Het contact met de Christelijke Gereformeerden (4)

We vervolgen hieronder de artikelenserie (uit 1951) over het contact met de Christelijke Gereformeerden.


Nu schijnen de Dordtse Leerregels te weerspreken wat staat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 24. We zagen dat dit artikel zei: Het geloof wederbaart de mens. Maar in de Dordtse Leerregels (III/IV, 12 -en daar hebben de Christelijke Gereformeerde deputaten dan ook naar verwezen- ) lezen we: “Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de dood en levendmaking, waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt. (…) Daardoor worden allen bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven.”

Daar wordt het dus, zouden we zeggen, zo gesteld, dat de wedergeboorte aan het geloof voorafgaat. We moeten echter goed verstaan in welk verband de Dordtse Leerregels spreken. De Dordtse Leerregels wijzen af de dwalingen van de Remonstranten. Ook deze dwaling: “De door de zonde ontaarde, nog niet bekeerde mens kan de algemene genade – daaronder verstaan zij het licht der natuur – of de gaven die na de zondeval nog in hem overgebleven zijn, zo goed gebruiken, dat hij daardoor langzamerhand en stap voor stap een grotere genade kan verwerven, namelijk de evangelische of reddende genade en uiteindelijk de redding zelf” (Verwerping van dwalingen III/IV, 5). En deze dwaling: “Wanneer de mens zich metterdaad bekeert, kunnen door God geen nieuwe kwaliteiten, krachten of gaven aan de wil geschonken worden. Het geloof – waarmee onze bekering begint en waaraan wij de naam gelovigen danken – is dan ook niet een kwaliteit of gave die God schenkt, maar alleen een daad van de mens” (Verwerping… III/IV, 6).

De Remonstranten zeggen dat de natuurlijke mens, op basis en uit kracht van zijn natuurlijke gaven, kan komen tot het zaligmakend geloof, waardoor Christus omhelsd wordt, dat ’t leven van het geloof en van de gehoorzaamheid slechts een hogere trap is van het leven in ‘burgerlijk goed doen’.

Dáártegenover plaatsen nu onze vaderen van Dordt de belijdenis, dat we hier te doen hebben met een nieuwe schepping, een herschepping, een opwekking uit de doden, in haar kracht niet minder of geringer dan de schepping. Dat ziet dus op het geheel van de omzetting van de natuurlijke mens in een geestelijke mens, ’t totaal van de verlossingsarbeid die de Heere aan de mens wil verrichten in genade. En dan is het krachtens dat vernieuwend ingrijpen van God dat de mens geloof, en zich bekeert.

Maar daarmee ontkennen de Dordtse vaderen geenszins dat de prediking van het Evangelie het van God verordende middel is waardoor de vernieuwing gewerkt wordt. Reeds werd in I,3 beleden dat de Heere in Zijn goedheid verkondigers van de blijde boodschap zendt, en dat door hun dienst de mensen geroepen worden tot bekering en tot het geloof in Christus. Reeds werd in II,5 beleden dat ’t Evangelie moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof. En in het derde en vierde hoofdstuk lezen we: “De almachtige werking van God waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt en in stand houdt, sluit het gebruik van middelen niet uit, maar vereist die juist1. Daarmee heeft God immers naar zijn oneindige wijsheid en goedheid zijn kracht willen uitoefenen. Zo is het ook met de bovennatuurlijke werking van God waardoor Hij ons opnieuw geboren doet worden: deze sluit niet uit en neemt evenmin weg het gebruik van het evangelie, dat de wijze God tot zaad van de wedergeboorte en voedsel voor de ziel bestemd heeft2. De apostelen en de leraars die hen hebben nagevolgd, hebben het volk over deze genade van God eerbiedig onderwezen om God te eren en alle menselijke hoogmoed neer te drukken. Intussen hebben zij toch niet nagelaten, de mensen met het heilig onderwijs van het evangelie te houden onder de bediening van het Woord, van de sacramenten en van de kerkelijke tucht.

Daarom moeten ook nu zij die in de gemeente onderwijzen of onderwezen worden, het beslist niet wagen God te verzoeken, door te scheiden wat Hij naar zijn welbehagen voor altijd heeft willen samenvoegen. Want door al dat onderwijs wordt de genade geschonken en hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort” (III/IV, 17).

Wanneer het Evangelie uitgaat en wanneer gehoord wordt de oproep om dat Evangelie gelovig aan te nemen, dan spreekt daarin de Heere. Dan is dat niet op Remonstrantse trant een aanrading tot de natuurlijke mens. En het is ook niet een aanrading, waarbij dan gezegd wordt: u kunt het zelf niet, maar God moet het u geven. Maar dan wordt het zwaard van de Geest gehanteerd.

De Remonstranten zeggen: Het is een aanrading, en u hebt de krachten om die aanrading op te volgen.

De Christelijke Gereformeerden zeggen: Het is een aanrading, en u hebt de kracht niet om die aanrading op te volgen.

Maar onze Dordtse vaderen zeiden: Dit is het van God verordineerde middel waardoor de Heere het welbehagen van Zijn hand gelukkig voortgang wil doen vinden, alzó werkende het geloof en de bekering.

En wat nu art. 24 van de Geloofsbelijdenis betreft, waar gezegd wordt dat het geloof ons wederbaart – dit moet zo verstaan worden, dat alle weldaden en schatten van het heil liggen in de Heere Jezus Christus, onze enige Zaligmaker en Verlosser. En al die schatten en weldaden, ook de vernieuwing van ons leven, waardoor wij wandelen in de nieuwheid van het leven, eigenen wij ons toe door het geloof. Het geloof is de band aan Christus (HC Zondag 7) en als het ware door dat kanaal komen alle weldaden tot ons.

En daarom is er eerst het geloof dat Christus omhelst, en voorts zijn er door dat geloof alle weldaden die Christus voor Zijn volk verworven heeft.