Niet zoeken- toch vinden

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van dr. M.B. van ‘t Veer (1904-1944).[1]


“En Jesaja durft het aan te zeggen: Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten, Ik heb Mij geopenbaard aan hen die naar Mij niet vroegen.” ~ Rom. 10:20

 

Zoeken- en niet vinden, dat is, zo zagen we verleden week, uitdrukking van de grootste ellende voor het volk van de Heere,

Niet zoeken- en toch vinden, dat is, zo kunnen we nu zeggen, de openbaring van de grootste genade, die de Heere een mens geeft.

 

De relatie van ‘zoeken’ en ‘vinden’
De relatie van zoeken en vinden wordt toch wel anders gelegd, dan wij ze telkens willen zien. Voor ons begrip behoren deze twee werkelijkheden bij elkaar. Wie zoekt, behoort te vinden; en wie niet zoekt, het zelfs niet de moeite waard acht te zoeken, behoort ook niet te vinden. En omgekeerd is het vinden voor ons pas wérkelijk vinden, als het gezien wordt als resultaat van voorafgaand zoeken.

Dat is een regel, die zo voor alle levensterrein geldt. Ook in het godsdienstig leven, ook als het gaat over de verhouding, die er moet zijn tussen het zoeken en het vinden van de Heere. Wie zoekt, zo zeggen we, zal Hem vinden; maar wie Hem niet zoekt, vindt Hem ook niet. Het zoeken van de Heere verkrijgt zo maar al te vaak de plaats van noodzakelijke voorwaarde voor het vinden van Hem; en het vinden van Hem wordt de vrucht van onze zoekende arbeid. Wanneer dan ook in het leven van de ongelovige het zoeken maar gevonden wordt, is de zaak al half gewonnen: hij is een zoekende ziel en de Heere zal alle zoekers wel leiden op de weg van het vinden.

 

Geen automatische band tussen ‘zoeken’ en ‘vinden’!
Maar zo automatisch is de band tussen zoeken en vinden niet. Het is geen ‘natuurwet’, geen natuurnoodwendigheid. En in elk geval is er geen oorzakelijk verband tussen zoeken en vinden als het gaat over de verhouding van God en mens. Want van velen geldt het, dat zij zoeken en niet vinden (zie vorige week). Het beslissende is toch niet of iemand zoekt, niet het feit van het zoeken; maar veeleer wat (Wie) men zoekt en hoe men zoekt. Het zich verhardende Israël zal in zijn grote nood de wereld afzwerven om woorden van de Heere te zoeken, maar zal ze niet vinden, profeteerde Amos. En Paulus zegt het hier op andere wijze. Hij heeft gezien, dat Israël niet gevonden heeft. Hebben ze dan niet gezocht? Ja zeker, alle dagen, in drukke spanning. Ze hebben gezocht hun eigen gerechtigheid naar de wet op te bouwen, maar ze hebben niet gevonden. Ze hebben in al hun zoeken hun God niet gevonden, zoals Hij als God van de genade in Christus Jezus Zich aan hen openbaarde. Daarvoor hebben ze de ogen gesloten en zijn toen gaan zoeken. Als maar zoeken. Maar ze hebben niet gevonden. Israël werd verstoten!

Maar nu ook omgekeerd, zegt Paulus: Er zijn mensen, die God niet zochten en Hem toch vonden! Mensen, die naar God niet vroegen, maar toch Hem in liefde leerden kennen. Dat kan dus nimmer aan hun zoeken gelegen hebben. Want zoals bij de Joden het zoeken geen waarborg gaf voor het vinden, zo is bij de heiden het niet-zoeken geen bewijs, dat hij nu ook niet zal vinden. De zoekers vinden niet en de niet-zoekers vinden toch. Er is dus alle reden zich hier te bezinnen.

 

Wij vinden Hem, omdat Hij ons zoekt
Dat zij, die God niet zochten, Hem toch vonden, heeft dus een andere oorzaak dan het zoeken. Hoe konden zij, die naar Hem niet vroegen, toch Hem vinden?

Daarop is alleen dit antwoord, dat Hij Zich liet vinden; of dat Hij Zich aan hen openbaarde. Zij zochten niet naar het licht, toen zij in duisternis wandelden, maar het licht is hun opgegaan. Zij vroegen niet naar de Heere in al hun zoeken van de goden van deze wereld, maar Hij is tot hen gekomen en is vóór hen gaan staan en heeft Zich aan hen geopenbaard.

Hij deed dit ongevraagd en ongezocht!

Hij deed dit zo helder en zo overtuigend, dat ze Hem moesten zien en vinden!

