De jacht naar de vaste woning

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van dr. M.B. van ‘t Veer (1904-1944).


u zult dolend en dwalend over de aarde gaan…
Kaïn was een stad aan het bouwen.
~ Gen. 4:12b, 17m

En (Abraham) heeft in tenten gewoond, … want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft.
~ Hebr. 11:9m, 10

 

Sterk is die overeenkomst tussen Kaïn en Abraham.

Ze zijn elkaars tegenstellingen: Kaïn, de vader van de goddelozen en Abraham, de vader van de gelovigen. Maar hierin komen ze overeen, dat beiden zwervers zijn, en beiden gedreven worden door de sterke begeerte naar de vaste, veilige woning; ze kennen beiden de stadsbegeerte.

En, wat de gelijkheid nog sterker maakt: beiden worden in hun zwerven en jagen voortgedreven door het Woord van de Heere. Want het is de Heere, die Kaïn deed zwerven; en de Heere, die Abraham deed zwerven. Het is de Heere die de vaste, de eeuwige rust, en het land van de rust, de vaste woning zowel aan de gelovigen als aan de ongelovigen hier op aarde onthoudt.

 

Maar hierin ligt nu ook het verschil tussen Kaïn en Abraham, namelijk in het Woord van de Heere. Achter beiden stond dat Woord van God als levende kracht, maar Kaïns zwerven was gevolg van Gods vloekend woord; Abrahams zwerven van Gods zegenend woord.

Dat is het verschil! En dat maakt nu ook het zwerven principieel verschillend. Stel Kaïn slechts tegenover Abraham!

Kaïn is de rusteloze zwerver- Abraham kent alleen de rust. Kaïn voelt zich nagejaagd door schichtige gestalten, het is de stem van het vergoten bloed- Abraham ziet boven zich de hand van de Heere, die hem zegent.

Kaïn voelt zich nergens beschut, maar overal bedreigd- Abraham weet zich overal beschut en nergens bedreigd.

Maar daarom is ook hun stadsbegeerte principieel verschillend. Beiden jagen wel naar de vaste woning van de veilige stad, maar Abraham zoekt de rust anders en elders.

Tegenover Kaïns hartstocht om te bouwen, staat Abrahams vastheid en vertrouwen.

Kaïn wil zelf de fundamenten leggen en de muren bouwen- Abraham weet , dat God de Fundamentlegger en Murenbouwer is.

Kaïn wil de veilige woning op deze aarde plaatsen- Abraham ziet ze in het leven hierna. Zo staan beiden tegenover elkaar. Kaïn in zijn jacht naar rust en veiligheid, weet niets meer dan de aarde en de eigen kracht- Abraham in zijn begeren naar de vaste, veilige woning wil enkel weten van de woning van de hemel, gebouwd door het werk van zijn God.

Kaïn en Abraham- de man die de stad zelf zal bouwen en de man die de stad door het geloof verwacht.

Kaïn en Abraham- de jacht naar de stad hier beneden en de jacht naar de stad van boven.

Kaïn is de vader van vele kinderen en vele volkeren.

We leven nog te midden van de jacht van de Kaïnieten! De wereld is er vol van. Ze willen alleen de rust van de vaste woning op aarde en daarom worden ze nooit rustig. Om een woning, een vaste woning, dat is om een plaats hier op aarde te hebben, daar gaat het om en daar worstelt men om. Een vaste plaats, die we zelf veroveren en die niemand ons meer kan ontroven.

Daarvoor is het werken en worstelen!

Daarvoor is de handel en wetenschap!

Daartoe is de cultuur en kunst!

Maar daarvoor is ook de zonde: de leugen, het bedrog, de concurrentiestrijd, de haat, de moord!

En daartoe is ook alle ellende op aarde, alle ontzetting en ruïnering, alle vergieten van bloed, alle zeeën van smart, alle kracht die uitbreekt in vuur en bloed. Zo zien we de volkenzee in eindeloze beroering in onze dagen, zoekend naar rust en veiligheid.

Kaïn, Kaïn in zijn rusteloos zwerven- hij komt niet tot rust, aangezien de aarde hem vloekt en zijn stad nooit af is!

 

Abraham is ook de vader van vele kinderen en vele volkeren. De kinderen van Abraham zijn ook zwervers (vreemdelingen) op deze aarde, maar hun zwerven is gevolg van het zegenend woord van de Heere.

Zij zwerven de vaste woning tegemoet.

En daarom zijn ze rustig te midden van de rusteloze jacht van de Kaïnieten en de jachtende storm van zoekende stedenbouwers op aarde.

En dat is de rust van Abrahams kinderen (is: de kerk van Christus), dat ze niet zelf moeten bouwen en niet de stad moeten bereiden; dat ze niet zelf de rust moeten verwerven en de veiligheid scheppen!

De fundamenten zijn gelegd door de Ander– muren worden gebouwd door Hem, die de eeuwige woning bereidt voor Zijn volk. Daarom kunnen wij rustig zijn! De rust van het geloof!

Christus Jezus bouwt onze stad! En daarom komt die eeuwige woning wel af. En daarom kan deze stad nooit worden verwoest. Zo jagen we als gemeente van Christus naar de rust van de eeuwige woning, maar het is een jagen door het geloof, een jagen in de zekerheid van het verkrijgen. Ze komt, ze komt zeker: de stad van de twaalf fundamenten en de twaalf paarlen poorten, met al haar zalige rust en blijvende veiligheid (Openb. 21).

De onrust vermeerdert met de dag! De jacht versnelt! De wereld brandt- maar het geloof aan de vaste, eeuwige stad doet ons rustig zijn in deze tijd- rustig voor de donkere toekomst. Het zegenend woord van onze Heere, dat ons hier vreemdelingen maakt, zal ons geven de vaste woning, die Christus bouwt: Daar worden wij door Hem verzadigd, met heil voor ons bereid!

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’ Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 97-99.

image_pdfimage_print