Kop of staart? (2)

De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,
en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart. ~ Jes. 9:14

 

De beeldspraak van kop en staart
Ik denk, dat u die beeldspraak van kop en staart nu al wel doorzien zult. De profeet vergelijkt het volk hier met een log dierenlichaam. Er is nog beweging in dat grote lichaam; o nee, zonder roering is het niet. Zie, de kop schudt zich en beweegt; en die kop, dat is de regeringsman, op het schild geheven. Hij is de man, die leidt en stuurt en vooropgaat, evenals de kop van het dierenlichaam altijd vooropgaat. Waar de kop zich heen wendt, daar moet achter de kop aan volgen heel het lichaam, elk van zijn leden, en – en ook – de staart. Ja, ook de staart.

De staart, dat is toch wel het meest geringe, het meest verachtelijke van het beest. Sla het dier zijn kop af, en ’t is er niet meer. Maar neem zijn staart weg – en ’t leven blijft er even goed in. En dan – de staart, die altijd achteraankomt, die nooit iets anders heeft te doen, dan maar gedwee zich te laten meezeulen, die almaar trouw volgt en volgt, die altijd mee moet, waar de kop van het dier het lichaam hebben wil, die staart, heeft hij niet de rol van de volmaakte passiviteit, al kan hij nog zo druk zich roeren?

Welnu, die staart van het dier – die is het passend beeld voor de valse profeet. O Jesaja, u hebt het niet scherper, niet vernielender kùnnen zeggen. We zullen niet smalen, dat hier ‘in cauda venenum’, in de staart het gif zit. Maar in de staart der profetische rede is dan toch ditmaal wèl wat bijt en zeer doet, al is de pijn dan ook heilzaam bedoeld.

Stel u voor – profeet te heten en staart-mens te zijn! Welk een tastbare hoon!

En hoe zal vooral Jesaja zelf bij het daarheen werpen van die woorden het vlijmscherpe van zijn taal hebben geproefd… Want deze Godsgezant, o, hoe heeft hij voor profeten altijd de àndere rol gereserveerd, de rol, niet van de staart, die achteraan komt, maar van de kop, die vooropgaat, die ziet, leidt, zèlf stuurt.

 

De valse profeet als achter-aan-hinker
Profeten, vindt Jesaja, profeten moeten voor het volk de ogen zijn, waardoor het ziet, het hoofd, waarmee het denkt.

Dat is heilige profeten-roeping; daarin ligt hun eigen en hoog privilege.

Maar bij de valse profeten blijft van die superioriteit geen zweem meer over. Hun adelbrief hebben ze versnipperd, hun privilege met voeten getreden.

En nu zijn er twee mogelijkheden volgens de profeet.

De ogen, waardoor het volk moet zien, kunnen geblinddoekt zijn en het hoofd, waarmee de natie moet denken, kan, als in de diepe slaap, overdekt zijn, diep onder de dekens in vaste slaap rustig begraven. (Vgl. Jes. 29:10).

Dat is de eerste mogelijkheid.

En wie zich een voorstelling vormen wil van wat hier bedoeld wordt, moet maar eens denken aan de profeet in Bethel, de man, die daar kalmpjes-weg woonde in de dagen van Jerobeam, die daar zag gebeuren àl die gruwelen, van de stierkalveren-dienst en van de publieke verguizing van Gods gebod en der vaderen heilige zede, en die, hoewel ver ervan, om van valse profetie zijn beroep te maken, tegen dit kwaad toch niet protesteerde, doch alles lijdelijk aanzag, zonder dat zijn geest verscheurd werd van de ijver en de woorden van vlammend protest naar alle kanten als vonken uitspatten. Dàt is de man, die in slaap gezonken is; daar hebt u nu de belichaming van het type van het geblinddoekte oog en het toegedekte hoofd. Hij protesteert niet, maar in elk geval doet hij ook niet mee. Hij schreeuwt niet tegen de drom in, maar hij zingt tenminste ook niet mee in het koor.

