Gespreksdocument (1)

Door: J. Bos

 

In het tussentijdse rapport van het DGK-deputaatschap ACOBB over de contacten met de afgevaardigden van de GKN[1] staat een korte samenvatting van hetgeen op 7 mei 2019 tijdens de bijeenkomst van de volledige deputaatschappen aan de orde is geweest. Een van de twee agendapunten was de katholiciteit van de kerk. Het verslag daarvan heeft als titel: ‘De leer van de kerk (art. 27-29) NGB/ De katholiciteit van de kerk’ en luidt als volgt:

Uitgangspunt bij deze bespreking was het document over de katholiciteit van de kerk zoals opgesteld door ons deputaatschap. Vanuit de inhoudelijk bespreking werd duidelijk dat zij van harte konden instemmen met ons document en dat wij elkaar vonden in de belijdenis over de kerk zoals wij die gemeenschappelijk belijden in de artikelen 27 tot en met 29 van de NGB.

Het tweede gedeelte van de laatste zin is merkwaardig geformuleerd (‘… dat wij elkaar vonden in de belijdenis over de kerk zoals wij die gemeenschappelijk belijden …’, wat staat daar nu eigenlijk?). Duidelijk is in elk geval dat men elkaar ‘gevonden’ heeft, en dat het genoemde document daarbij zeer belangrijk was. Dit betreft een ‘gespreksdocument’ dat door het deputaatschap ACOBB was opgesteld ten behoeve van de gesprekken met de GKN over de katholiciteit van de kerk. Het is als bijlage opgenomen in het aanvullend rapport dat het deputaatschap ACOBB heeft ingediend bij de GS Lansingerland (Acta, pag. 216-218)[2].

Tijdens de vergadering van 7 april 2018 heeft de synode ingestemd met de inhoud van dit document (Acta, pag. 12): Eveneens is er overeenstemming over de in het deputatenrapport verwoorde visie op de katholiciteit van de kerk. Met andere woorden: de inhoud van het gespreksdocument, dat de visie van het deputaatschap bevat, is ook de visie van de DGK-synode op de katholiciteit. Over een inhoudelijke behandeling van dit stuk wordt echter niets vermeld in het verslag van de vergadering. We willen erop attenderen dat het document handelt over de leer van de kerk. Het mag dan een ‘gespreksdocument’ zijn, vanwege de instemming van de synode met de inhoud ervan is het in feite ook een (verkapte) leeruitspraak.

In verband daarmee kan de vraag kan worden gesteld, of het deputaatschap ACOBB wel volgens zijn instructie heeft gehandeld met het opstellen van het gespreksdocument. De katholiciteit was immers door de GKN op de agenda gezet.[3] Had er niet eerst op synodaal niveau inhoudelijk over dit onderwerp gesproken behoren te zijn, alvorens een visie te formuleren?[4]

 

Bij en naar aanleiding van enkele passages in dit gespreksdocument maken wij ter overweging een aantal opmerkingen. In verband daarmee wijzen we er vooraf op dat de katholiciteit (hoe belangrijk ook) een van de eigenschappen van de kerk is, en niet een van de kenmerken. In de laatste drie afleveringen van de artikelenreeks ‘Groeiende verandering’ hebben we laten zien dat de eigenschappen, met name de katholiciteit, door DGK boven de kenmerken worden gesteld.[5],[6],[7] We herhalen een citaat uit ‘Het amen der kerk’ van ds. J. van Bruggen: ‘De kenmerken der kerk zijn niet haar eigenschappen (…), waarin het eigenaardige van haar leven altijd slechts gebrekkig uitkomt, maar de normen, die God in de Schrift voor haar werkzaamheid heeft bekend gemaakt.’ (pag. 145)[8]

 

Gespreksdocument: Art. 27 begínt te spreken over één kerk. Maar in het slot van het artikel wordt in meervoud gesproken: er zijn over heel de wereld verbreide en verstrooide kerken.

Art. 27 NGB spreekt echter nergens in het meervoud over de kerk, alles staat in het enkelvoud.[9] Dat er ‘over heel de wereld verbreide en verstrooide kerken zou staan, is een conclusie die getrokken wordt op basis van wat in de wereld wordt waargenomen. Deze conclusie kan op basis van de tekst echter niet worden getrokken, want er staat: ‘… zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld.’ De gebruikte formulering doet te kort aan de eenheid van de kerk.

