Rustig sterven

Vandaag aflevering 17 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Kan dat? Rustig sterven? Is dat mogelijk? Ik zou bijna zeggen: waarom niet? Onze God is toch een God van levenden en ook van stervenden? Als wij genaderd zijn voor de deuren van de dood, ‘als wij de doodsvallei betreden, laat ons elke aardse vriend alleen’ maar God laat ons ook dan niet alleen. De eeuwige blijdschap, die wij eens bij de Heere ten volle zullen genieten, werpt haar stralen nu al vooruit, ook op ons sterfbed (als we dat krijgen, we kunnen immers ook plotseling worden weggenomen).

Op zich zelf genomen is sterven geen aangename zaak. Verre van dat. Wie denkt met vreugde aan de dood en aan het graf? Wie ziet er niet min of meer tegenop? De dood wordt door de Schrift toch een vijand genoemd? Wel de laatste, maar toch een vijand? En het leven hier is ons vaak dierbaar. Hoe moeilijk soms ook, we houden er ons toch vaak krampachtig aan vast.

Maar voor wie Jezus Christus als zijn Zaligmaker kent, heeft de dood zijn verschrikking verloren. Hij ziet in de duisternis licht, het licht van het leven. Immers hij mag belijden en hij doet dat ook, dat zijn ziel van stonde aan tot Christus, haar Heer, zal worden opgenomen.

Is dat niet heerlijk? Niet vertroostend? Niet verblijdend? Niet bemoedigend? Als we hier de ogen voorgoed sluiten, slaan we ze meteen op in de heerlijkheid bij de Heere.

Hoe dat alles mogelijk is en wezen zal? Dat weten we niet. Hier blijven voor ons veel verborgenheden over. Hier vooral is plaats voor het geloof. We weten wel dat de mens een éénheid is en als hij sterft, dan wordt hij begraven en toch, “hij gaat naar de Heere”. Wij moeten van het levenloze lichaam niet spreken als van het stoffelijk overschot. Alsof dat lichaam geen wezenlijk bestanddeel van de mens zou zijn. Al gaat het naar het graf en gaat het tot ontbinding over, al blijft er naar menselijke berekening niets van over, toch zal het eens worden opgewekt.

Het is een wonder van Gods almacht.

Dat is zo vertroostend als de Heere ons van hier wegneemt, ons namelijk die geloven in de Heere Jezus Christus. Dan is het niet nodig dat er over ons getreurd wordt als over degenen voor wie er geen hoop is. Er mogen dan tranen vergoten worden- en waarom zou dat niet mogen? – maar het zijn geen tranen van hopeloosheid. En ze worden gedroogd door Jezus Christus. En wie kan er tranen drogen als Jezus? Immers geen! Hij zelf heeft immers het mogelijk gemaakt dat we rustig kunnen sterven. Zo zijn velen ons voorgegaan en zo zullen wij hen mogelijk volgen.

Zo is onze toekomst. Wij zullen dan eeuwig bij de Heere zijn. Nog wel niet volkomen, maar toch in grote blijdschap. Ons sterven is geen sprong in het duister. We gaan niet heen met de twijfelmoedige vraag in het hart: wat staat ons te wachten. Wij weten het: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken.

Rijke verwachting! Dit maakt ons echter niet ongeschikt voor het leven hier. Integendeel, het is een prikkel tot plichtsbesef. Als Hij komt moet Hij ons wakende vinden. Daarom zijn wij trouw in en gewillig tot onze arbeid, trouw ook en eenswillend in ziekte.

U, die dit leest, ken ik niet.

Misschien strekt de dood zijn handen reeds naar u uit. Gelooft het, hij is geen koning der verschrikking meer, maar de knecht van Jezus Christus. In uw sterven is Hij bezig Zijn overwinning effectief te maken.

Rustig sterven. Ja, dat kunnen wij.