Een publieke zaak in de kerk (2, slot)

Toetsen en beproeven
Hoe moet men de situatie beproeven en toetsen, en hoe gaan we er mee om?

Het is essentieel dat we als levende leden van de kerk toetsen en beproeven of besluiten die in kerkelijke zaken genomen worden naar Gods Woord zijn (1 Joh. 4:1) en dan moeten wij, zoals in Hand. 5:29, aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen. 1 Tim. 5:22 leert en beveelt ons dat we geen gemeenschap mogen hebben met de zonden van anderen, we moeten ons daarvan afzijdig houden. Dan moeten we de zonden bestrijden met Gods Woord en er voor bidden. En dan moeten we vragen om wijsheid, om de Heilige Geest, zodat we ook inzicht mogen ontvangen om Gods Woord te verstaan. Dan moeten we ons bewust  zijn van onze eigen zonden: wij zijn niet beter, wij zijn net zo verdorven door de zondeval, alleen zijn wij door genade aangenomen kinderen van het verbond. Zo hebben wij ook het ambt der gelovigen, we moeten daarin werkzaam zijn om de weg tot elkaar te vinden in die ene waarheid, om die te bewaren.

We hebben voor het Woord van de Heere alleen te buigen, met de bereidheid om schuld te erkennen en te belijden over wat tegen het Woord van de Heere is en de kerkelijke scheiding heeft veroorzaakt. Wij hebben ons enkel aan Gods Woord te houden: “Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt” (art. 7 NGB). Laten we in de kerk niet hoogmoedig zijn, maar nederig buigen voor het aangezicht van de Heere. De Heere vraagt ons niet naar eigen wil en inzicht te wandelen: Uw wil geschiede, en wij moeten trouw blijven.

Dat geldt ook voor de ambtsdragers in kerkenraden, classis en synode. Ook zij hebben te handelen overeenkomstig Gods Woord. Als meerdere vergaderingen inderdaad principieel gelijk zijn aan kerkenraadsvergaderingen, dan hebben ze een eigen hogere macht over de kerken krachtens het Goddelijke recht. Maar zo is het niet, bij een classicale en synodale vergadering is alles door menselijke opdracht en overdracht: kerkelijk gezag, maar geen rechtstreeks Goddelijk gezag. De Heilige Schrift spreekt alleen van door Christus rechtstreeks opgedragen bevoegdheden aan kerkenraden. Wel hebben de meerdere vergaderingen een in omvang meer uitgestrekte macht dan de kerkenraad: deze laatste heeft immers de macht van één kerk, terwijl de meerdere vergadering de macht heeft van vele kerken, die een eenheid vormen. Meerdere vergaderingen zijn daarin echter gebonden en beperkt, niet alleen door de Heilige Schrift en de belijdenis, maar ook door hetgeen de kerken vrijwillig afspraken in de K.O.

 

Wapenrusting
Een bekende tekst, Efeziërs 6: 11, spreekt duidelijk over de ‘wapenrusting’ die we moeten aantrekken: “Bekleed u met de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel.” Dat wil zeggen dat we God goed moeten leren kennen door ons in Zijn Woord te verdiepen en door te willen leven naar Zijn geboden, uit dankbaarheid voor alles wat Hij voor ons heeft gedaan. De Bijbel is daar heel duidelijk over in Gal. 1:8-9: “Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie zouden verkondigen, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Zoals wij al eerder gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Als iemand u een evangelie verkondigt anders dan wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt.” En ook in 1 Joh. 2:3-6 wordt hier duidelijk over gesproken: “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn. Wie zegt in Hem te blijven,  moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft.”

Hiermee hangt ook kennis van onze ellende samen, zoals de Catechismus daarover duidelijk spreekt in Zondag 3: “Vraag: Waaruit kent u uw ellende? Antwoord: Uit de wet van God”. Dit betekent dat we geloofskennis moeten hebben van onze ellende, en de wet moeten kennen om in gehoorzaamheid en uit dankbaarheid te leven. God heeft ons in Zijn verbond aangenomen, wij hebben die belofte aangenomen maar tegelijk hebben we ook de eis van het verbond. Wij zijn als kinderen tot mondige leden van kerk opgevoed. Daarvoor dient het catechetisch onderwijs in de eerste plaats en we hebben de belijdenis leren kennen – daar hebben wij volmondig ‘ja’ op gezegd. Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden (Rom. 2: 13). Dat wil zeggen dat het van levensbelang is, het gaat hier om ons heil in Christus door Zijn lijden uit pure genade, niet door eigen verdienste.

