De voorgeschiedenis van het koningschap in Israël

Door: R. Hoorn

 

Psalm 110
Zoals we gezien hebben is de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament er één van belofte en vervulling.[1] In de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus was het koninkrijk der hemelen nabij gekomen. Hij was de beloofde koningszoon uit het huis van David, de Messias. Vele Joden verwachtten van deze Messias het herstel van het politieke koningschap in Israël. Dienaangaande lezen we bij Johannes, dat het volk Jezus met geweld wilde nemen om hem koning te maken, Joh. 6:15. Tegen Pilatus, de Romeinse stadhouder, zei de Here Jezus: mijn koninkrijk is niet van deze wereld, het is niet van hier, Joh. 18:36. In vergelijking tot alle overige heerschappijen is die van Christus uniek, omdat zij van een andere hemelse orde is.

In een gesprek met de Farizeeën legt Christus hun de vraag voor: Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij antwoorden met Davids Zoon, waarop de Here Jezus zegt: Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen? En dat David dit metterdaad doet, bewijst de Here Jezus door Psalm 110, vers 1 te citeren, Matt. 22:41-44. Volgens de eigen uitleg van Christus is Ps. 110 dus een profetie van de Messias. David zegt daar: De HERE heeft gezegd tot mijn Here: zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. En in vers 2: De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden. Alleen van Christus mogen we zeggen dat Hij gezeten is aan Gods rechterhand, Col. 3:1, en dat Hij priester is voor eeuwig naar de wijze van Melchizedek, Ps. 110:4. In Psalm 110 vinden we dus een aankondiging van het rijk van Christus. En David spreekt uit dat deze Christus zijn meerdere is en hem in koninklijke macht zal overtreffen. Tegelijk weet hij dat de Messias zijn zoon is, aangezien hem de belofte was gedaan dat God hem, David, een huis zou bouwen, 2 Sam. 7:11.

Zo zien we dat er een direct verband is tussen het Davidische rijk en dat van Jezus Christus. Sedert David door Samuël tot koning gezalfd was, wist hij dat het koningschap hem niet als bij toeval ten deel gevallen was maar met een vooropgezet doel. De HERE wilde in David en zijn rijk een type en afbeelding geven van Jezus Christus en diens rijk dat eeuwig zou zijn.

 

De Koningswet
Over het koningschap in Israël lezen we reeds bij Mozes. In Deuteronomium 17 is sprake van de koningswet. Deze wet was door God gegeven met het oog op de toekomstige positie van Israël, wanneer het volk het land Kanaän in bezit genomen zou hebben. Blijkens deze wet verbond God aan het koningschap bepaalde voorwaarden. Aan de voorwaarden gaat in de tekst een zinsnede vooraf, die luidt: en gij zult dan zeggen: Ik wil een koning over mij aanstellen gelijk alle volken rondom mij hebben, Deut. 17:14. We zien hieruit dat Israël in zijn verlangen naar een koning de heidenvolken tot voorbeeld zou nemen, het geen de HERE veroordeelt omdat het volk, zoals zal blijken, geen rekening hield met het koningschap van Jawhè over Israël. Evenwel: het volk Israël zou een koning krijgen en de HERE zelf zou deze uitkiezen. Hij zou een Israëliet zijn uit hun eigen midden, en beslist geen buitenlander. Voorts staat er nog een drietal bepalingen in en dan volgt de eis dat de koning een eigen afschrift van de wet dient te bezitten en dat hij daarin constant moet lezen opdat hij de HERE zijn God leert vrezen door de woorden van de wet ijverig te onderhouden, Deut. 17:18-20.

Dit alles laat zien de bijzondere zorg van God voor Zijn volk. De HERE wilde koning en volk behoeden voor afval van het verbond en ontsporing van het koningschap in heidense tirannie.

 

Samuël en het koningschap
Het verzoek om een koning kwam aan het einde van het richterschap van Samuël. Samuël was in die dagen de profeet van Israël, 1 Sam. 3, die het volk vermaand had de afgoden uit hun midden weg te doen en zich tot de HERE te bekeren, 1 Sam. 7. Tevens was hij richter van Israël; onder zijn leiding werden de Filistijnen verslagen en ’s lands grenzen veilig gesteld, 1 Sam. 7:11-14. In hetzelfde hoofdstuk lezen we, dat Samuël Israël richtte en dat hij ten behoeve van het bestuur jaarlijks door het land trok naar de plaatsen Bethel, Gilgal en Mizpa en dan terugkeerde naar zijn woonplaats Rama.

Wanneer hij oud geworden is, komen de oudsten van Israël in vergadering bijéén en stellen hem hun eis: Samuël moet een koning over hen aanstellen om hen te regeren evenals de overige volken hebben. Dit staat de profeet niet aan en hij wendt zich tot de HERE. Maar de HERE antwoordt: doe zoals ze willen want ze hebben niet u maar Mij verworpen dat Ik geen koning over hen zou zijn. Gods antwoord laat bovendien zien dat de eis van een koning gepaard ging met kritiek op de wijze waarop Hij tot dan toe Israël bestuurde, hierin bleken zij gelijk hun vaderen te zijn, 1 Sam. 8:7,8. Samuël moet hen echter waarschuwen door ze te wijzen op de kwade gevolgen van het koningschap. Zo zal de koning een leger op de been brengen en er een hofhouding op na gaan houden, en dat op kosten van het volk. Bovendien zal hij de beste akkers, wijn- en olijfgaarden nemen voor zijn hovelingen. Ja, de koning zal zelfs belastingen vorderen door tienden te heffen. Deze tienden zouden dan komen bovenop het tiendrecht van de Levieten. Kortom, laat het het volk duidelijk worden dat zij een deel van hun zelfstandigheid en vrijheid zullen moeten inleveren onder hun koning. Israël zal te maken krijgen met dienstbaarheid.

