Het bestaansrecht van DGK (3)

Door: J. Bos

 

In 1966 heeft wijlen ds. P. Lok in het gedenkboek ‘Terug in de woestijn. De Vrijmaking herdacht en opnieuw beleden als een werk des Heeren[1] het volgende geschreven over de betekenis van de Vrijmaking van 1944:

Door de dingen zó te zeggen, hebben wij reeds in de ondertitel van dit boek onze positie bepaald ten aanzien van de Vrijmaking als een werk des HEEREN. Wij zijn ons ervan bewust, dat déze waardering niet door ieder wordt gedeeld; dat de geloofskeus die gedaan is binnen de Gereformeerde Kerken, niet los is te maken van dit geloofsvooroordeel; dat we uit elkander zijn gegaan op de vraag, wàt de vrijmaking is – een werk des HEEREN, òf niet. We hebben het evenwel voor de zaak van Jezus Christus over, om met dit ons geloofsvooroordeel eenzaam te staan in Nederland, niet begrepen te worden door degenen, met wie wij eertijds aan één tafel zaten, en zelfs weerstanden te ontmoeten bij sommigen met wie wij ook heden aan één tafel zitten. Wil de zaak van Jezus Christus nog een toekomst hebben in ons land, dan zullen degenen, die bij deze zaak betrokken zijn, elkander voor alles te vinden hebben in de benoeming en waardering van wat er in 1944 in Nederland is geschied binnen de Gereformeerde Kerken’.

Aangezien we op grond van hetzelfde geloofsvooroordeel mogen zeggen dat de Vrijmaking van 2003 een werk van de HEERE was, kunnen we de uitspraak van ds. Lok ook op die Vrijmaking toepassen. En de vraag is dan, of degenen die bij de zaak van Jezus Christus betrokken zijn, elkaar ‘voor alles’ (!) hebben gevonden en/of nog vinden in de benoeming en waardering van wat er in 2003 in Nederland is geschied binnen de Gereformeerde Kerken.

Bovenstaand citaat van ds. Lok hebben we overgenomen uit een artikel dat eind 2010 is geplaatst op de website van Gereformeerd Kerkblad De Bazuin, in de rubriek Weerwoord[2]. In dit, overigens zeer lezenswaardige, artikel wordt gepolemiseerd over de rechtmatigheid van de Vrijmaking van 2003. Met betrekking tot bovengenoemde vraag komt er het tegendeel uit naar voren. Het betreft daarbij scribenten die toentertijd niet allebei DGK-lid waren, maar inmiddels is dit wel het geval. Geen van hen is echter voor zover bekend op zijn standpunt teruggekomen, zodat hun elkaar tegensprekende overtuigingen nu beide een stem hebben binnen het kerkverband van DGK. Nu zouden we kunnen zeggen, dat dit ‘slechts’ opvattingen van particuliere gemeenteleden zijn, en dat ook binnen DGK al vanaf 2003 lang niet iedereen hierover hetzelfde dacht. En op zich genomen is dat zo. Maar de kerken hebben op de GS Emmen 2009-2010 wèl als hun geloofsovertuiging uitgesproken dat de Vrijmaking van 2003 het werk van de Here was. Niet om anderen ‘vast te pinnen’ op een jaartal, maar om elkaar te vinden ‘in de diepe verwondering dat de Here ons samen heeft bewaard bij Zijn Woord en Kerk’.[3] Wie het er niet mee eens is dat de Vrijmaking van 2003 het werk van de Here was, relativeert deze uitspraak, en daarmee de Vrijmaking zelf.

Maar er is meer. In de besluitvorming in 2012/2013 met betrekking tot de vereniging van de GK Dalfsen (dolerend) met het kerkverband van DGK komt de volgende overweging voor (zie voetnoten voor achtergrondinformatie)[4] :

2. (…) Door GS Emmen 2009-2010 is uitgesproken dat zowel de vrijmaking van 2003-2004 als die van 2010 het werk van de Here was, terwijl door de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk Dalfsen (dolerend) in zijn brief d.d. 10 november 2011 is uitgesproken:
‘Wij hebben er geen moeite mee om in de vrijmaking van 2003 ook de hand van de Here te zien. Zoals u hebt uitgesproken in de vrijmaking van 2010 de hand van de Here te zien.’[5]

