Kop of staart? (3)

Jesaja heeft alleen maar dit éne tegen de valse profeten: dat hun ‘vooraanstaan’ maar een houding was, een mooie pose, zonder dat ze ook werkelijk de toon aangeven konden of ernstig wilden.

 

Een waarschuwing tegen álle staart-profetie
En het is juist deze grief van de profeet, die ons de plicht oplegt, zijn waarschuwing tegen alle staart-profetisme zo breed mogelijk op te vatten, om ons zelf tot voorzichtigheid en tot nuchterheid op te wekken.

Want misschien hebt u al gedacht: houd nu maar op met die staart-profeten. Wij, jonge Calvinisten, lijken daar immers helemaal niet op? Zie onze brede rijen; zijn wij niet zelfbewust? Werken we niet druk? Stellen we niet, opzettelijk, veel vraagpunten aan de orde en schijnt bij òns de profetie niet met haar heldere schijnsel?

Zeker, zeker. Dat vind ik ook en ik ben er blij om, heel blij.

Maar – vergeet nu niet, dat men de rol van de staart kan aannemen en toch tegelijkertijd in schijn o zo onafhankelijk, o zo volkomen in de rol-van-de-kop kan zijn. Men kan menen, kop-mens te zijn en toch werkelijk niet meer dan staart-mens wezen. Bewijs, vraagt u?

Wel, ik heb ‘t u reeds genoemd. Maar als u nog niet tevreden bent, omdat u met de laffe, wekelijke Jan-Salie-geesten uit Jes. 9:14 niets wilt te maken hebben, goed, dan heb ik nog andere voorbeelden. Dan wil ik u herinneren, dat er ook valse profeten geweest zijn, die zó vol waren van hun eigenaardig zelfbewustzijn, dat ze voor hun valse profetie de dood hebben getrotseerd. Men denke b.v. aan Achab, de zoon van Kolajah en Zedekia, de zoon van Maäsejah (Jer. 29:21 e.v.); mannen, die voor hun overtuiging hun leven over hadden. Ze hebben soms een conflict met de heersende staatsmacht aangedurfd; denk maar aan de leugenprofeten, die in de dagen van de ballingschap ‘profeteerden’, dat het juk van Babel wel heel gauw zou worden gebroken; zulk een prediking – dat begrepen ze zelf ook opperbest – bracht hun hoofd in gevaar.

Vindt u ook niet, dat valse profeten op ‘t eerste gezicht en zelfs bij nadere kennismaking óók wel eens wat anders kunnen lijken dan slappe, plooibare, pitloze lafaards?

En tòch – toch zou Jesaja, ook zelfs als hij tegenover deze mensen van bonkig graniet stond, niet aarzelen het beginsel van de staartprofetie ook in hen aan te wijzen. Want hun fout ligt in hun uitgangspunt. Ze bouwen niet een leer op het fundament der openbaring Gods, ze durven niet desnoods absoluut eenlingen te zijn, ze leven niet uit de inspiratie van boven die met geen mens rekent; maar ze vormen zich een gedachtenwereld uit zichzelf, uit de feiten, zoals ze zijn, uit de wereld, zoals die zich aan hen voordoet, uit de toestand van het ogenblik.

En in dat uitgangspunt ligt hun fout. Dàt is niet: met de waarheid tot de feiten komen: kop-profetie; maar dàt is: naar de feiten, naar de gegeven toestanden de gedachten wringen en een systeem zich bedenken: staart-profetie.

 

Kerk-zijn in plaats van secte
En als u dit alles nu bedenkt, zult u mij toegeven, dat het nog geen belediging is van uw rechtmatig zelfbewustzijn, als ik ook u kom waarschuwen tegen alle staart-profetie, zelfs in haar eerste opkomst.

Ik heb hier dan ook niet zozeer het oog op een zeker profetisme van de staart, dat u in de verte reeds als zodanig herkennen kunt; het staart-christendom, waar b.v. Kierkegaard het zo te kwaad mee heeft. Het gaat bij deze man immers niet tegen het christendom, maar tegen de verachtelijkheid van het staart-christendom, wanneer hij afgeeft op de ‘zijden dominee’, die met veel gratie het lieve kindje, dat men hem ten doop presenteert, driemaal met water besproeit, zonder dat hij verder iets meer is dan een ‘ambtenaar’; de dominee van het slag, dat ‘opspringt als hij een briefje van 5 thaler ziet, evenals een poppetje, dat, als men op een veer drukt, uit een snuifdoos te voorschijn springt’; de dominee, die ambtenaar is geworden van de staat en van de staart, en die zich verlaagt tot dienaar van de publieke opinie; de man, in wie het Nieuwe Testament geen waarheid meer is; want het Nieuwe Testament zegt, dat de weg smal en de poort eng is, maar de praktijk bij hen is, dat de weg in alle opzichten breed en comfortabel en de poort zo wijd mogelijk is, de poort, waar men immers en masse kan doorgaan?