Maar zó is het hier niet.

Hier treft u de tweede mogelijkheid, die zich kan verwerkelijken, als de profeten niet meer de kop zijn, de kop, weet u? Ook nu gaan de valse profeten, tegen wie Jesaja ’t heeft, niet voorop, maar men kan toch ook niet zeggen, dat ze als in de slaap passief daar ter neer liggen. Nee, het beeld van het geblinddoekte oog past op hen niet; dat is voor hen nog véél te mooi. Het lijkt er niet op, dat ze, als een oog, een plaats hebben in de kop. De staart – dàt zijn zij! Slapen doen ze niet; voor de passieve rol voelen de heren zich veel te zelfbewust. Kijk ze maar eens druk in de weer zijn. Er is bij de heren werk genoeg aan de winkel; ze roeren zich druk genoeg – precies als vaak de staart dat doet. Maar al zijn ze nòg zó druk bezig, al nemen ze ook het air aan van grote gewichtigheid, al lopen ze met de staatsportefeuille onder de arm, precies als de grote heren van de politiek, toch – toch…

Toch zijn deze zelfbewusten helemaal niet bewùst.

Toch zijn ze met al hun veelbezigheid en schichtige activiteit de mensen van de passieve rol, als ’t er nu eens op aankomt.

Toch zijn ze, ze mogen dan altijd met de afgoden van het volk en de eersten van het rijk op voet van familiariteit leven, beklagenswaardige stumpers.

Toch zijn ze de staart, de achter-aan-hinkers.

Want de aanzienlijke – die is de kop.

Maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.

 

Een actueel woord
Zolang de wereld zal bestaan, zólang zal dit vlijmend, priemend woord van Jesaja Gods protest tegen profeten, die geen profeten zijn, branden in het geweten van zijn volk.

En dat is geen wonder.

Want zolang de wereld staan zal, zólang zal ook de historie met haar nooit geflatteerde werkelijkheid getuigenis geven aan dit woord, dat het waarachtig is en van God gesproken en gedragen.

Elke eeuw zal er zijn om te bewijzen, dat een volk, dat door zulke ‘leiders’ in schijn geregeerd, doch in werkelijkheid verleid wordt, verloren is. Het snelt naar de afgrond.

Als er geen profetie is, zegt een der spreuken, als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot.

En zulk een toestand kan intreden, al krioelt het in de straten van profeten; profeten dan, wel te verstaan, van zùlk allooi. Want al wemelt het van profeten, de profetie, de echte waarachtige, goddelijke profetie is dan weg. De profetie, die vooropgaat. De profetie van den kop, weg is ze, onherroepelijk wèg.

En denk nu maar niet, dat dergelijke karikatuur-profeten, zulke staart-predikers, alleen zichzelf ten val doemen. Ze slepen het volk mee. Ze graven het graf niet maar voor zichzelf, maar ook voor hun volk. En, wonderlijk – als de profetie, de echte, uit de kop verdwenen is, en de ondergeschikte rol van de staart gaat overnemen – dan is de kop zelf ook niet meer te houden. Ook de kop-figuren slaan straks aan ’t malen; ze kunnen tenslotte ook niet meer heersen, prachtig en krachtig. Zoekt u bewijs? Denk dan maar aan Jesaja’s eigen tijd. In Efraïm was de corruptie het grootst, juist bij de hofkliek. Nu, onder Jotham, leek het nog wat. Maar later treedt het verderf en de machteloosheid met rauwe openhartigheid aan het licht. Een eigen politiek heeft men niet meer; een eigen geloof niet meer; een eigen God niet meer. Egypte, Egypte… dat moet helpen. En wat Juda betreft: daar vindt u hetzelfde. Leiders zijn geen leiders meer want de profetie is doodgezwegen, al snappen ook de zogenaamde profeten het honderd uit. Daar ziet u een parvenu als Sebna op het kussen; een man, die, let wel, in kritieke dagen van dreigend staatsgevaar, niet de handen uit de mouw steekt, maar op een mooie middag eens buiten de stad gaat toeren, om eens te zien, hoe het staat met zijn mooie graf, dat hij zich liet graven onder de deftigen adelstand van Jerusalem.

