De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (5)

Hieronder het vervolg van de overdenking van ds. Doekes over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


De waarheid van Christus’ Koninkrijk

De profetie is in vervulling gegaan. Elia is gekomen, – en achter deze voorloper kwam de Koning zelf: Gods Zoon in het vlees. Het koninkrijk Gods is bij u! In Hem, in zijn persoon is dit koninkrijk tastbaar aanwezig; Hij is het koninkrijk in zijn verschijning en optreden. Door de kracht van Gods Geest, die Hem vervult, drijft Hij boze geesten uit en verbreekt Hij de werken des duivels. De verzoeking om door een knieval voor Satan de macht over heel de wereld te ontvangen, heeft Hij doorstaan en overwonnen met het Woord Gods. Toen kwamen de engelen en dienden Hem.

Machtig was zijn verkondiging van het evangelie van het komende Koninkrijk. Hij sprak daarover met indringende woorden, die diepe indruk maakten. Toen de tegenstand en het vijandig verzet tegen Hem zich openlijk gingen manifesteren, begon Hij tot het volk te spreken in de vorm van gelijkenissen. Maar ook daarin liet Hij uitkomen, wat zijn koninkrijk in deze wereld betekent. Het heeft een klein begin, van weinig betekenis in de ogen der mensen; maar het groeit als een boom. Die groei wordt verhinderd en tegengewerkt door de duivel, die onkruid zaait tussen de tarwe. Eerst in de voleinding der wereld worden de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afgescheiden en in de vurige oven geworpen. Tot zolang zal in het koninkrijk van Christus de strijd tussen het licht en de duisternis blijven voortgaan. Wie zich niet bekeert en wordt als een kind, zal daar geen plaats ontvangen. Maar wie de geboden van Gods wet eerbiedigt, zal groot heten in dit koninkrijk. De dienst van Christus vraagt soms zware offers: er zijn gesnedenen die zichzelf gesneden hebben terwille van zijn koninkrijk. Toch is de rijkdom van het leven in dat koninkrijk alles waard, als een verborgen schat in een akker of als een kostbare parel, waarvoor iemand een vermogen geeft om het te kunnen bezitten.

Die heerlijkheid kan echter alleen worden gezien en gevonden, wanneer de ogen daarvoor worden geopend door God zelf. Het koninkrijk komt niet met uiterlijk vertoon, zo dat het te berekenen is (Luc. 17:20). Aan de discipelen van Christus is het gegeven, de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kennen; maar anderen zien het niet en verstaan het niet (Matth. 13). Een schriftgeleerde, die instemde met Jezus’ verklaring over het grote gebod der liefde, kreeg van Hem te horen: ‘Gij zijt niet ver van het koninkrijk Gods’ (Marc. 12:34).

Ook voor Pilatus heeft Christus de goede belijdenis van zijn koningschap niet verzwegen: mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; Ik ben als koning in deze wereld gekomen om voor de waarheid te getuigen; ieder die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. Maar die taal sprak Pilatus niet aan. Schouderophalend maakte hij er zich van af: Wat is waarheid? In het beslissende moment voor het vonnis stelde hij de joden voor de uitdagende vraag: Moet ik uw koning kruisigen? Maar toen hun fanatiek antwoord geen ander dan de keizer als koning erkende, gaf hij Hem aan hen over tot de executie. Toch kon hij het niet laten, boven zijn hoofd het opschrift te plaatsen: Jezus de Nazoreeër, de koning der Joden…

Geen wonder, dat Paulus later schrijft: De beheersers dezer eeuw hebben geen oog gehad voor Gods wijsheid, want anders zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1 Cor. 2:8). Een gekruisigde Christus als Messias-Koning – die is voor de joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid. Niet alleen voor Pilatus, maar ook voor het joodse sanhedrin heeft Jezus met een eed verklaard wie Hij was: de Zoon van God; en Hij voegde er de waarschuwing aan toe: Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand Gods en komende op de wolken des hemels! Die woorden klonken het sanhedrin als godslastering in de oren. Het waren immers bekende Schriftwoorden uit Psalm 110 en Daniël 7, die Jezus hier citeert als aanduiding van Hemzelf. In Psalm 110 spreekt David profetisch over zijn Zoon, die ook zijn Heer is, en tot wie God zelf gezegd heeft: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. Deze psalm openbaart de heerschappij van de Messias-Koning, gezeten aan Gods rechterhand. Dat werd ook algemeen door de joden en hun voorgangers erkend (Matth. 22:42-45). Maar nu noemt Jezus zich ‘de Mensenzoon’, die al aan Daniël in zijn visioenen verschenen was, komende met de wolken: aan Hem werd heerschappij en eer en koninklijke macht gegeven over alle volken en naties (Dan. 7:13-14).

