De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (9, slot)

Hieronder het laatste deel van de overdenking van ds. Doekes over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


Het hemelse Jeruzalem
Het Oude Testament roemt Jeruzalem als de stad van God, die een grote toekomst heeft. Jeremia kondigt de grote toekomst aan, waarin de verbondsark in de tempel niet meer zal bestaan, maar Jeruzalem zal genoemd worden de troon des Heren, waarheen alle naties zich verzamelen tot een nieuw leven (Jer. 3:17). Micha en Jesaja zien de toekomst, waarin de berg Zion boven alles verhoogd wordt, en waarheen de naties toestromen om de weg van Jakobs God te leren kennen. Zijn Woord zal uitgaan uit Jeruzalem, en Hij zal recht spreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun oorlogswapenen omsmeden tot ploegscharen en snoeimessen, en de oorlog niet meer leren (Micha 4, Jesaja 2). Wanneer worden die beloften vervuld? Wacht de troon van David in de stad Jeruzalem niet op de komst en het zichtbare vrederijk van de Messias?

Dat is wel de gedachte van het joodse volk, dat Jezus van Nazareth niet als de gekruisigde en verhoogde Messias erkent. Maar de Schrift leert ons, dat het tegenwoordige Jeruzalem, het Israël naar het vlees, met zijn kinderen in slavernij leeft, en daarom Christus en zijn koninkrijk tegenstaat. De beloften, die de Verbondsgod door Jesaja en Hosea vanouds aan Jeruzalem gegeven heeft, gaan in vervulling binnen de polis, de stadgemeenschap, die in het Nieuwe Testament het hemelse Jeruzalem wordt genoemd. De belofte van de grote kinder-rijkdom van de berooide stad gaat in vervulling aan de kerk uit alle naties (Gal. 4:26-27). Het zaad van Abraham, dat zijn allen die één zijn in Christus Jezus (Gal. 3:28-29). Tot de gemeente van het Nieuwe Testament wordt gezegd: Gij zijt genaderd tot de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem (Hebr. 12:22), de stad die neerdaalt uit de hemel, waarin de troon is van God en van het Lam. Zij is de stad van de toekomst, waarin Gods dienaars Hem zullen vereren. Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. De Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.

Het Nieuwe Testament openbaart ons het koninklijk regiment van Jezus als het hoofd van zijn kerk. Van een duizendjarige vredes-heerschappij in het aardse Jeruzalem over Israël als natie wordt met geen woord gesproken. Ieder die in Christus gelooft, en volhardt in de gemeenschap van zijn lijden, zal ook met Hem delen in zijn koninklijke heerlijkheid. Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen: die belofte is van kracht voor allen zonder onderscheid, zowel voor Joden als voor heidenen (2 Tim. 2:12, Rom. 8:17).

In het laatste Bijbelboek bevestigt Gods Zoon de vastheid van deze belofte aan de zeven gemeenten in Klein-Azië, en daarmee ook aan héél zijn kerk op alle plaatsen en onder alle naties. De apostel Johannes brengt ons de zegengroet over van Hem, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde: Hij heeft ons gemaakt tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader! Dat geldt niet alleen voor de gelovige Joden, maar ook voor de gemeenteleden van heidense afkomst. Zij zijn geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2:11-19). Tot hen allen doet Christus deze belofte uitgaan: wie overwint, hem zal ik geven met mij te zitten op mijn troon (Openb. 3:21). Daarom ontvangt Hij ook de lof en de eer en heerlijkheid: want Gij zijt geslacht, en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit èlke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.

image_pdfimage_print