De machteloze voorbidder

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van Ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt.
~Ex. 32:32b

 

Mozes verkeert in grote angst om het volk Israël. Want dit volk heeft in het uur, waarin de Heere het voor eeuwig wilden aannemen als Zijn volk, de Heere reeds verworpen. En nu wil God het volk verwerpen, dat Zijn liefde versmaad heeft. En nog op de berg Sinaï bidt Mozes zijn eerste gebed voor Israël. “HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?” (Ex. 32:11). En in dit gebed heeft Mozes nog een heerlijke pleitgrond voor het schuldige volk. “Denk aan Abraham, aan Izak en Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt…” (Ex. 32:13). De pleitgrond van Gods onveranderlijke beloften, de vastigheden van Zijn genadeverbond. Hier beweegt Mozes zich in zijn liefde voor Israël nog binnen de grenzen van het geopenbaarde, van wat God beloofd heeft. Daarom was dit gebed een machtig wapen. En de Heere hoort, omdat Hij Zichzelf verhoort. Israël zal als volk behouden worden.

Maar als Mozes de berg afkomt en de gruwel ziet van Israëls zonde, en de hoon die Israëls God is aangedaan, houdt hij een strafgericht onder het volk. En door de stam van Levi vallen er 3000 door het zwaard. Israël wordt wel niet uitgeroeid, maar wel getuchtigd. Maar is deze strafoefening voldoende geweest? Is hiermee nu de toorn verzadigd? Zal de Heere nu in gunst wederkeren? Dat wordt nu de bange vraag! En zo niet, wat zal dan de dag van morgen brengen? Vuur en sulfer? De nacht, die volgt op dit strafgericht, is wel één van de benauwendste in het leven van Mozes. Wat zal de Heere doen, indien dit gericht niet voldoende is geweest?

En in zijn brandende liefde voor Israël bedenkt Mozes een nieuw plan in zijn sombere nachtwake. Hij zal, wanneer de morgen aanbreekt, tot God gaan en hij zal tot de Heere zeggen: “Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt” (Ex. 32:32). Dat is de enige mogelijkheid, die hij nog ziet. Deze oplossing heeft hij kunnen vinden. Hij in de plaats van dit schuldige volk.

Zo gaat Mozes tot God. Hij heeft twee plannen de Heere voor te leggen. Het ene is het strafgericht, dat hij gehouden heeft. Misschien is dat voldoende geweest. En zo dit niet het geval is, delg mij dan uit.

Is die Mozes niet een held? Is hij niet sterk van liefde als hij de berg opgaat? Hij biedt zichzelf aan. Hij in plaats van dit volk! En toch heeft de Heere deze voorbede afgewezen. Het was wel sterk van liefde, maar het zweeft in de lucht, omdat Mozes in deze voorbede verlaten heeft de vaste bodem van het Woord van God, en zich onttrokken heeft aan het voornemen van de verlossing. Immers, Mozes is Middelaar van de wet, en Mozes’ roeping is en blijft  om de wet over te dragen en door te geven aan Israël, om op die wijze dit volk tot Christus uit te drijven. Hij moet boven zichzelf uitwijzen naar Hem, en straks ook vermanen: “hoort Hem, hoort Hem”. Maar Mozes de middelaar van de wet ziet geen uitkomst meer, hij weet niet hoe het nu verder moet, opdat het volk behouden mag blijven. En in zijn hartstochtelijke liefde overschrijdt hij zijn grenzen, en wil hij worden middelaar van de verzoening, die het volk verlost van de dreigende toorn! Maar op hetzelfde ogenblik weet hij niet meer wat hij zegt, en ziet hij de dwaasheid niet, die hij uitspreekt. Wat hij dan ook wil, gaat allereerst in tegen de wet zelf, van welke hij bediener is. “Of U toch hun zonden wilde vergeven!” Maar zij hebben allen gezondigd. Zij moeten dus allen gestraft worden. Hij kan wel zichzelf aanbieden, maar zo wordt alle gerechtigheid niet vervuld. Bovendien komt hij veel te gemakkelijk tot zijn aanbod: “schrap mij alstublieft uit Uw boek”. Heeft hij wel nagedacht over de vloek van de wet, over de verschrikking van de eeuwige dood? Nee, Mozes heeft zijn aanbod gedaan zonder het gezicht op de wet, haar dreiging en haar vloek. En verder gaat wat hij zegt ook in tegen het evangelie! Mozes komt nu tot deze dwaasheid: de middelaar verloren en het volk behouden, de middelaar in de duisternis van het oordeel, en het volk in het licht van het heerlijke Jeruzalem. Hij heeft dus het voornemen van Gods werk verlaten, namelijk dit voornemen, dat een ander alle gerechtigheid zal vervullen, en middelaar en volk komen tot de glorie van het eeuwige leven.