Hieruit kan worden opgemaakt dat de Vrijmaking van 2003 niet alleen door particuliere gemeenteleden, maar ook door DGK zélf wordt gerelativeerd. Want deze overweging bevat een principieel (!) verschil, namelijk tussen uitspreken dat iets ‘het werk van de Here’ was, en uitspreken ‘er geen moeite mee te hebben er ook de hand van de Here in te zien’. De eerste uitspraak stelt de zaak concreet, de tweede relativeert deze. Behalve dat ‘er geen moeite mee hebben’ van nogal wat reserve getuigt, en dat ‘de hand van de Here erin zien’ minder stellig is dan ‘het was het werk van de Here’, is het vooral het woordje ‘ook’ dat hier belangrijk is. Het kan namelijk, afhankelijk van waar de klemtoon wordt gelegd, op twee manieren worden opgevat: in de zin van ‘wij zien evenals u de hand van de Here’, en in de zin van ‘wij zien mede de hand van de Here’. De eerste manier, die blijkbaar in de slotzin is toegepast, zal weinig bezwaar opleveren. Het woordje ‘ook’ is dan echter overbodig. Maar doordat het er wèl staat, kan er, op de tweede manier, ‘ook’ nog iets anders dan de hand van de Here in worden gezien, namelijk mensenwerk. Er blijkt niet dat deze mogelijkheid wordt uitgesloten. Met als gevolg dat nu eenieder de gelegenheid heeft om met een verwijzing naar deze passage voor zichzelf te bepalen wat hij of zij ziet als de verhouding tussen het aandeel van de Here en het aandeel van mensen. Ten diepste laat dit zelfs ruimte voor de opvatting dat de Vrijmaking van 2003 voornamelijk een kwestie van eigenwilligheid was. Geconcludeerd kan worden dat door het opnemen van deze overweging de uitspraak van de GS Emmen over de Vrijmaking aan kracht heeft verloren, en tevens dat de relativering van het bestaansrecht van DGK een officiële plaats heeft gekregen in de eigen papieren.

Hebben degenen die bij de zaak van Jezus Christus betrokken zijn, elkaar werkelijk ‘voor alles’ gevonden in de benoeming en waardering van wat er in 2003 in Nederland is geschied binnen de Gereformeerde Kerken? Het zou goed zijn als DGK ‘als kerkverband’ onverkort hun uitgangspunt zouden nemen in wat zij zelf in Emmen hebben uitgesproken over de Vrijmaking van 2003. Of zullen we, de woorden van ds. Lok indachtig, moeten vrezen voor de toekomst? Dit onderwerp is namelijk zeer actueel in verband met de gesprekken van de deputaten ACOBB van DGK met de afgevaardigden van de GKN. In de instructie van de deputaten staat immers vermeld als een van de zaken die aan de orde zullen komen: ‘5. het bespreken van de rechtmatigheid van de vrijmaking van 2003 als het werk van de Here’. Het mag toch niet zo zijn dat er dan vanuit DGK met twee monden wordt gesproken? Wat ten aanzien van de instructie overigens opvalt, is dat ook daarin een formulering is gebruikt die ruimte laat voor relativering. Zonder de woorden ‘het bespreken van’ was de zaak duidelijk: ‘de rechtmatigheid’ zou dan vaststaan. Maar nu is ‘het bespreken’ het uitgangspunt, waardoor het resultaat ervan in het onzekere wordt gelaten. Hetgeen voorkomen zou moeten worden.

 

[1] Raad der gereformeerde kerk te Berkel en Rodenrijs. Terug in de woestijn. De Vrijmaking herdacht en opnieuw beleden als een werk des Heeren. Haak, 1966.

[2] A. van Egmond, ‘Weerwoord aan Bolt, Samen de HERE dankbaar!’, website De Bazuin, 4 december 2010, http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/754.

[3] Acta van de Generale Synode Emmen 2009-2010, pag. 110-114, https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/acta_generale_synode_emmen_2009.pdf.

[4] Verslag van de buitengewone vergadering van de classis Zuid-West van De Gereformeerde Kerken (DGK) op vrijdag 28 december 2012 te Ermelo en 12 januari 2013 te Zwolle, De Bazuin, 7e jaargang nr. 04, 30 januari 2013, pag. 47.

[5] In dit artikel beperken we ons tot het bespreken van de tekst van de overweging. Over de totstandkoming ervan merken we kort het volgende op. In de gesprekken met de GK Dalfsen (dolerend) rond 2011/2012 is ook de Vrijmaking van 2003 als ‘werk van de Here’ ter tafel gekomen. Hierbij kwam naar voren (zoals opgetekend in een overweging bij het hierboven genoemde besluit van de GS Emmen):

4. In de gesprekken die de Commissie Kerkelijke Eenheid heeft gevoerd met de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk (dolerend) te Dalfsen is gebleken dat er in de gemeente te Dalfsen moeite is om de Vrijmaking van 2003 te zien als het werk van de Here.’ (zie de in noot 3 genoemde Acta, pag. 110).

In het concept-besluit van 28 december 2012 van de classis Zuid/West inzake de vereniging met deze kerk werd vermeld dat de kerken wederzijds elkaars vrijmaking als ‘werk van de Here’ erkenden. Op verzoek van de GK Dalfsen (dolerend) vond echter een aanpassing van deze overweging plaats, waarna deze op 12 januari 2013 ‘staande de vergadering’ werd vastgesteld zoals hierboven weergegeven (zie het in noot 4 genoemde verslag, punt 9, pag. 49).