Nee, dat is een staart-profetie-vertoning, die zich vanzelf al komt aandienen in haar wezenlijke armoedigheid.

Maar weet u, wanneer wij, ook op andere wijze, en dan met behoud van de schijn van zelfstandigheid en zelfbewustheid, staartprofeten kunnen worden?

Dit kan gebeuren in elk geval, waarin wij, onder de pretentie, dragers te zijn van het Woord van God en van de woorden der profetie, lopen aan de leiband van een andere macht, dan die in Gods Woord zelf tot ons komt.

Dat gebeurt, zodra wij met ons profetisch woord achter vreemden aankomen, vreemden, die bouwen op een ander fundament dan het onze, die planten op een andere bodem dan de onze, die leven uit een ander beginsel dan wij het doen en moeten doen.

Indien wij door anderen in onze gedachtewereld laten indragen, wat niet uit ons beginsel opkomt, wat niet uit onze eigen belijdenis organisch opbloeit; en indien we dan met een ernstig gezicht ‘ja’ -knikken; en dan ook, geheel behoorlijk, daarvoor één of meer teksten gaan zoeken, en dan heus ‘een tekst’ vinden of dwingen zich te laten vinden; en als we dan zeggen tot de ander: u hebt gelijk, zó zegt de Heere; zie – dan zijn we met al onze goede bedoelingen aan de staart-profetie toegekomen.

Indien wij, al bedoelen we ‘t nòg zo eerlijk, àl maar door naar anderen luisteren, en alléén naar anderen luisteren, en intussen het bouwen van ons eigen huis, het verder-indenken van onze eigen belijdenis vergeten of zelfs maar onderbreken; indien wij ons ik weet niet hoe druk maken voor alles en nog wat, alleen maar, omdat een ander bij ons aanhangig maakt, wat hem het meest interesseert: dan zijn we bezig naar anderen ons te richten, dan gaan we niet voorop, maar dan volgen we, dan zijn we niet de partij van de kop, maar de kliek van de staart.

Dan zijn we ontrouw geworden aan de hoogheid van onze roeping.

Dan zijn we eigenlijk geen kerk meer, maar op weg naar de secte, de groep, de partij.

Dan hebben we geen profetie meer en geen banier, die de ònze is. Maar wij marcheren achter de anderen aan.

 

Een actueel gevaar
En werkelijk, het gevaar voor zulke, soms goed bedoelde staartprofetie ligt op de loer, en staat voor de deur.

Behoef ik nog te wijzen op de verschijnselen, die ook in onze tijd ons beroeren? Is het niet waar, dat aan alle kanten op de markt der geesten de mensen staan, die hun geestelijke waar aanprijzen? En is het ook niet waar, dat wij soms gevaar lopen, stil te gaan staan en onze waar van die marktventers te betrekken, terwijl we toch zelf de machtige roeping hebben, om uit eigen beginsel en naar eigen methode Gods waarheid in te denken, àl dieper, en dan zelf te gaan staan op de markt met wat wij, wijzelf, de mensen en de wereld kunnen aanbieden: Koop de waarheid en verkoop ze niet?

Zie, zegt de een: onze tijd roept om zielsontleding. De ziel van de mens moet weer luisteren naar zichzelf; ze moet in zelfattentie het schone lied zichzelf toezingen van ziele-schoonheid en ziels-intimiteit. Ziels-ontleding is hier een soort van soms zielige wellust geworden. En men wil ook òns dat aanpreken. Men zegt tot ons: Uw preken moeten meer de zielsintimiteiten van prachtig mensenleven voor ons etaleren; uw meditaties moeten meer de fluisteringen zijn van de ziel, die luistert naar de ziel. En zo wil men ons leren, aan de ziel heel onze aandacht te schenken. Maar als we dat doen, alleen maar omdat die ander het zegt, alleen maar, omdat de mode het zo voorschrijft, alleen maar, omdat de heersende stroming zo wil, en niet omdat wij zelf voelen, waarom en in hoeverre de ziels-attentie haar intentie mag worden, dan zijn we ons stuur kwijt geraakt; dan lopen we achter anderen aan, zelfs als zouden we ik weet niet hoeveel mooie en ware dingen zeggen. Dan zijn we vervallen tot staart-profetisme.