Ondanks dit ernstig vermaan van de profeet blijft het volk halsstarrig bij zijn eis: wij zullen zijn zoals alle volken en onze koning zal voor ons uitgaan en onze oorlogen voeren. God beveelt Samuël dan hun eis in te willigen, en daarna stuurt de profeet ze naar huis, 1 Sam. 8:19-22.

Het vervolg van deze geschiedenis is dat Saul, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin door de HERE aangewezen en door Samuël tot een voorganger over Israël gezalfd werd, 1 Sam. 9 en 10:1. En als zodanig is hij door het volk aanvaard zodat wij in Saul van doen hebben met de eerste, wettige koning van Israël. Hier komt nog bij dat Samuël vanuit de wet van Mozes het koningsrecht uitvoeriger op schrift gesteld heeft opdat de koning billijk en rechtvaardig zou regeren en het volk zijn koning de verschuldigde eer en gehoorzaamheid zou bewijzen; dit boek moest hij in de tabernakel leggen, 1 Sam. 10:25.

En na het roemrijke feit van zijn overwinning op Nahas, de koning van de Ammonieten, is Saul door Samuël en het volk te Mizpa voor het aangezicht van de HERE opnieuw tot koning uitgeroepen, 1 Sam. 11:14,15.

Toch blijft het knagen blijkens de rede die Samuël bij zijn afscheid houdt, want hij zegt opnieuw dat zij kwaad gedaan hadden door een koning te begeren. Uit hun begeerte sprak ondankbaarheid jegens de HERE, die vanaf Mozes en Aäron tot op Samuël zich betoond had een Leidsman en Redder van zijn volk te zijn. Tot hun bestraffing komen midden in de tarweoogst op het gebed van Samuël donderslagen en regen. Het volk wordt dan bang en toont berouw en God laat zich verzoenen, 1 Sam. 12.

 

Koning Saul verworpen
Saul is zijn veertigjarige regering, Hand. 13:21, goed en dapper begonnen. In zijn tweede openbare regeringsjaar is Israël in oorlog gekomen met de Filistijnen. Deze oorlog werd uitgelokt door Jonathan toen hij de bezetting van de vijand te Geba versloeg, 1 Sam. 13:13. Na de overwinning riep Saul het volk achter zich naar Gilgal. De Filistijnen brachten echter een veel geduchtere strijdmacht op de been zodat de mannen van Saul de moed ontzonk en zij zich in spelonken en holen en achter klippen verborgen. Omdat het volk uit angst van hem wegliep, wachtte de koning de komst van de profeet niet af maar ging hij er toe over het brandoffer te doen ontsteken om zeker te zijn van de gunst van de HERE. Samuël  kwam wel op de zevende dag maar het moment waarop hij verscheen was volgens Saul te laat en daarom deed hij zoals hij deed. In dit late komen van Samuël werd de koning echter op de proef gesteld of hij zich vóór alles gehoorzaam aan God zou betonen. Die gehoorzaamheid bleek er niet te zijn en daarmee verspeelde Saul het koningschap over Israël, 1 Sam. 13:13, 14.

Na dit gebeuren kwam er een nieuw bevel van de HERE der heerscharen door middel van Samuël. De koning kreeg de opdracht Gods strafgericht over de Amalekieten uit te voeren. Met betrekking tot Amalek, nakomelingen van Ezau, had de HERE door Mozes laten opschrijven dat de herinnering aan hen onder de hemel uitgewist moest worden, Ex. 17:14. Amalek had namelijk Israël bij Rafidim verraderlijk in de achterhoede aangevallen toen het volk uitgeput was, Deut. 25:17-19. Zo wilde het voorkomen dat de nakomelingen van Jacob het land Kanaän zouden beërven. In plaats van nu allen en alles met de ban te slaan zoals het bevel luidde, spaarde Saul koning Agag om deze als zijn overwinningstrofee mee te kunnen voeren en wierpen de manschappen van Saul zich op de buit. Bovendien richtte hij voor zichzelf een gedenkteken op. Uit dit handelen van Saul bleek dat de koning zich de waarschuwingen van Samuël niet aangetrokken maar zich daarentegen verder van God en Zijn profeet afgekeerd had. Zo is Saul om zijn ongehoorzaamheid als koning verworpen en afgezet. En welke verontschuldigingen hij ook tegenover Samuël aan voerde, dit besluit van God was onherroepelijk, 1 Sam. 15.

Het was van meetaf aan Gods plan om Israël tot een koninkrijk te verheffen. Volgde de HERE dan geen omslachtige weg door Saul koning te maken? Het stond toch bij Hem vast dat naar de profetie van de aartsvader Jacob de koning uit Juda’s stam zou komen, en dat het David, de zoon van Isaï, zou zijn? We zagen evenwel dat het volk door onzuivere motieven gedreven werd toen het van Samuël een koning eiste. De oudsten van Israël bleken niet bereid Gods tijd af te wachten. De regering van Saul is een soort interimtijd geweest; hiervan zegt Hosea: gij, die zeidet: geef mij een koning en vorsten! Ik geeft u een koning in mijn toorn, en Ik neem hem weg in mijn verbolgenheid, Hos. 13:10, 11.

Toch zal de HERE de man naar Zijn hart vinden, die al Zijn bevelen zal doen, Hand. 13:22. Hij zal in David het theocratische rijk oprichten om zo de weg te banen voor de verlossing van Zijn volk Israël door Jezus Christus.

 

[1] Zie: https://semper-reformanda.nl/het-evangelie-van-het-oude-en-nieuwe-testament/.