Tegenspoed

Vandaag aflevering 36 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Wat is dat: tegenspoed. In een Nederlands woordenboek lees ik: tegenspoed is hetgeen iemand overkomt, zodat zijn plannen mislukken; toestand waarbij iemand onheil, tegenslag overkomt.

Zó, als het daar wordt gezegd, zal wel geen mens, die bij de Schriften leeft, dat beamen. In dat woord: ’overkomen’ zit immers de gedachte van iets onafwendbaars, iets noodlottigs, iets dat ons zo maar aangrijpt, dat ons de levensvreugde beneemt.

Zo zal een christen het toch niet willen zeggen. Hij rekent met zijn God, die in Christus zijn Vader geworden is. En hij weet dat in alle tegenspoed de hand van de Vader is.

Zeker, er is veel tegenspoed. Een wrange vrucht van de zonde. Gevolg van het loslaten van Hem. Die de Bron van alle blijdschap is.

Tegenspoed. Al wat ingaat tegen vlees en bloed. Wat ingaat tegen de begeerten van ons hart. Wat pijn doet en de levensvreugde dooft. Ja, Gods hand is een wonderbare hand. Hij laat Zich niet narekenen. Och, wat worden er vaak een illusies kapot geslagen, en het had zo mooi kunnen zijn.

Wij hadden op zoveel gehoopt. Wij hoopten op een gelukkig en lang huwelijk. Wij hoopten uit Gods hand lieve kinderen te ontvangen. Wij hoopten op een baan die ons lag en waardoor ons een naar menselijke berekening onbezorgd bestaan gewaarborgd werd. Wij hoopten op een goede gezondheid. Wij hoopten op nog zoveel meer.

En hoe is het gegaan? Hebben de teleurstellingen ons niet vaak de tranen uit het oog geperst? In hoeveel huwelijken bleek de harmonie te ontbreken, zodat man en vrouw eigen weg gingen. Of als het gelukkig was, dan kwam Gods hand door de dood het geluk wegnemen. Hoeveel getrouwden hebben tevergeefs, hoewel biddend, op de kinderzegen gewacht. Of als de Heere kinderen schonk, welk een leed en bitterheid van de geest gaf het, als ze bij het groot worden bleken geen lust te hebben in de rechte wegen van de Heere. Hoevelen hebben een werkkring moeten aanvaarden, die niet met hun aanleg strookt, en waarin zij toch maar dag aan dag moeten verkeren. Anderen gaan gedrukt onder zwakke gezondheid of worden soms in het midden van hun jaren helemaal uit het arbeidsproces uitgeschakeld, moeten zelfs jaren op het ziekbed liggen.

Wie zal zeggen, hoe zwaar het leed is, en hoeveel tranen er geschreid worden?

Overkomt ons dit? Gelukkig niet. Nee, gelukkig niet. Wij zien door het geloof ook in tegenspoed de hand van de Vader. En die hand is altijd een hand van liefde. Eens was die hand dat niet. Toen zij op Christus was. Toen was het een hand vol toorn. Toen sloeg die hand Hem neer in het rijk van de verdoemenis. En nu is die hand een hand vol van liefde voor ons.

Begrijpen we dat? Met ons verstand niet. Dan vragen wij: Wat goeds steekt daar nu voor mij in. Asaf begreep het ook niet. Denk maar aan Psalm 73. Jacob begreep het ook niet. Toen zijn zoons de eerste keer uit Egypte terugkwamen, klaagde hij: Jozef is er niet en Simeon is er niet en nu wilt u ook nog Benjamin wegnemen. Alle deze dingen zijn tegen mij. Tegen mij. En hij wist niet dat al deze dingen vóór hem waren. Want de Heere was bezig om een groot volk in het leven te behouden. De Heere bereidde Hem In deze weg een rijke zegen. Ja, wie kan Gods wijs beleid doorgronden?

Tegenspoed. Het is hard en bitter voor vlees en bloed. In ongeloof gedragen verbittert het het hart. Maar in geloof aanvaard brengt het rijke zegen mee. Al zien we het niet, we weten het. We weten het door het geloof. En dan is het immers goed?

Overkomen doet ons niets. De hemelse Vader, die in Christus onze Vader is, zendt het ons. Zo is het altijd