Hemelkolonisten

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus. ~ Fil. 3:20

Misschien vragen wij ons af wat de apostel met deze woorden bedoelt, maar de Filippenzen hebben hem direct begrepen. Filippi was immers een Romeinse kolonie. Lucas schrijft in Hand. 16:12, dat Paulus met de zijnen van Klein-Azië overstak naar Macedonië, en dat hij eerst kwam te Samothrake en Neapolis, en vandaar te Filippi, “de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie”. Hier woonden veel Romeinse veteranen, oudgedienden met hun verwanten. Zij woonden in een vreemd land, ver verwijderd van hun moederland, waar zij geboren en getogen waren. Maar hoewel ‘in den vreemde’ verkerend, hadden zij het privilege ontvangen heel hun levenswijze in te mogen richten naar het Romeinse staatsrecht en de Romeinse gewoonten en zeden. Zo bezaten zij in Filippi de Romeinse bestuursinrichting. Zij spraken op Romeinse wijze recht. Zij bewaarden de taal van hun moederland. Zij hadden hun feesten en feestdagen overeenkomstig de feesten thuis. Zij konden dus zeggen: “De staat, waarvan wij burgers zijn, is te Rome”. En wie Filippi bezocht, zag daar een stuk Romeins leven in een Griekse omgeving. Zij waren ver van huis, maar bleven door hun burgerrecht en levenswijze aan huis verbonden. En dat heeft de apostel blijkbaar aanleiding gegeven om in zijn brief aan de Filippenzen te spreken van “ons burgerschap in de hemelen”, of, zoals prof. Greijdanus vertaalt, “de staat, waarvan wij burgers zijn, is in de hemelen”.

Paulus ziet de gemeente van Christus als een hemelkolonie. Onze stad is in de hemel, het hemelse Sion. Onze regering zetelt hierboven. Onze bevelen ontvangen wij uit deze hemelstad. Wij zijn wel ver van huis, en verkeren ‘in den vreemde’, maar door ons burgerrecht blijven wij aan huis verbonden, en in ons leven vertonen wij de levenswijze van onze moederstand, die ons gebaard heeft, en die ons als haar burgers proclameert. Want Christus is in de hemel. En Die spreekt ons vanuit de hemel aan. Die legt ons vanuit Zijn residentie Zijn bevelen op. Die stort in ons vanuit de hemel zijn hemelse gaven uit. Die legt ons vanuit het hemelse Sion de unio mystica (geestelijke vereniging met Christus, red.) in ons hart, waardoor Hij als het hoofd de leden aan Zich verbindt. Zo hebben wij ons te richten naar onze regering in het moederland hierboven. Van daaruit gezien zijn wij hemelkolonisten.

En door de gemeente als hemelkolonie te zien beschrijft de apostel de heerlijkheid van de verlossing in Jezus Christus. Toen hij met het evangelie te Filippi kwam, toen kwam de moederstad zelf met haar levensglorie te Filippi, om ook daar haar kinderen te baren door de levenwekkende kracht van het Woord van God. Toen kwam Christus Zelf, de grote Koning, naar Filippi om Zich ook daar onderdanen te formeren als kinderen van het licht. Zij waren vroeger zonder God in deze wereld, gevangen in de banden van Satan, hun ellende, terwijl zij hun rampzaligheid niet eens kenden. En nu zijn zij wedergeboren tot een levende hoop, kinderen geworden van de hemelstad, met de heerlijkste beloften voor de toekomst. Zij zijn door deze moederstad getrokken uit de duisternis tot haar wonderbaar licht. En nu vormen zij een hemelkolonie, nog wel ver van huis, maar reeds in haar levenswijze de glorie van de hemel openbarend.

Zo kent het geloof zichzelf in deze wereld en ziet de gelovige de heerlijkheid van het verloste leven. Door het geloof kent hij de band met zijn moederstad, kent hij zijn Koning in Zijn residentie, richt hij zich naar Zijn bevelen, leeft hij uit de bronnen, die hierboven stromen.

Hemelkolonisten, geen emigranten. Emigranten gaan naar een vreemd land toe, om zich tenslotte in dat vreemde land geheel op te lossen door zijn gewoonte en zeden aan te nemen. Zo kennen wij Hollandse emigranten, die in Amerika ‘veramerikaanst’ zijn, en de band met het moederland geheel verloren hebben. Maar wij kunnen geen emigranten worden, want dat betekent voor ons wereldgelijkvormig worden. Deze wereldgelijkvormigheid krijgt juist haar verschrikkelijk karakter in het licht van hemelkolonisten te zijn. Uit onze werken, uit onze levenswijze blijkt dan, dat wij geen moederstad meer in de hemel hebben, die straks met haar glorie heel de wereld overwinnen zal, en al haar burgers tot zich trekken zal. Juist door onze levenswijze moeten wij ons geloof bewijzen in onze levensglorie, kolonist te zijn van de stad van God hierboven.

Laten wij dan volharden in het geloof hemelkolonisten te zijn. Wij leven dan in een overgangsstadium. Want deze moederstad daalt straks op aarde neer. Alles wordt, wanneer Christus wederkomt, door het moederland in bezit genomen. De akker, waarop ik sta en werk als hemelkolonist, wordt straks moederland. De keuken, waar het dienstmeisje de kopjes wast, werkend in gehoorzaamheid aan Christus haar Heer, wordt straks moederland. Een hemelkolonie is het begin, de moederstad zelf, die neerdaalt uit de hemel, dat is het einde.

Zo hebben wij ons houvast. Wel ver van huis, een kolonie, maar nooit los van huis. De moederstad voedt ons reeds, bekwaamt ons reeds als haar burgers te leven, en daalt straks neer om het alles in haar levensglorie samen te trekken.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).