Hoor eens, zegt een ander: u moet in uw eredienst, in uw liturgie, in uw zelfontwikkeling, in uw brede levenshouding wat meer aan de kunst gaan doen. En nu komen ze opzetten in brede golf: de geestelijke dandy’s, de mond vol van cultuur en problemen van kunst en esthetiek. Maar als wij het vraagstuk van schoonheid indenken, alleen omdat het bij deze sinjeuren in de mode is en als wij op de hier gestelde kwesties geen antwoord zoeken te vinden uit ons eigen beginsel, maar hun antwoorden zoeken te dekken met een tekst en een tirade uit de confessie – wel, dan zijn we weer bezig, achter anderen zielig aan te hinken. Dan zijn we het stuur kwijt, al zeggen we ik weet niet hoeveel mooie dingen. Dan zijn we vervallen tot staart-profetisme.

 

Het christendom van de ‘grootste gemene deler’
En zo kunnen we voortgaan. Hier prijst iemand aan de synthese, de fusie, het samengaan, zoveel het kan met anderen. Ginds poetst er een zijn reclamebord op voor het christendom van den grootste gemene deler. Elders heeft er weer een in de zin een stormloop op onze gelederen voor de sociale kwesties; en de sociale machtsleuzen worden dan de stormrammen, waarmee men onze poort wil openbreken. Maar ik zeg tot al die dingen en tot veel meer andere: als we daarnaar luisteren en dan tot de één zeggen, u kon wel eens gelijk hebben, ik zal direct erover gaan studeren, en dàn de ander het vriendelijk bescheid geven, dat óók zijn redenering een element van waarheid kan bevatten en dat we onmiddellijk het vraagstuk aan de orde zullen stellen, en als we dan al die elementen van waarheid hebben ‘aangevoeld’ en zorgzaam hebben gedekt al die vreemde ladingen met onze eigen gereformeerde vlag, een tekst erin – dan zijn we met al onze waarheden de waarheid kwijt; dan zeggen we misschien duizend goede dingen en we zijn toch valse profeten; dan is er een hysterisch kloppen op alle deuren, zoals eens iemand zei, en niet een ingaan door de deur, de éne deur, door welke wij moeten ingaan tot het huis der waarheid Gods; dan zijn we slaafse navolgers van de mode des tijds en van de gril der anderen. Dan zijn we staart-profeten.

Verstaat mij nu niet verkeerd.

Let wel: ik predik hier geen calvinistische hoogmoed.

Ik zeg niet: we zijn er al.

Ik beweer nooit: ons huisje is al af.

Ik zou niet graag loochenen, dat we van anderen kunnen leren, o zo veel. Zeker, zeker, de ander kan ons wijzen op eenzijdigheden, onvolmaaktheden, onjuistheden, onvolledigheden. Wij geven ieder het recht, om, als hij ‘t kan, ons de onderwerpen te noemen, die wij niet òf niet goed hebben behandeld en die toch van Godswege onze aandacht moeten hebben.

Maar àls wij dan gaan luisteren en àls we dan onze houding gaan herzien en opnieuw bepalen, dan moeten we dat niet doen, nooit doen, omdat de ander het zo wil, mààr: omdat we hebben leren zien, dat God het van ons verlangt. Dan moeten we niet een ‘uitbouw’ geven van ons geestelijk huis, die bij ons huis als een ‘nieuwbouw’ aangeplakt is, en niet met heel dat gebouw rust op ons eigen fundament. Dan moeten we niet in onze tuin bloemen planten gaan, die niet uit onze eigen bodem groeien. Maar dan hebben we uit eigen beginsel te leven, uit eigen denkarbeid te opereren, op eigen fundament te bouwen; dan willen we de dingen niet mechanisch van buiten af importeren, maar organisch uit ons eigen geestelijk bezit laten opgroeien.

En op die voorwaarden, en op geen enkele andere conditie, willen we dan wel eens praten over ziel en over kunst, over schoonheid en mystiek, over samenwerking en broederzin, over de kwesties van de dag. Wij willen zien door onze eigen bril. Wij willen de kop zijn en niet de staart.