Opgewacht! (11)

III. Het derde tafereel.

Aangepaste strategie

We komen tot de spits van Openbaring 12. Voor de vijfde maal valt het woord ‘geworpen’. Daarbij wordt opzettelijk en bij herhaling de draak als de slang aangeduid. Het derde tafereel sluit regelrecht aan op het twééde. Het tweede liep op het derde uit en vroeg er als het ware om.

Oók wordt nu weer gesproken van de woestijn, van de vlucht van de vrouw naar de woestijn en van ‘het mannelijke kind’. Het derde tafereel sluit ook regelrecht aan op het éérste. Ook dit liep hierop uit en eiste het als vervolg. Nu komt de spannende tijd na ‘de volheid des tijds’, de geschiedenis van de nieuwtestamentische kerk en van de nieuwtestamentische aarde en het volkenbeweeg in die tijd. Eerst wie weet van de strijd van de draak tegen de vrouw in voorbije eeuwen en van de oorlog in de hemel in het midden van de geschiedenis, kan leren verstaan wat aan de orde is in de eeuwen sinds de hemelvaart. De socioloog komt er niet uit, al zijn er veel sociologische problemen waarop moet worden gestudeerd. De psycholoog kan geen verklaring geven, al zijn er uitzonderlijk belangrijke psychologische gegevenheden, die alle aandacht vragen. De duivel maakt van alles gebruik. Zijn mateloze woede is geen redeloze woede. Hij zal bewijzen dat hij tien horens heeft, zijn stootkracht is geweldig. Hij zal ook bewijzen dat hij zeven koppen heeft met zeven diademen. Hij doet het bijzonder intelligent. Hij maakt gebruik van huidskleur en volkswil, van landhonger en machtswaan, van familieveten en taalbarrières, van wetenschap en kunst.

Maar verklaarbaar uit faktoren van beneden is er niets. Tenzij die faktoren diep beneden worden gezocht: er is een vorst (Daniël 8), die de geest van de opstand is en ‘voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de donkerheid’ wordt bewaard gehouden (Judas 6).

In de ‘duizend jaar’ waarin hij gebonden is, zodat hij zijn doel van wereldhegemonie niet kan bereiken, is hij óók gebonden tòt het doen van louter ‘werken van de duisternis’, tot destruktief bezig zijn in grote woede. Gods oordeel over hem. Maar wat hij – als daartoe ‘gebondene’ – doet, doet hij bewùst. Het wordt een tijd van grote tegenstelling tussen de hemel in feeststemming en de aarde waar de hartstochten nog nooit zo zijn opgelaaid als in de nieuwe tijd.

Hoe kon Saulus van Tarsen te werk gaan zoals hij deed? Hoe konden die overigens zo verstandige joodse leiders zo’n dwaze leugen de wereld inzenden met effekt, als op Pasen gebeurde? Hoe konden tegen de reformatoren beschuldigingen worden ingebracht zoals er werden ingebracht en eeuwen lang gehandhaafd? Hoe kan de ‘image’ van de kerk zodanig worden, dat verontrusten worden verhinderd om tot rust te komen?

Nu de duivel weet dat hem zijn aanklachtfunktie is ontnomen en hij de hemel verloren heeft, verandert hij van taktiek. Nieuwe aanval op de vrouw. Nu niet meer òpdat haar nageslacht niet zál komen; nu òmdat het gekomen ìs en voor hem onbereikbaar. Als de hemel voor hem verloren is zet hij alles in tegen de aarde en de volken, om de kerk die dáár is. Hij moet zijn nederlaag inkasseren, maar dan ‘over de puinhopen’ van het laatste dat hem bleef. Nu hij uitverkorenen niet meer bij Gód in een kwaad daglicht kan stellen, zal hij onder mènsen hun het leven onmogelijk maken. Hij zal de kerk in zo’n positie brengen op de aarde, dat men zich van haar afkeren zal. Het schept een nieuwe strategie, aangepast bij de nieuwe situatie.

In de hemel spraken ze niet voor niets van ‘de oude slang’. Wat hij bij zijn eerste optreden in de mensenwereld deed, Gods woord disputabel stellen (Genesis 3), wat hij later deed, bijvoorbeeld in de woestijn van Juda (Matth. 4:6); woorden uit Gods woord citeren zodat ze niet meer zijn woorden van God – dat zal hij nu gaan doen over ‘heel de wereld’. Waar het evangelie van Christus wordt bekend gemaakt, gaat hij taktisch tegenevangelie brengen. Tegen de inspiratie van boven stelt hij een andere en laat deze noemen ‘evangelische inspiratie’. Tegen de kerk die is pijler en fundament van de waarheid stelt hij een ander instituut, dat hij ook kerk laat noemen, kultiveringsinstituut van de twijfel en van het experiment. Nu het strijdtonéél is ingekrompen en de Persoon om wie het gaat onbereikbaar is, moet de strijdmethóde worden aangepast. Maar die hij ‘vervolgt’ is nog steeds de vrouw, ‘die het mannelijke kind gebaard heeft’.

Om het met andere woorden uit de bijbel te zeggen: ze is het ene Israël. De kerk van het oude verbond, een tijd lang uit één volk, dat van de Joden, en de kerk van het nieuwe verbond, weer uit álle volken en talen en naties, is dezelfde kerk. Men kan een leer opbouwen waarin dit wordt ontkend. En de duivel kan als één van zijn krijgslisten tot ontkenning hiervan willen leiden; zelf weet hij het goed en rékent hij ermee. De nieuwtestamentische kerk is geen nieuw verschijnsel in de geschiedenis. Ze is ook niet een intermezzofiguur in een periode die omsloten is door de joden als Gods volk in het verleden en de joden als Gods volk daarna. De identiteit van het volk staat vast. De ‘oude slang’ staat tegenover de ‘oude vrouw’ die altijd nog baart. Dit blijkt ook nog uit iets anders.