 

Van nu aan zult ge Hem zien! Dat wilden de leiders van het joodse volk niet horen. Ze hebben Hem bespuwd en geslagen, en Hem als een godslasteraar ter dood veroordeeld. Op Golgotha hoonden ze Hem: ‘Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen, en wij zullen aan Hem geloven – want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon!’ Ze konden het zelfs niet verdragen dat boven zijn hoofd in drie talen het opschrift te lezen stond: Jezus de Nazoreeër, de koning der Joden. Er was maar één stem die zijn koningschap beleed – maar het was de stem van een stervende misdadiger. De begrafenis van Jezus betekende ook de ondergang van zijn koninkrijk. De gespannen verwachting van allen, die voor en tijdens zijn intocht in Jeruzalem leefden in de gedachte dat Gods koninkrijk nu glorieus tevoorschijn zou komen (Luc. 19:11, 38) was totaal weggevaagd. Dit was het einde van een illusie, een droom…

Wat is er nog te verwachten van een aan het kruis gestorven koning? En toch ging Christus’ woord in vervulling: van nu aan zult ge Hem zien! Op de derde dag heeft God Hem door zijn opstanding uit de doden geproclameerd Gods Zoon te zijn in kracht (Rom. 1:4). De Romeinse soldaten, maar ook het sanhedrin werden op die zondag plotseling geschokt door zijn macht. Zij hebben het ervaren dat Hij uit de doden is opgestaan. Voor de kerk is dat evenmin verborgen gebleven. De vrouwen, die naar zijn graf waren gekomen om zijn dode lichaam te balsemen, kregen te horen: Hij is opgestaan! Zij mochten Hem daarna ook zien en Hem aanbidden als hun herleefde Koning. En aan de anderen, in rouw en verdriet om de dood van hun Meester, vertoonde Hij zich opeens als de opgestane Christus. Zelfs Thomas mocht Hem dagen later begroeten als ‘mijn Here en mijn God!’

Koninklijk was zijn verschijning in de veertig dagen, die Hij na zijn opstanding nog op de aarde heeft doorgebracht. Hij opende voor zijn discipelen profetisch de Schriften, maar gaf daarbij ook als Koning zijn opdrachten voor hun taak in zijn dienst. Vorstelijk was zijn daad op de morgen aan het meer van Tiberias, waar Hij nog eenmaal onverwachts een geweldige hoeveelheid vissen in het net van de discipelen deed komen, en openbaring gaf van zijn koninklijke heerschappij, over het leven en de toekomst van zijn kerk in deze wereld. Eenmaal heeft Hij zich ook vertoond aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk (1 Cor. 15:6).

Majestueus was eveneens zijn ontmoeting met de elf apostelen op de berg in Galilea. Toen zij Hem zagen, aanbaden zij. Maar zijn verschijning was zo imponerend dat sommigen op dat moment nog in verwarring en twijfel geraakten: is Hij het wel, onze Here Jezus? Toen kwam Hij op hen toe, om tot hen te zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’.

Die woorden klonken als een plechtige proclamatie van zijn opstanding. Duidelijk horen wij daarin de weerklank van de profetie in Daniël 7: Hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht. Met dat souverein gezag komt nu ook de opdracht van zijn koninkrijk tot de apostelen: ‘Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb’. Koninklijk voegt Hij daaraan de belofte toe: ‘Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.’

Het koninkrijk van Christus is universeel: het omspant heel de wereld, en heeft zijn expansie-kracht naar alle kanten gericht tot de einden der aarde. De houding tegenover deze Koning en zijn heerschappij is eeuwig beslissend voor ieder mens: wie niet in Hem gelooft, zal veroordeeld worden. De triomfale voortgang van zijn koninkrijk wordt begeleid door machtige tekenen: boze geesten worden verdreven, de Geest van Christus spreekt tot deze wereld in een nieuwe taal, het leven der gelovigen wordt beschermd tegen allerlei machten van verderf, en zieken zullen genezing vinden (Marc. 16:16-18).


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.