Het contact met de Christelijke Gereformeerden (2)

Hieronder het tweede deel van een artikelenserie (uit 1951) over het contact met de Christelijke Gereformeerde Kerken.


Door de Christelijke Gereformeerde deputaten is aan onze deputaten gevraagd: Hoe denkt u over 1892? En in die vraag wordt dan alleen gedacht aan het laatste van de in 1892 tegen de voorgenomen vereniging ingebrachte bezwaren: het punt van de veronderstelde wedergeboorte (zie voorgaande artikel, MV). Dát punt speelt dus vandaag de hoofdrol, terwijl er in 1892 meer punten aan de orde waren.

Onze deputaten hebben hierop geantwoord, dat een verschillende beschouwing over een feit in het verleden (in casu: 1892) geen struikelblok mag zijn op de weg der vereniging. En voorts hebben zij erop gewezen, dat er in 1892 niet gebonden werd aan de leer der veronderstelde wedergeboorte, al waren er inderdaad voorgangers die haar voordroegen. Het was mogelijk om binnen de kerk die leer te bestrijden, zoals ook is gebeurd. Het zal altijd wel zo blijven dat we binnen de kerk bepaalde voorstellingen, die daar aanwezig zijn, moeten tegengaan.

Het komt mij voor, dat onze deputaten gelijk hebben dat het niet nodig is, om precies eender over een bepaalde kerkhistorisch feit uit het verleden te denken, ten einde te komen tot vereniging.

En ik denk, dat de Chr. Geref. deputaten er precies ook zo over zouden denken, wanneer beide partijen vandaag praktisch dezelfde leer waren toegedaan. Maar er is vandaag ten aanzien van verschillende punten een grote afstand, en dat zijn niet maar ondergeschikte punten in  de uitwerking van de leer, maar ze raken het meest fundamentele.

Heel het bezwaar van de Chr. Gereformeerden met betrekking tot 1892 hangt m.i. samen -om niet te zeggen: komt voort uit- hun bezwaar ten aanzien van de prediking in de Gereformeerde kerken. En datzelfde geldt met betrekking tot hun bezwaar t.a.v. 1905. In 1946 heeft de synode van Groningen uitgesproken, dat wij de uitspraak van 1905 niet meer voor onze rekening nemen. Volgens de Chr. Geref. is dat veel te zwak gezegd. Zij zagen graag dat de uitspraak werd teruggenomen. Door onze deputaten is daarop geantwoord dat wat geen bindende belijdenisformule is ook niet als zodanig kan worden teruggenomen. De uitspraak van 1905 was een compromisformule, gegeven om de consciëntiën (‘gewetens’, MV) gerust te stellen. Wie die uitspraak op de keper beschouwt, haar woord voor woord en onderdeel voor onderdeel kritisch bekijkt, die ontdekt al heel spoedig, dat zij leidt aan innerlijke tegenstrijdigheid. Terwijl immers in het rapport, dat door de desbetreffende commissie werd ingediend, gezegd wordt dat de synode over de in geding zijnde geschillen geen definitieve uitspraak kan of mag doen. De bedoeling is dus niet geweest een bindende belijdenisuitspraak te geven. De uitspraak is dan ook in de jaren na 1905 meer dan eens bestreden, zonder dat iemand daarover lastig gevallen werd. Ook was er reeds in 1907 een kandidaat die op zijn classicaal examen verklaarde het niet met 1905 eens te zijn en die niettemin werd toegelaten. De gemoederen zijn in 1905 tot rust gebracht en later hoorde men zelden of nooit van de toen gedane uitspraak. De synode van 1939/1942 heeft echter een onderdeeltje van 1905 naar voren gehaald en sterk geaccentueerd en dat als bindende leer opgelegd waaraan ieder zich had te houden. Op zijn minst moest beloofd worden dat men niets zou leren hetgeen o.a. daarmee in strijd kwam. Toen werd het dus officieel kerkelijke leer. In de vrijmaking is deze binding verworpen. En in 1946 heeft Groningen daaraan nog toegevoegd dat we ook 1905 niet meer voor onze rekening nemen, ook niet als pacificatieformule.

Dat mocht dus voor de Chr. Gereformeerden wel voldoende zijn. Toch zijn zij daarmee niet tevreden. En daarom geloof ik, dat de bezwaren draaien om hoe en wat vandaag praktisch geleerd wordt. Ds. Doornbos heeft gelijk, wanneer hij zegt, dat we niet maar moeten vragen: wat zijn uw belijdenisgeschriften? doch dat we ook hierop moeten letten of er praktisch is bewaring van de belijdenis. Ook de Hervormde Kerk heeft de drie formulieren van enigheid als belijdenis, maar praktisch hebben die formulieren daar geen geldende betekenis. En nu kunnen we ten opzichte van de Chr. Gereformeerden wel zeggen: We hebben dezelfde belijdenis, maar dat wil nog niet zeggen dat we ook waarachtig één zijn.

Een zeer belangrijk verschil tussen de Chr. Gereformeerden en ons ligt in de prediking. Deze zaak is in het contact tussen wederzijdse deputaten ook aan de orde geweest. In het kort verslag van de tweede samenspreking staat: In Chr. Geref. kringen is men niet rustig t.a.v. de voorstelling, die in de prediking gegeven wordt over de toeëigening des heils. Men is bevreesd, dat daarbij, zonder dat men het wil, het Remonstrantisme wordt binnengehaald. Er wordt bezwaar gemaakt tegen deze voorstelling: hier is het Woord van God, zondaar, neem dat Woord aan, en klaar is Kees Zo wordt tekort gedaan aan het soevereine werk van Gods genade en ’t werk van de Heilige Geest uitgeschakeld.

Door onze deputaten is naar voren gebracht, dat een voorstelling als door de Chr. Gereformeerden gewraakt, bij ons in de prediking niet gegeven wordt, en is gewezen op Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, waar gesproken wordt van aannemen van de weldaden van Christus.

En dan komen de Chr. Geref. met de vraag: Hoe is naar uw gevoelen de gang, geloof-wedergeboorte of wedergeboorte-geloof? Zij voegen daaraan toe: De eis van geloof moet worden gepredikt, maar dat is niet het eerste.

Hieruit kan m.i. afgeleid worden dat de Chr. Geref. de volgorde aldus stellen: eerst wedergeboorte en dan geloof. Waaruit dan natuurlijk voortkomt dat zij de eis van het geloof verzwakken door te zeggen: voordat u kunt geloven, moet u eerst wedergeboren worden en dat is een daad van de Heilige Geest. En dan ligt de conclusie voor de hand: Ik kan de eis van het geloof rustig naast mij neerleggen totdat het de Heilige Geest believen mag mij te wederbaren.

Hier treedt m.i. naar voren een confessioneel verschil met de Chr. Geref., want art. 24 van de NGB zegt: Wij geloven, dat dit waarachtig geloof, in de mens gewerkt zijnde door het gehoor van het Woord van God en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens. Dus eerst geloof en dan wedergeboorte.

Met al hun strijd tegen het zgn. Kuyperianisme zitten de Chr. Gereformeerden heel sterk vast aan één van de opvattingen van Kuyper, die we nu juist niet moeten vasthouden.