Doorgaande reformatie

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


Was u, reinig u!…Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. ~ Jes. 1: 16a, 18

Israël is niet meer het volk van Davids dagen, of het volk van de verbondssluiting op de Sinaï. Het dient de HEERE, zoals de heidenen hun afgoden dienen: een tevredenstellen van de HEERE in Zijn tempel. En verder onthoudt het Hem het hart. Zo komt er van de levende, concrete gehoorzaamheid niets meer terecht. En wanneer er niet meer in nieuwigheid van het leven gewandeld wordt, is het verbond reeds feitelijk verbroken, want verbondsbreuk begint in ’t hart.

En tot dit afgeweken volk komt nu de oproep: was u, reinig u. Er moet een radicale omkeer komen en nog wel heden. Zo u Zijn stem dan heden hoort. Er wordt niet gezegd: u weet toch wel beter. Er wordt ook niet gedebatteerd, er wordt concreet geëist. Immers, Israël heeft eenmaal beloofd de HEERE te zullen dienen, en beloofd voor altijd. En omdat het zijn trouw bezworen heeft, is de oproep om nog heden terug te keren tot de waarachtige dienst van de Heere, tot de eerste werken. Er wordt niets vreemds, niets nieuws geëist, want alle dingen worden geweten, omdat zij bekend gemaakt zijn.

Dus hoewel er verbondsbreuk is, en Israël van zijn kant de verbondstrouw verbroken heeft, de oproep blijft onveranderd, het eenmaal geëiste blijft gehandhaafd. Want Israël is geroepen, is verkoren. Het volk moet nu binnengaan de stad, die fundamenten heeft, of het moet nu met “dubbele” slagen geslagen worden. Dat is de werkelijkheid van zijn verkiezing.

Maar gesteld eens, dat Israël zich bekeert, dan het nog heden terugkeert, is dan daarmee het verleden weer goed gemaakt, zal er dan over de verbondsbreuk niet gesproken worden en krijgt het leven dan vanzelf zijn glans en glorie weer terug? Nee, er is eenmaal zegen beloofd en vloek bedreigd. En wat de HEERE gezegd heeft, doet Hij ook. En zo wordt de verdere oproep vol verschrikking: komt toch, laat ons samen een rechtszaak voeren. Indien de HEERE niet méér zegt, dan is Israël verloren, dan kan het heden niet verder meer, dan helpt de bekering ook niet meer, het is dan te laat, de straf is op komst.

Het wordt nu dus van het allergrootste belang, hoe zal over het verleden, over wat er gebeurd is, gesproken worden? En dat de HEERE nu geen afgesneden zaak wil met Zijn volk, dat Hij bedoelt de doorgaande reformatie van Israël, dát nu hoort elke boeteling in de toevoeging: al waren Uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, als wol zullen ze zijn. Nu de bondeling tot het “proces” van de HEERE opgeroepen wordt, nu hoort hij in deze oproep de trouw van zijn God, Die Zijn eden gedenkt, Zijn barmhartigheid gestand doet. Nu verneemt hij, dat God niet de ondergang van Zijn volk wil, maar dat Hij het drijven wil tot reformatie. Nu kan hij verder, want er is een nieuw begin mogelijk. Dat is de muziek in deze woorden.

De HEERE vraagt dus wel terdege schuldbelijdenis over het verleden, maar Hij maakt die schuldbelijdenis mogelijk door schuldvergeving in het vooruitzicht te stellen. Alles zal gezegd moeten worden, alle zonden zullen in het gericht komen, maar er zal vergeving gevraagd kunnen worden, Israël zal weer gerechtvaardigd naar huis kunnen gaan – want er is vergeving altijd bij Hem geweest.

Vergeving is geen gemakkelijke zaak in de verbondskring. Er is alleen vergeving bij doorgaande reformatie, bij een wederkeren tot de waarachtige dienst van de Heere, bij een weer doen van de eerste werken.

En wanneer wij menen, dat wij tezamen zijn afgeweken van de wegen van de Heere, tezamen ontrouw geworden zijn en hebben schuld te belijden, wanneer wij dat menen, dan is er alleen vergeving bij bekering. Er zal dus nu bekering MOETEN komen, wanneer wij onze belijdenis van ontrouw, en ons gebed om vergeving gemeend hebben. Wie de HEERE in Zijn schuldvergevende liefde aangrijpt, die kan dat alleen doen, wanneer hij bekering belooft, een wederkeren tot de eerste werken.

En pas als er een wederkeren is tot wat eenmaal beloofd en gedaan is, dan pas is er de zekerheid, dat ons vergeven is en dat Gods gunst, Gods gratie weer tot ons uitgaat. En deze gunst en gratie is een schone werkelijkheid. Het leven zal zijn glorie weer vertonen in ons midden. Immers, ook in deze verbondsfase bewijst Zijn gunst en goedheid zich voor degene die gelooft.

Gebeden zijn zo ernstig, want de waarachtigheid van onze gebeden blijkt uit ons leven – een komen tot positieve heiligmaking.

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).