Het bevelend spreken van de Geest

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van dr. M.B. van ‘t Veer (1904-1944).[1]


“Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeente zegt.”
Vertaling Korte Verklaring: “Die een oor heeft, moet horen, wat de Geest zegt tot de gemeenten.” ~ Openb. 3:22

 

In dit Schriftwoord hebben we niet met een wens te doen van Christus; niet met een bede of verzoek in de zin van: ‘Och, mocht ieder die oren heeft nu ook eens horen naar wat de Geest tot de gemeente zegt.’ Om dat misverstand te voorkomen heb ik de nieuwe vertaling (van Prof. Greijdanus) naast de oude gegeven. En daaruit blijkt, dat het hier maar niet een krachteloze wens, nog veel minder een soort verzuchting is van onze Heiland (want wat zou Hij, Die verhoogd is, nog verzuchten?), maar dat Christus hier komt tot de wereld met een woord van gezag. Want hij beveelt (Hij eist op) een ieder hoorder van het Woord dit Woord nu ook ter harte te nemen.

 

Geen vergeestelijking
Er is dan ook geen enkele reden om dit woord te ‘vergeestelijken’. De verzoeking ligt voor de deur, om hier te denken aan ‘geestelijke’ oren, d.i. aan het geestelijk verstaan van Gods Woord. Tot die opvatting zal men te gemakkelijker komen, doordat in dat Woord van de ‘Geest’ gesproken wordt. En men denkt dan gemakkelijk aan dat andere woord, dat de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen die van de Geest van God zijn, omdat ze hem een dwaasheid zijn, en hij ze niet verstaan kan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden (1 Cor. 2:14). Zo zijn velen spoedig geneigd om in dit bekende woord de zin te leggen van dat ‘al of niet geestelijk kunnen horen.’ Wie oren heeft, namelijk door de Geest geopende oren die geestelijk kunnen verstaan, omdat de levend-gemaakte mens er door hoort, die zal horen, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

En wie die geopende oren niet heeft, kan ook niet horen.

Maar op deze wijze heeft men de imperatief (het bevelende karakter) van het Woord van God afgestompt, weggewerkt! Hier komt een bevel tot ons, tot ieder; terwijl het maar niet is het constateren van een feit, in de zin van: wie geestelijke oren heeft, hoort, en wie ze niet heeft, hoort niet!

Hoe zeer dit waar moge zijn, toch staat dat hier niet. En het zo te lezen verzwakt dit zeer sterke en scherpe woord en ontneemt het zijn alles-beheersende klem.

 

De Geest spreekt niet buiten het Woord
Dit wordt nog duidelijker, als we zien, naar wat we bevolen worden te horen. Naar wat ‘de Geest tot de gemeente zegt’. Niemand zal betwisten, dat dit rechtstreeks slaat op wat de verhoogde Christus aan Johannes op Patmos gelast te schrijven aan de zeven gemeenten of kerken, die in Openbaringen genoemd worden. Trouwens bij alle zeven brieven wordt dit bevel herhaald. Wat de Geest tot de gemeente zegt, is dus hetzelfde woord, dat Christus hier tot Johannes en door hem tot deze zeven gemeenten en alzo tot alle gemeenten van alle tijden spreekt. Want wel spreekt Christus, maar Hij spreekt door de Geest, want de Heilige Geest is ook geworden de Geest van Christus. En zoals Christus door de Geest spreekt tot Zijn gemeenten, zo spreekt de Geest ook alleen, wat Hij neemt uit Christus (Joh. 16:13). Wat de Geest tot de gemeenten zegt, is dus hetzelfde als wat Christus tot Zijn gemeenten sprak en spreekt. En dat is het Woord van God, zoals het door de Openbaring tot ons kwam en in de Schrift is gegeven.

Dus geen openbaring of stemmen buiten het Woord. Niet een spreken van de Geest tot Gods volk, dat iets anders of iets meer kan zijn dan het geschreven Woord van de Here, het Woord van Christus. Daarom is de kracht van deze tekst hierin gelegen, dat het allen oproept te horen naar wat de Schrift zegt. Want dat is het Woord, dat Christus en dat de Geest tot de gemeenten, d.w.z. tot alle kerken en alle gelovigen van alle tijden spreekt.

 

Een algemeen-geldig Woord
“Wie een oor heeft, moet horen, wat de Geest zegt tot de gemeente”. Nu komt niemand, tot wie ooit het Woord is gekomen, vrij van deze imperatieve (bevelende) kracht van het Woord van God. Want zo zegt de Here: wie ooit dat Woord heeft gehoord, wie er ook maar op enige wijze kennis van verkreeg, er ook maar iets van hoorde- die moet horen, d.w.z. die moet er mee rekenen;  die moet het ter harte nemen; en die komt er tot in de eeuwigheid niet meer los van!

