Opgewacht! (15, slot)

Nieuwe aanpassing

De vijand komt tot het uiterste. Hoe verder Christus komt met zijn heil en met de vergadering van zijn kerk, hoe meer de satan zich duivel bewijst.

Wéér weet hij zich aan te passen in knappe strategie. Het Kind is verheerlijkt. De vrouw wordt beschermd. De tijd is kort. Die korte tijd ook nog verdeeld. Het gebied beperkt. En op dat beperkte gebied zijn de mogelijkheden geringer. De laatste mogelijkheden zullen geraffineerd worden benut. Hij zal dat ene Kind en de vrouw nu treffen waar hij nòg kan: in ‘de overigen van het nageslacht van haar’.

Niet slechts de kerk als geheel, elk lid afzonderlijk zoekt hij. Hij zal ze meeslepen de jongens en meisjes uit de kerkgezinnen. Hij zal trachten terug te winnen hier één en daar één, persoonlijk stuk voor stuk, die op het zendingsveld uit de duisternis zijn geroepen tot het ‘wonderbaar licht’. Hij inspireert de mens op de kansel, achter de docententafel en op de katheder.

Hij weet het te brengen tot kategoriale kerkdiensten waardoor de gemeenten worden uiteengesleurd en de gemeenschap van de heiligen tot groepsverbondenheid verwordt. Door esthetische kultuurgenietingen aan te bieden weet hij te gewennen aan wetteloosheid. Hij leert ‘genuanceerd’ denken door terminologieën uit vreemde woordenboeken in te voeren. Want hij heeft zijn zeven hoofden en op die hoofden zeven diademen. Hij gaat mensen bezetten en hun bezeten-zijn zal worden aangepast aan tijd en omstandigheid. Was de bezetenheid door de duivel in de dagen van de vleeswording van Gods Zoon op aarde aan de gang van de heilshistorie aangepast, in de dagen van de verhoging van Christus is ze het niet minder. Bij al zijn initiatieven moet hij de grote Initiatiefnemer volgen. Ook als hij progressief doet is hij reaktiefiguur.

Bezetenen lopen nu overal rond, al schijnen ze normaal te zijn. Bezetenen zullen leiding krijgen bij de meest belangrijke kommunikatiemiddelen en op schijnbaar onbelangrijke posten. Bezetenen zullen hermeneutieken ontwikkelen tot uitlegging van de bijbel. Bezetenen zullen bezield en bezielend leren dat er verzoening is en verzoening komen moet en bewogen aan verzoening werken; een verzoening wel met ‘martelaarsbloed’, maar zonder betálend bloed van Christus. Want wel werkt satan met geweld als de tegenstander van God, zijn geweld dient de verleiding. Het is zelfs opgenomen in de leer van de geweldloosheid. Hij is het die verleidt. Die oekumenisch verleidt, maar wiens oekumenische beweging zal gaan om de christenen afzonderlijk. Hij komt met ‘persoonlijke zielszorg’, zìjn ziels-zorg wel te verstaan. Hij gaat zielen ‘winnen’.

Tegen wie immers gaat precies nu de oorlog? Evenals we van de draak een nadere omschrijving hebben ontvangen, krijgen we die ook van de ‘overigen van het nageslacht van de vrouw’.Het gaat om hen, ‘die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben’. In een wereld van situatie-ethiek zijn zij het, die ‘met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige maar naar alle geboden van God beginnen te leven’ (Zondag 44 Heidelbergse Catechismus).

In een wereld van onmythisering houden zij vast aan het getuigenis van Jezus dat zij hebben ontvangen. Tegen hèn de oorlog dus. Een nieuwe ethiek wordt opgedrongen. Een nieuw denken wordt ingevoerd. Door rythme, muziek en schilderkunst wordt hier een lid van de kerk en daar een lid van de kerk van binnen kapot gemaakt. Jeugd wordt aangegrepen. Het ene Kind van de vrouw, dat van bóven zijn zielszorg uitoefent heeft eens gezegd, dat Hij van alles wat de Vader Hem gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het opwekt op de jongste dag (Joh. 6:37-40). Maar toen Hìj kwam, kwam de tégenstander met tegen-zielszorg. Dit is de felle worsteling, die zich nu heeft ingezet. Dat betekent voor de ambtsdragers in de kerk: persoonlijke zielszorg. Dat betekent voor de gelovigen: persoonlijk bewust lid van de kerk te zijn, persoonlijke nauwgezetheid, persoonlijke zelfbeproeving, persoonlijk bijbelonderzoek. Dat betekent voor de leden van de kerk onderling: elkaar liefhebben en helpen tot persoonlijke bekering en persoonlijke volharding: de zorg telkens weer om het ene schaap van de kudde (Matth. 18:12-22, zondag 31 Heidelbergse Catechismus). Zielszorgers staan op de beslissende plaats van ’t oekumenische oorlogsfront. Want de draak heeft nog heel wat in petto. Hij gaat staan op het zand van de zee; gaat de volkerenwereld mobiliseren. Er kòmt wat uit die zee (hoofdstuk 13)!

De kerk en elk lid persoonlijk zullen Psalm 2, met al de liederen van bevrijding, moeten leren repeteren en zingen; aan de jeugd léren zingen. Op die zang op aarde, één met de ‘luide stem in de hemel’, loopt de verleider dood.

Intussen is hij knáp verleider.

Hij blijft ‘de oude slang’.


Overgenomen uit: Komende in de wereld, diverse auteurs, onder redactie van ds. G. Zomer, Oosterbaan & Le Cointre B.V. – 1975, pag. 233-256