Kruis – Kruisdragen

In deze, door een broeder ingezonden, ‘vraag en antwoord’ door ds. P.K. Keizer wordt ingegaan op de betekenis van het ‘kruisdragen’.[1]

 


 

Vraag:
Wat is de betekenis van het woord “kruis”? Waarin bestaat dat “kruisdragen”, b.v. Matth. 16:24.

 

Antwoord:
“Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: indien iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelve en neme zijn kruis op en volge mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verliezen zal, om mijnentwil, die zal het vinden. Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven”, Matth. 16:24-26.

 

Het evangelie, dat ons nodigt om tot Jezus te komen, is ruim en breed en wijd: “Komt allen tot Mij”. Maar de weg achter Jezus aan, Hem volgende als zijn discipelen, is smal en eng. Dat eist zelfverloochening en kruis opnemen. Het woord “kruis” heeft voor ons zijn ontzettende klank haast verloren. De christenheid kent zilveren, gouden, ivoren kruisen, crucifixen, kruisjes enz. Wat het voor de discipelen echt betekend heeft om achter Jezus aan te komen, dat hebben ze spoedig ondervonden. Ze kwamen alleen te staan. Ze hadden de publieke opinie tegen zich. ’t Werd gevaarlijk om met Jezus te zijn. Wat zal het dikwijls gestormd hebben in hun harten: “moet dat nu zò, met Jezus, die toch de Christus is?”. In de hof van Gethsémané kwam het zelfs tot een uitbarsting bij de discipelen. Petrus sloeg er op in. Zelfhandhaving in plaats van zelfverloochening. Maar na zijn opstanding werden hun ogen geopend. Kort daarna stonden ze op dezelfde plaats waar Jezus een paar maanden tevoren ook had gestaan: voor de Hoge Raad. De eerste maal kwamen ze nog met een berisping vrij. De tweede maal werden ze gegeseld. Toen voelden ze lichamelijk het “kruis”. O, o, ’t ging om hun leven! Wat zullen de raadsleden hen woedend hebben aangekeken. Wat zal er in hen soms het verlangen naar vrijheid en leven sterk geweest zijn. Verlost te zijn van die spanning, om weer als rustige burgers, niet langer opgejaagd, te mogen leven.

De hogepriester zegt, dat ze dat kunnen krijgen, als ze breken met die sekte van de Nazarener. Met het oog nu op deze zeer ernstige situatie, zei Jezus: wie dàn zijn (tijdelijke) leven zal behouden met de belofte om de Nazarener te verloochenen, die zal het (eeuwige) leven verliezen. Maar wie standvastig blijft en dan (door de doodstraf om mijnentwil) zijn leven-hier verliest, die zal hèt (eeuwige) leven bij Mij vinden. Wat baat het een mens, die de hele wereld zou winnen en alles hier verkrijgen wat zijn hart maar begeert, door Mij te verloochenen, maar hij zou zichzelf verliezen. Er staat niet: schade aan zijn ziel, alsof zijn ziel beschadigd zou worden. Die griekse, heidense onzin en leugen kent de Schrift niet. Jezus zegt: “schade zijner ziel”, dat betekent: de schade, het verlies, dat een mens, die Jezus verloochent, lijdt bedraagt zijn ziel, zijn leven, zijn eeuwig leven, àlles. Want wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen zich schamen, wanneer Hij komen zal in zijn heerlijkheid.

’t Is goed, dat we Hem belijden en zijn gaven en schatten zoeken. Maar er is zelfverloochening voor nodig, in grote en kleine dingen. Niet eigen gedachten volgen. Wie daarop ingesteld is, op eigen eer, op een gemakkelijk leven, op de minste weerstand, die legt het kruis neer, die vindt spoedig allerlei ergernissen: “moet dat nu zó?” – “kan dat niet anders?” – “hebben we ons ook vergist?”. Achter Hem gaan, kruisdragen, betekent dikwijls allerlei mooie dingen loslaten, soms b.v. bepaalde vriendschappen moeten verbreken. Dan kunnen we niet overal lid van zijn, van allerlei clubs en verenigingen en vergaderingen en samenkomsten, zonder onderscheid. Aan kruis dragen gaat vooraf kruis opnemen (vs 24). Daarom moeten we niet alle ziekte, tegenslag, moeite en verdriet zonder onderscheid maar “kruis” noemen.