 

Gespreksdocument: Echter er is geen tegenstelling tussen het enkelvoud van het begin en het meervoud van het slot van het artikel. Het geheim bestaat hierin, dat de ene katholieke kerk van Christus zichzelf presenteert in die vaak onooglijke plaatselijke gemeente (C. Trimp, 61). Wij houden dan ook stellig vast aan de overtuiging dat het in de artikelen 28 en 29 NGB gaat over dezelfde kerk als in artikel 27 NGB.

Inderdaad gaat het in de artikelen 27, 28 en 29 over dezelfde kerk. Het is echter wel van belang wat er dan over die kerk gezegd wordt.

Er wordt gesteld dat de ene katholieke kerk zichzelf presenteert in ‘die vaak onooglijke plaatselijke gemeente’. In verband daarmee is het interessant te vermelden wat vanuit de GKN, in een andere context, over deze zaak is gezegd. Dit is door het deputaatschap ACOBB in zijn aanvullend rapport opgeschreven, in het verslag van het gesprek dat op 2 december 2017 gehouden is met de GKN-afgevaardigden (Acta, pag. 209). Het betreft een citaat uit een gespreksdocument van de GKN: We kunnen het zo zeggen dat de universele kerk tot openbaring komt in de plaatselijke kerk (ecclesia localis ecclesia universalis in loco est: de plaatselijke kerk is de universele kerk op een bepaalde plaats). Daardoor krijgt de plaatselijke kerk veel gewicht, want het (?!, jb) is niet minder dan de openbaring van de universele kerk zelf.

De bewoordingen in deze citaten zijn verschillend, maar wat er staat heeft dezelfde achtergrond. Er wordt gesproken over de katholieke (universele) kerk die ‘zichzelf presenteert’ c.q. ‘tot openbaring komt’. Dit is echter niet hetzelfde als ‘zij is verbreid en verstrooid’ en ‘iedere plaats waar God haar gesteld heeft’ (art. 28).[10] Door het gebruik van deze termen wordt een min of meer zelfstandig bestaan van ‘de katholieke kerk als een bovenplaatselijk overkoepelend organisme’ gesuggereerd, wat maar zo een afgezwakte variant zou kunnen zijn van de leer van de onzichtbare kerk.

Het merkwaardige is, dat in de GKN-tekst een latijnse tekst en de vertaling ervan worden genoemd, waarin het wél juist is weergeven: de plaatselijke kerk is de universele kerk op een bepaalde plaats. In het gespreksdocument van DGK staat iets dergelijks: In de vroegchristelijke kerk werd met de ‘katholiciteit van de kerk’ bedoeld: de ware kerk die tegelijk de universele kerk is, of de universele kerk, die tegelijk de ware kerk is.

Had men zich daar nu maar aan gehouden. In plaats daarvan zijn de genoemde termen ertussen geschoven. Daardoor komt in de lucht te hangen, dat de (ware) plaatselijke kerk de katholieke kerk op een bepaalde plaats is.

 

[1] https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/Deputatenrapport_ACOBB,_mei_2019.pdf

[2] https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/2018_09_11_Pro_Acta_en_Acta_GS_Lansingerland.pdf

[3] Acta GS 18 maart 2017, pag. 15-16, https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/?ddownload=955

[4] Zie ook: https://semper-reformanda.nl/deputatocratie/

[5] https://semper-reformanda.nl/groeiende-verandering-4/

[6] https://semper-reformanda.nl/groeiende-verandering-5/

[7] https://semper-reformanda.nl/groeiende-verandering-6-slot/

[8] Ds. J. van Bruggen, Het amen der kerk; de Nederlandse Geloofsbelijdenis toegelicht, Goes, Oosterbaan & Le Cointre N.V., 1964

[9] Dit geldt eveneens voor art. 28 en het grootste gedeelte van art. 29. (Alleen aan het slot van art. 29 staat in een ander verband een meervoud, nl. ‘deze twee kerken’, waarmee de ware en de valse kerk worden bedoeld.) In dit verband kan ook worden genoemd dat in art. 28 gesproken wordt over ‘iedere plaats’ (enkelvoud), en niet over ‘alle plaatsen’ (meervoud).

[10] Taalkundig staan deze termen in de tegenwoordige tijd: presenteert, tot openbaring komt. Dit houdt in dat de ‘activiteit’ nog bezig is: bezig zijn met zich presenteren, bezig zijn met tot openbaring komen. In art. 27 en 28 staat het echter in de voltooid tegenwoordige tijd: ‘is verbreid en verstrooid’ en: ‘op iedere plaats waar God haar gesteld heeft’. Dit houdt in dat er sprake is van ‘een los feit, een enkelvoudige gebeurtenis’ (aldus https://taaladvies.net).