Naast God Woord hebben we ook de belijdenis waar we elkaar op dienen te wijzen: een zaak moet altijd op grond van Schrift en belijdenis worden onderbouwd, anders is het een spreken van mensen en niet van God. Christus alleen regeert! Laten wij Hem volgen en niet zelf op Zijn plek willen staan. Wanneer je leugen met leugen, tactiek met tactiek en diplomatie met slinkse streken wil bestrijden, slaat de vijand toe. We moeten Gods woord laten spreken, alleen Hij kan harten openen, maar Hij kan ze ook sluiten: “Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten en Zijn dienaren listig behandelden” (Psalm 105:25). Laten wij bidden voor terugkeer naar Gods Woord en bidden om te mogen staan in  de volle wapenrusting. Want slechts dan staan wij sterk in de strijd, tegen de verleidende machten. De vader van de leugen ziet op u! Hij is het, die telkens weer de kerk belaagt door leugen, ketterij, het zaaien van verdeeldheid onder de broederen. Waakt daarom. Broeders, waakt! En doe aan de gehele wapenrusting van God, zodat u scherp blijft zien!

 

Geen gehoor om te blijven bij Gods Woord?
Heimelijke zonden kunnen openbaar worden binnen de kerk, zo ook bij hoe de classis en synode gehandeld hebben in de ‘zaak Mariënberg’. Wanneer men doorgaat met zondigen en zich niet stoort aan de broederlijke vermaning, dan zal blijken of de ambtsdragers naar Titus 1:9 handelen (“iemand die zich houdt aan het betrouwbare woord, dat overeenkomstig de leer is, zodat hij bij machte is anderen te bemoedigen door het gezonde onderwijs en ook de tegensprekers te weerleggen”). Dan zal het snel duidelijk worden waar het aan schort; dan zal het antwoord bevestigen of zij op hetzelfde fundament staan, het fundament van die ene waarheid. Openbaring 2:5 waarschuwt: “Bedenk dan van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.” Ja, Christus is onze Opperherder, Hij is de waarheid, Hem moeten we volgen in gehoorzaamheid. Wat te allen tijde belangrijk blijft, ook als de zaak ons soms persoonlijk aangrijpt, is dat we de vrede proberen te bewaren. Wij moeten de zaak centraal stellen en de zonden moeten worden aangewezen. Het gaat hier ook om het heil van onze broeders en zusters. We denken hierbij aan Mattheüs 22:37-40: “Jezus zei tegen hem:  U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.” Dat betekent, hoe moeilijk het soms ook is, dat we duidelijk moeten maken dat we trouw willen zijn en blijven aan Christus en Zijn kerk – dat de kerk niet door mensen wordt geregeerd en dat te allen tijde de zonde niet mag regeren, want daar waar de zonde regeert, regeert Christus niet. Zoals Efeziërs 5:14-17 zegt: “Daarom zegt Hij:  Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Let er dan op dat u nauwgezet wandelt, niet als dwazen, maar als wijzen, en buit de geschikte tijd uit, omdat de dagen vol kwaad zijn. Wees daarom niet onverstandig,  maar begrijp wat de wil van de Heere is.” Dan moeten we uit liefde onze broeder en zuster erop wijzen dat ze niet mee mogen gaan in verkeerde wegen. Art. 28 NGB schrijft voor dat het de plicht van de gelovigen is zich weloverwogen af te scheiden van degenen die niet van de kerk zijn, uit liefde en tot behoud van onze naasten. Om zo trouw te kunnen blijven en deel te zijn van de kerk, het lichaam van Christus. Wie zal verstrooien als Hij vergadert (zie Joh. 10)? Jeremia 31:10: “Verkondig het in de kustlanden van ver weg, en zeg: Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het weer bijeenbrengen en het hoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt”. Zo was het toen en is het nu nog steeds: wat een zorg van de God van het Verbond!

 

image_pdfimage_print