Ziekte nemen we niet op, maar dat wordt ons opgelegd. Dat kunnen we niet neerleggen en er zo vanaf komen. Het kruis, dat Jezus bedoelt, kunnen we wèl neerleggen, of laten liggen. Door Hem te verloochenen. Ziekten zijn strafgevolgen van de zondeval. Daar delen gelovigen en ongelovigen beide in. Maar de wereld (in al haar ziekten en noden) draagt toch zeker geen kruis-achter-Jezus aan? Wat wij als discipelen van onze Heiland dragen om zijnentwil, om zijns Woord wil, om zijner kerk wil, dàt alleen is kruisdragen. Maar het gemeenschappelijke aan vloekgevolgen voor gelovigen en ongelovigen, voor kerk en wereld, is geen kruis. De kerk-alléén kan kruisdragen. Dat moeten we opnemen. Want gelovigen kunnen het ook neerleggen en de Heiland verloochenen. Ook ziekte en tegenslag legt de HERE ons op, zeer zeker, en we kunnen het alleen dragen in zijn kracht, maar zùlk leed dragen we niet om Christus’ wil, maar om onzer zonden wil. “Elk huis heeft zijn kruis” luidt het spreekwoord. Maar het is niet waar! Elk christenhuis (waarin waarachtige christenen wonen) heeft zijn kruis. Wereldse christenen verloochenen de Heiland. Draaien overal mee. Worden nooit met de nek aangezien. Hebben het makkelijk, zonder kruis, zonder smaadheid. “Weest mijne navolgers, broeders – want velen (in de gemeente van Filippi) wandelen (ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende) als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind”, Fil. 3:17-19. Vele christenen in Filippi leefden voor “de buik”, dat is voor eten-drinken-geld-verdienen-carrière-maken-trouwen-goed-leventje. Ze stelden er hun eer in (hun “heerlijkheid”), dat wereldse mensen hen zo “ruim” en “breed” en “verdraagzaam” vonden: “dat is tenminste een man met een ruime blik”. Ze bedenken aardse dingen, ze zijn met heel hun levenshouding op dít leven ingesteld. Maar, zegt Paulus, “hun eer (waar zij hun eer onder de mensen in stellen) is in hun schande”. In plaats dat ze er zich voor schamen (omdat het hun schande is) stellen ze er een eer in. Ze hebben (naar hun zeggen) Jezus “lief”, ja, ja, met de mond, maar hun levenspraktijk bewijst, dat ze “vijanden van het kruis van Christus zijn”. Dat is erg: “liefhebbers” van Jezus, maar in werkelijkheid vijanden van zijn kruis, afkerig in hun hart om smaadheid van mensen te dragen, achter de Heiland aan. Zijn schatten wel te begeren (wie zou dat ook niet willen: vrijspraak van straf en eeuwig leven!), maar de weg van verlossing, van zelfverloochening en kruisdragen gáán ze niet.

In de dagen van onze vaderen – 16e en 17e eeuw – toen het doopsformulier werd opgesteld, bad men voor elk kind: “dat het zijn kruis vrolijk dragen mocht”. In die tijden wist men heel goed wat dat betekende. God vraagt niet van elk geslacht het martelaarschap-tot-in-de-dood. Daartoe is elk geslacht van Gods kerk ook lang niet in staat. Er zijn “slappe”, “trage” geslachten in de kerkgeschiedenis geweest. Maar alle oprechte christenen, ook jongens en meisjes, op kantoren, in fabrieken of kazernes, in militaire dienst, als ze zich niet vreemd houden van Hem, wiens grote Naam ze dragen, ervaren wat kruis, smaadheid, geestelijke verdrukking, achteruitzetting, niet in tèl zijn, verachting, betekent. Al is het “maar” een spotlachje, een schimpscheut, altijd-het-mikpunt-zijn. Wij dragen óók dikwijls smaad vanwege eigen zonden, zelfverheffing, trotsheid, dwaasheden, enz. Maar meer dan wij zelf beseffen worden we ook “om uwentwil” (lees Ps. 44!) “de ganse-lieve-dagen door” geplaagd en “gedood”-verfd. Ik kan mij indenken, dat er soms een jongen is, die ’s avonds zich neerwerpt, òp van narigheid, omdat hij er altijd onderdoor moet en dan bidt: “Tot U, o HERE, hef ik mijn ziel op. Mijn God, op U vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden, laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij: Ja, allen die U verwachten, zullen niet beschaamd worden. Zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak”, Ps. 25:1-3. “Zonder dat ik oorzaak gaf”, om Christus’ wil, omdat ik “van de kerk” ben. Dat is kruisdragen. Zonder sensatie en zonder in de krant zetten.

 

[1] P.K. Keizer, ‘Vragen naar de bekende weg’, deel II (Kampen: Copieerinrichting v.d. Berg, 1981), pp. 44-47.