Mozes is hier wel op het hoogtepunt van zijn liefde, maar hier blijkt dan ook al zijn armoede. Hij heeft wel een glimp gezien van het plaatsvervangend lijden, en er wel iets van verstaan: de middelaar in isolement, ter wille van zijn volk, maar Mozes heeft niet dat kostelijk geheim van Jezus Christus, namelijk de unio mystica, die heerlijke, grote band van liefde, waardoor allen in de Middelaar begrepen zijn en Hij kan optreden als één met wie wij in het oordeel komen, en met wie wij door het oordeel heen getrokken worden tot het eeuwig zalig leven. En omdat hij deze heerlijke gave niet heeft, omdat hij ook een mens onder velen is, daarom slaat hij een slag in de lucht, probeert hij maar iets, weet hij ook niet of zijn gebed verhoord zal worden. Hij moet dan ook tot het volk zeggen voor hij tot God gaat: “Misschien zal ik een verzoening kunnen bewerken voor uw zonden”. (Ex. 32:30b).

Gelukkig dat God Mozes, de middelaar van de wet, weer binnen de hem gestelde grenzen heeft teruggebracht, en van zijn overspannen liefde hem genezen heeft. Niet Mozes, maar Christus zal Middelaar van de verzoening zijn, en Mozes zal tot Christus uitdrijven! En in Hem zal dat heerlijke wonder zijn van de unio mystica, waardoor wij allen in Hem begrepen zijn en waardoor Hij ons mee kan nemen onder het oordeel van de wet, en ons door het oordeel mee kan trekken tot de verbondsglorie na alle gerechtigheid vervuld te hebben. En deze Middelaar van de verzoening zal zeggen: “Neem Mij in plaats van dit schuldige volk”. En God zal Zijn voorbede niet afwijzen, en Hem nemen, en Hem verbrijzelen onder de vloek van de wet. En God zal ons met Hem schrijven in het boek van het leven, en ons met Hem tot erfgenamen van het leven uitroepen!

Mozes heeft dan ook zijn dwaasheid ingezien. God heeft een andere gerechtigheid voor Israël aangebracht. En later op de berg van de verheerlijking heeft hij geen plannen meer voor te leggen. Daar is Mozes de middelaar van de wet. En daar predikt hij de noodzaak van de wet, dat alle gerechtigheid vervuld dient te worden, indien Israël werkelijk zal leven tot in eeuwigheid. En daar is ook Christus, de Middelaar van de verzoening. En Deze buigt zich onder de eis van de wet. En Hij laat het voornemen van God niet los. Maar Hij gaat in grote liefde, en met het gemaakte voornemen in Zijn hart geschreven. Hij gaat als één voor allen! Hij is niet maar een mens, maar de Zoon van de mensen, met de grote gave van de unio mystica, welke het Hoofd met de leden verbindt, en de leden met het Hoofd! Hij slaat op Golgotha niet een slag in de lucht. Hij probeert maar niet iets, maar Hij komt naar Gods voornemen en Hij redt ze allen van de vloek van de wet, en schenkt ze allen het leven tot in eeuwigheid.

Deze unio mystica heeft geen oog gezien, geen oor gehoord, geen hart bedacht. Zij is Gods gave in Jezus Christus. Alleen van Hem geldt: allen in één begrepen.

Daarom, Mozes redt er niet één. Christus redt ze allen, die de Vader Hem gegeven heeft. En van Hem zal gezongen worden: “U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed” en Zijn verlossingswerk zal eeuwig voor onze aandacht staan.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).