Door terugkeer en rust

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van S. Greijdanus.


Door terugkeer en rust zou u verlost worden,
in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn. ~ Jesaja 30:15

 

Toen David op zijn vlucht voor Absalom door Simeï vervloekt werd, zei hij tot Abisaï, die verlof vroeg om de vloeker te doden: “Ja, laat hem vervloeken, want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek David”. Daarmee toonde David, dat hij, in wat hem aan moeite overkwam, niet staan bleef bij het schepsel, waardoor hij werd geminacht, maar rekening hield met de Heere, wiens regering ook over die minachting door Simeï ging. Hij verootmoedigde zich dus voor de Heere, en gaf zijn ontering in de hand van de Heere. Abisaï mocht Simeï niet doden. En zie, niet lang daarna keerde David als koning naar Jeruzalem terug, en kwam Simeï hem tegemoet met de bede: “Laat mijn heer mij mijn misdaad niet toerekenen, en niet denken aan hoe uw dienaar zich misdragen heeft op de dag waarop mijn heer de koning uit Jeruzalem vertrok” (2 Sam. 19:19).

Door David werd beoefend en ervaren wat de Heere later door Jesaja tot Israël zei: “Door terugkeer en rust zou u verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn” (Jes. 30:15).

In alles wat er gebeurt, werkt ook de hand van de Heere; ook in het pijnlijke en bange dat een mens of volk of mensheid overkomt. “Of komt er kwaad in de stad voor, zonder dat de HEERE dat doet?” (Amos 3:6). “Ik maak de vrede en schep het onheil; Ik, de HEERE, doe al deze dingen” (Jes. 45:7).

De gelovige en de gemeente moeten daarom ook tegenover hetgeen hun door middel van schepselen aan onrecht of benauwing overkomt, blijken anders te staan, dan wie van de wereld zijn. Zij moeten daarbij opzien tot de Heere. Hoewel zij de schuld en verkeerdheid van het schepsel moeten erkennen voor wat zij zijn, zoals bijv. ook David aan Salomo bevel gaf, om Simeï zijn verdiende straf te doen ontvangen (1 Kon. 2:8,9), moeten zij toch niet, vanwege het schepsel, het handelen van de Heere voorbijzien, maar integendeel dat juist het meest in het oog houden.

Zij moeten dan ook onrechtvaardige en verdrietige bejegening anders bezien, anders opnemen, er anders over denken en spreken, er anders tegenover gezind wezen, er anders tegenover handelen.

Laat het worden opgenomen en ondergaan als uit en door de hand van de Heere. Laat er innerlijk worden nagegaan, waarom en waartoe de Heere op die manier doet treffen. Er mag niet in ontstemdheid worden geklaagd. Maar het hoofd en de knieën moeten dan worden gebogen voor de Heere. De schuld moet worden nagegaan en beleden, en wat er aan ongerechtigheid werd bedreven, moet worden afgebroken. Laat er dan tot de Heere worden geroepen, om genade en hulp. Dan wil Hij op Zijn tijd ook weer verlossen en verhogen.

Ook in tijden van moeite moet daarom op de Heere worden gezien. Hij dient te worden gedankt voor zo veel ontferming, die Hij ons nog steeds blijft bewijzen. En laat dan ook iedere ziel die dit overkomt, zich verootmoedigen en het hart uitstorten voor Hem, die, hoewel Hij verheven is, toch naar de nederige omziet, maar de hoogmoedige van verre kent (Ps. 138:6). Het hart uitstorten voor Hem die spreekt: “Door terugkeer en rust zou u verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn” (Jes. 30:15).