En als vrucht van deze daad van God, van dit genadewerk van de Heere hebben de niet-zoekers opeens gevonden.

Zo heeft Paulus het gezien. Hij is tot de heidenen gegaan, niet omdat zij om het Evangelie gevraagd hadden, maar omdat God hem tot hen zenden wilde.

En zo is het Woord van de Heere tot hen gekomen en zij hebben gehoord en verstaan en geloofd. Geloofd in wat ze vóór die tijd niet gewenst hadden.

Het vinden was geen vrucht van hun zoeken, maar van het zoeken van de Heere.

Wij vinden Hem, omdat Hij ons zoekt.

Wij leren Hem kennen, omdat Hij naar ons vraagt en Zich aan ons te kennen geeft. Ons vinden is resultaat van Gods zoeken-in-liefde!

 

Gods kind moet het aangezicht van de Vader zoeken
Maar, dit zegt dan ook tot het volk van de openbaring (de Joden uit Paulus’ dagen en de kerk uit onze tijd) dat er geen enkel tekort is in de openbaring van onze God in Jezus Christus. Dat zegt ons dan, dat het Woord van de Heere volmaakt is, dat het duidelijk, helder is en niemand is te verontschuldigingen, als hij bij het licht van het Woord niet vindt. Als het Woord van onze God zo duidelijk is, dat zelfs zij, die niet zoeken toch vinden, hoe groot moet dan de schuld wel zijn van hen, die bij het licht van de openbaring leven en niet vinden!

Voor hen is geen enkele verontschuldiging.

Ook niet voor hen, die, wanneer Gods openbaring tot hen komt, nog gaan zoeken. Zij menen toch, dat zij door hun zoeken de weg tot het vinden moeten banen, en zien niet, dat die weg tot het vinden is opengegaan door het zoeken en het komen van God tot hen in Zijn Woord. Als Hij tot me spreekt, als Hij het licht laat schijnen in mijn leven, dan heb ik niet meer te zoeken, maar rest mij alleen te vinden. Immers, Hij komt tot mij en zegt, dat Hij zich vinden laat. Dan zijn we als de wandelaar, die van de schat onbewust, plotseling voor zijn voeten ziet liggen ‘de parel van grote waarde’. Die mens zegt niet meer: ‘ik ga de parel zoeken’, maar grijpt haar en neemt ze en verblijdt er zich in en jubelt: ‘ik heb gevonden, hoewel ik niet zocht’. Maar wee de dwaas, die dan nog zegt: ‘ik moet eerst nog zoeken, want alle vinden, dat geen resultaat van mijn zoeken is, heeft geen waarde’.

Wil dit woord nu zeggen, dat niemand zoeken moet? Of nog scherper, dat niemand de Heere zoeken moet? Dringt de Schrift daarop niet aan?

Er is een zoeken van de Heere, dat Hem welgevallig is. Maar dat is een ‘zoeken’ van het aangezicht van de Vader door zijn kind. Dus van hem, die reeds gevonden is en gevonden heeft.

Wie gevonden heeft, zal dagelijks zoeken.

Maar keer het nu niet om, door te zeggen: wie niet heeft gevonden, moet nu gaan zoeken en van zijn zoeken het verwachten.  

Want de heiden, aan wie het licht van Gods Woord niet is opgegaan, vindt Hem niet. Hij zoekt Hem ook niet.

En zij, die het licht hebben en bij het Woord leven, die dus in de kerk zitten, zij moeten niet gaan zoeken, zij worden gezocht en moeten zich laten vinden.

En daarin zullen zij vinden. Dat wil zeggen: zij moeten nu het Woord geloven; de parel met blijdschap nemen, hoewel ze die niet zochten; zij moeten nu Hem met hun gehele hart gaan dienen, hoewel ze naar Hem niet vroegen.

 

Vinden als vrucht van Gods zoeken
Ons vinden is vrucht van Gods zoeken.

Och, laten we niets verwachten van de ongelovige zoekers. In hun zoeken bewijzen zij, dat ze de Schrift voorbij lopen en alleen willen vinden als vrucht van hun actie.

Het is de rebellie van het zondige hart tegen het evangelie van de soevereine genade.

Het werk van God wordt hierin openbaar, dat Hij gevonden werd van hen, die Hem niet zochten. Dezen zullen roemen in het evangelie van louter genade.

Indien er waarachtige bekering komt in deze dagen, zal het niet moeten blijken uit een grote schare van zoekers.

Het zal juist hierin openbaar worden, dat velen ophouden met dit zoeken, en zich laten vinden onder hen, die door Gods genade gevonden hebben.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 130-133. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.: