond van daarmee verbonden tekstgedeelten, maakt duidelijk dat de roeping uit Egypte een ‘openstaande belofte’ inhoudt. Dan blijft echter de andere vraag over die we aan het begin stelden: hoe kan Jezus’ verblijf in Egypte een vervulling zijn van de belofte voor Israël? Bij deze vraag zal worden stilgestaan in het volgende (laatste) artikel.

 

[1] Het woord ‘zoon’ is hier geschreven met een kleine letter. Dit is anders dan in de Herziene Statenvertaling, het volgende artikel maakt duidelijk waarom dit zo is.
[2] Het woord ‘liefhebben’ (’ahab) is in het Oude Testament een ‘kernwoord’ voor Gods onvoorwaardelijke verkiezingsliefde (bijv. Deut. 4:37, 23:5). Hiermee wordt de grondreden voor het handelen van de Here met Zijn volk aangeduid: de Here heeft lief omdat Hij liefheeft. Het is vaker als werkwoord gebruikt dan als zelfstandig naamwoord: “De joden dachten niet over liefde als een idee of als een abstractie, ze zagen het als een activiteit” [Norman H. Snaith, The Distinctive Ideas of the Old Testament (London: The Epworth Press, 1955), p. 174].
[3] Jakob van Bruggen, Matteüs. Het evangelie voor Israël. (Kampen: Uitgeverij Kok, 1999), p. 54.
[4] Bij de vertaling (en verklaring) van Hosea 11:2 is onduidelijk aan wie het subject refereert (‘….hoe meer zij hen riepen’). Gaat het om de profeten die het volk riepen, maar wiens woorden het volk in de wind sloegen? In een recente uitleg wordt onderbouwd (vanuit intertekstualiteit met Numeri 23-24) dat hier Moab wordt aangeduid, die het volk Israël ‘afriep’ van de Here [Caleb L. Fordham, Out of Egypte I Called My Son: From Moses to Hosea (Diss. Southeastern Baptist Theological Seminary, Wake Forest, NC, 2022, url: Out of Egypt I Called My Son: From Moses to Hosea to Matthew – ProQuest), pp. 155-156]. Ook de Korte Verklaring komt op een andere wijze tot deze verklaring en leest met de LXX een gewijzigde tekst: “Men riep hen, en aanstonds trokken zij weg van mijn (i.p.v. hun) aangezicht”.
[5] De HSV vertaalt Hosea 11:5 als: “Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte”. Het lijkt beter om dit met de LXX als een positieve zin te lezen: ‘Hij zal terugkeren naar het land Egypte”, of als een retorische vraag op te vatten: “Zal Israël niet terugkeren naar het land Egypte?”  [G.K. Beale, ‘The Use of Hosea 11:1 in Matthew 2:15: One More Time’, Journal of the Evangelical Theological Society 55/4 (2012), p. 712 e.v.]. Ook zou vanuit de MT vertaald (en verklaard) kunnen worden: “Israël zal niet naar Egypte terugkeren, integendeel, Assyrië zal zijn koning zijn” (de gedachte is dan dat ‘steunen op Egypte’ niet helpt, maar Assyrië zal overheersen, zie blogpost en discussie op Biblische Ausbildung: Shall They Return to Egypt?? (Hosea 11:5)).
[6] Zoals in 11:5 kan Egypte hier letterlijk worden opgevat, of als metonymie.
[7] Zie hiervoor ook voetnoot 1, met een verwijzing naar Deuteronomium wat betreft het heel significante woord ‘liefhebben’.
[8] Specifiek deze twee plaatsen, want hiermee wordt expliciet een verwijzing gelegd naar Deuteronomium 29 (en niet naar Genesis 19, waar deze plaatsen niet samen met Sodom en Gomorra worden genoemd).
[9] Intertekstualiteit is er ook met Numeri 23-24 (spreuken van Bileam). Sommige exegeten (bijv. Fordham, a.w. p. 159) leggen een verbinding met Numeri 24:8: “God heeft hem uit Egypte uitgevoerd”, waarbij het ‘hem’ dan wordt toegepast op de toekomstige koning waarover het voorgaande vers spreekt (i.p.v. op Israël). Op deze manier kan vanuit het OT een messiaanse toepassing worden verdedigd (waarbij de LXX deze messiaanse lezing nog aannemelijker maakt). Logischer lijkt mij om in Num. 24:8 Israël aangeduid te zien (waarvoor wisselend een enkelvoud en meervoud kan worden gebruikt).