Dat Woord (de Schrift) is wel gesproken tot de gemeenten, maar ’t is daarom geen woord voor een apart groepje; voor een bepaalde, van het grote mensengeheel afgesneden, sekte; maar ’t is een woord, dat met bevelende kracht komt tot ieder die het hoort. ’t Voert de pretentie van algemeen- geldigheid!

Zo is het dan niet waar, dat dit woord, dat de Geest tot de gemeenten gesproken heeft en door de Schrift nog spreekt, alleen maar voor de kerkmensen geldt, en de niet-gelovigen aan dit woord ongeschonden kunnen voorbijgaan. Nee, ’t geldt allen; en ’t komt met gezag tot een ieder, die het hoort. Niemand mag het niet ter harte nemen. Die vrijheid schenkt God geen enkelen hoorder van het Woord.

En daarom moeten wij, wat de Geest tot ons, Zijn Gemeente, heeft gesproken, uitdragen in de wereld. Dat Woord moeten we maar brengen, tot ieder en overal. En waar het komt, komt het met bevelende kracht. De imperatieve kracht van het Woord van God, dat ieder tot ongehoorzame knecht of tot gehoorzame zoon maakt! Want nu het beveelt, en aan ieder hoorder verbiedt het te verwaarlozen, verdraagt het geen neutrale houding!

 

Blijdschap in het Woord
In dat geloof moeten we het brengen tot allen. Want als Gods Woord zo komt tot de leden in de kerk, zullen allen toch iets toch moeten doen! Allen zullen toch moeten antwoorden. Al is het door de weigering van het antwoorden, dat toch antwoord is. Wie het gehoord heeft, is niet meer vrij, maar wordt in zijn houding door het Woord van God bepaald en beheerst, hetzij in de daad van de verharding, hetzij in de acte van de bekering. De engelen zullen van zulk een mens, dus van ieder die het maar gehoord heeft, iets te zeggen hebben aan hun Koning.

Zij zullen te melden zijn ongehoorzaamheid of zijn gehoorzaamheid; zijn verzet tegen of zijn vreugde over het gehoorde Woord. En zij zullen zich weer verblijden in de majesteit van ’t Woord, dat komt in bevelende kracht en daardoor alle neutraliteit onmogelijk maakt.

En hun verheuging moet de onze zijn. De zonen mogen niet in hun blijdschap beneden de knechten blijven. En onze blijdschap zal zijn in het aanschouwen van de majesteit en algemeen-geldigheid van het Woord, dat de Geest tot de gemeenten zegt. Want in deze tekst heeft Christus ons bezworen, dat Zijn kerk (de gemeenten) geen sekte is; en dat het Woord, dat Hij door Zijn Geest spreekt, geen particulier woordje is, dat verder de wereld niet raakt en de ongelovigen niet schendt!

Dat Woord, dat tot ons gesproken is (in de Schrift) zal de wereld oordelen; zal de wereld beheersen, zal de wereld doen branden en vergaan en vernieuwen; het zal verdoemen hen die horende niet hoorden; en die ziende niet zagen, maar ’t zal ook zaligen hen die de imperatief van het Woord van God hebben beantwoord met gelovige onderwerping.

Hoe zullen we ons te meer verheugen, als wij de lengte en breedte, hoogte en diepte zien van dat gesproken Woord van God.

 

Zalig is hij, die hoort…
Wie een oor heeft, die moet horen, wat de Geest zegt tot de gemeenten.

Nu keert dat Woord zich ook tot mij, belijdend of dooplid van de Gereformeerde kerk. Ja, vooral tot mij! “Want, Here, ik heb een oor, d.w.z. ik heb gehoord, zoveel gehoord. Niet maar een enkel woord, niet maar weinig, maar wat hebt U, Here, mij zwaar beladen met Uw Woord in de kerk; op de catechisatie; door de radio, toen ik ziek was; in de dagelijkse Schriftlezing en zoveel meer! Uw Woord van zoveel jaren terug!

Ik heb gehoord, Here! En nu kan ik tot in eeuwigheid niet meer vrij uitgaan! Nu kan ik niet meer er van loskomen! Nu zal ik moeten antwoorden! Dagelijks als het tot mij komt! Here, als ik nu niet hoor, nog niet hoor, hoe zal dat Woord mij verdoemen!

Maar U, Die mij een oor gaf en het Woord tot mij bracht, U wilt ook mij doen horen! Dat is mijn troost, mijn blijdschap. U maakt doven horend, daarom breng ik U gewillig offeranden in dagelijkse gehoorzaamheid U toegebracht”.

Wie een oor heeft, die moet horen, want de Geest zegt tot de gemeenten. Geen neutraliteit- Gode zij dank!

En hij, die hoort, die het ter harte neemt, zal het grote wonder aanschouwen, dat Gods bevelend Woord ook tegelijk is het herscheppend Woord, dat overzet in het zalig oord.

Zalig is hij, die hoort de woorden, die de Geest tot de gemeenten zegt.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 164-167. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.