En dan Achas, de zwakkeling… Maar wat praten we nog langer? Als de profetie naar de staart verhuist – dat ziet u nu wel – dan hangt ook de kop slap neer. Als de profetie niet het zelfbewustzijn wekt in Gods kracht, als ze niet het doel wijst, ginds in de verte, ver vooruit, als de profetie niet is: kop-profetie, dan wordt het volk ontbloot.

Want staart-profeten redden niet. Ze kunnen ook niet, de machtelozen. Niet waar, u weet het wel:
Wees u zelf, zei ik tot iemand,
Maar hij kon niet, hij was niemand.

 

Ware profetie moet in álle dingen het woord spreken
En als we nu eindelijk ons afvragen wat dit pakkende beeld van Jesaja ons heeft te zeggen, ons, zoals we hier zijn, dan wil ik beginnen met een waarschuwing.

Een waarschuwing, om Jesaja’s vergelijking van kop en staart niet verkeerd toe te passen.

Zeg nu niet: dat komt er ook van, als mensen, die moeten profeteren, zich bemoeien met de dingen van de politiek, van het publieke leven; als de profeten het gezelschap zoeken van de machthebbers in de staat en van de kringen der regering.

Nietwaar, dat is ook een soort van toepassing, die u meer dan eens hoort ‘maken’ speciaal in de kringen, die het wezen van het gereformeerde zoeken in een lijdelijk wegschuilen in de niet van alle zaligheidsgevoel verstoken rust van de uit de wereld wegvluchtende partij. Men zegt dan: profeten behoren de politiek maar de politiek te laten. Want politiek is toch niet meer te redden. Politiek, dat betekent: de bakens verzetten naar het getij. Politiek dat wil niet anders zeggen dan: schipperen en plooien naar gelang van het belang van het verlangen van de dag. Politiek, dat is de huik al maar weer hangen naar de wind. En daarom moet men die veranderlijkheden van de politici, van de aanzienlijken, van de regeringsaristocraten maar ver van zich houden en zich terugtrekken in eigen kringetje met de onveranderlijke profetie. Zet uw kerkdeur open, doch luid de klok maar niet; houd uw bijbel open, maar houd hem van het licht af en doe vooral de luiken dicht! Anders – zo heet het – als u de bijbel brengt in de politiek, als u de profetie uitdraagt naar de markt, wordt u ook de staart, die achter de politieken kop aan-kwispelt.

Maar u voelt immers allen, dat zoiets wel zeer ver van Jesaja’s eigen gedachtengang verwijderd ligt?

Zie, dat profeten ook zich mengen met hun profetie in de kringen der regering, dat veroordeelt Jesaja in de verste verte niet. Dat heeft hij zelf ook druk gedaan. Jesaja was zelf de aristocraat van geboorte, die bewust getracht heeft, ingang te krijgen en invloed te winnen aan het hof.

Hoe kan dat trouwens ook anders?

Zal de profetie werkelijk kop- en geen staart-profetie zijn, dan moet ze juist trachten in alle dingen het woord te spreken, haar woord, vóór het feit. Dan moet ze in alles de eerste willen zijn. Dan moet zij zeggen, wat men spreken zal en waarover men spreken zal en wanneer men spreken zal. O nee, niet daarover gispt Jesaja de profeten der leugen, dàt ze vooraanstonden. Hij heeft alleen maar dit éne tegen hen: dat hun ‘vooraanstaan’ maar een houding was, een mooie pose, zonder dat ze ook werkelijk de toon aangeven konden of ernstig wilden.