De ICRC – heeft zij bestaansrecht?

In onderstaand artikel wordt ingegaan op het bestaansrecht van de International Conference of Reformed Churches (ICRC). Dit artikel is een vertaling van een eerder gepubliceerd artikel op www.defenceofthetruth.com en met toestemming overgenomen van de auteur (Jelte Numan).

 


 

Het besluit van de International Conference of Reformed Churches (ICRC, Internationale Conferentie van Gereformeerde Kerken, vert.) om het lidmaatschap van de GKv op te schorten was recent groot nieuws op sommige christelijke websites. Dit volgt op het besluit van de GKv om vrouwen in het ambt toe te staan en lijkt prijzenswaardig. Wat echter niemand zich lijkt af te vragen, is of de ICRC zelf bestaansrecht heeft.

 

Het idee voor een ICRC kwam destijds in 1977 van de Australische kerken (FRCA), met het doel om als zusterkerken samen te komen. Ironisch genoeg namen de nu geschorste Nederlandse zusterkerken (GKv) het idee over, maar zij wijzigden het lidmaatschap zodat het ook kerken kon omvatten waarmee een “tijdelijk kerkelijk contact” tot stand was gekomen. Dit kwam erop neer dat de FRCA bijeenkwam met afgevaardigden van kerken waarmee we geen kerkelijk contact onderhielden.

 

De ICRC heeft nu bijna 30 kerkverbanden als leden. De eerste voorlopige bijeenkomst werd in 1982 in Nederland gehouden en daarna in verscheidene delen van de wereld, iedere vier jaar. De FRCA herriep haar lidmaatschap in 1996.

 

De doelen van deze conferentie zijn:

  1. de eenheid in het geloof die de kerken in Christus hebben, tot uitdrukking te brengen en te versterken;
  2. de meest volledige kerkelijke gemeenschap tussen de lidkerken te bevorderen;
  3. de samenwerking tussen lidkerken bij de vervulling van hun missionaire opdracht en andere taken te bevorderen;
  4. gezamenlijke problemen en kwesties te bespreken waarmee de lidkerken worden geconfronteerd en aanbevelingen met betrekking tot deze zaken na te streven;
  5. tegenover de wereld een gereformeerd getuigenis te laten horen.

 

Het probleem is dat de ICRC zichzelf presenteert als verenigd in het geloof en als in een positie om deze doelen te bereiken, terwijl ze eerst deze ware eenheid zou moeten laten zien door zusterkerkrelaties. Dat wil zeggen, deze 5 doelen zouden niet geïmplementeerd moeten worden vóórdat zusterkerkrelaties tot stand zijn gekomen. Alleen van doel 2 – het bespreken van verschillen met het oog op zusterkerkrelaties – zou gezegd kunnen worden dat het een legitiem doel is voor een dergelijke conferentie. Maar er is weinig bewijs dat door deze bespreking van verschillen zusterkerkrelaties tot stand zijn gekomen. In werkelijkheid werd een voorstel van de FRCA om in de grondslag op te nemen dat leden “bereidheid zullen tonen om eenheid na te streven met lidkerken van de Conferentie in hun eigen land”[1] door de ICRC niet overgenomen. Integendeel, wat we zien is een verklaring van eenheid in geloof louter op basis van het lid-zijn van de ICRC.

 

Hebben de deelnemende kerken werkelijk eenheid in geloof? Neem, bijvoorbeeld, de PCEA (Presbyterian Church of Eastern Australia, vert.). De FRCA zocht daarmee een zusterkerkrelatie, maar die kon niet tot stand komen omdat zij een open avondmaalstafel hadden, waarbij mensen op grond van zelfgetuigenis en zonder confessioneel lidmaatschap (van de PCEA of een zusterkerk) worden toegelaten tot de viering van het heilig avondmaal. Zij staan ook predikanten van andere religieuze gemeenschappen (niet-zusterkerken) toe om in hun erediensten te preken, en tolereerden de leringen van een vooraanstaande predikant (hun woordvoerder tijdens de laatste ICRC) die de kadertheorie van de schepping voorstond. Is het dan eerlijk om te zeggen dat er eenheid in het (ware) geloof is tussen de kerken die lid zijn van de ICRC?

 

Of neem de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Heel lang hebben zij geweigerd om de wettigheid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt in 1944) te aanvaarden. Zij werden lid van de ICCC (Internationale Raad van Christelijke Kerken, vert.), hielden vast aan de pluriformiteitsidee over de kerk, traden toe tot de RES (Gereformeerde Oecumenische Synode, vert.) totdat het onhoudbaar werd, en sympathiseerden met de ‘buitenverbanders’. Zij tolereerden Schriftkritiek van hun prof. dr. B.J. Oosterhoff en prof. dr. J.P. Versteeg, die de historische gebeurtenissen van Genesis 2&3 symbolisch opvatten. Toch geven de kerken van de ICRC uitdrukking aan de “eenheid in het geloof die de kerken in Christus hebben”.

 

Dan zijn er ook de Heritage Reformed Congregations (een Noord-Amerikaanse afsplitsing van de Gereformeerde Gemeenten, vert.). Volgens hun website “hebben de gedoopte kinderen veel van de uiterlijke weldaden van de kinderen van God. Totdat zij echter wedergeboren zijn door de Heilige Geest blijven zij buiten de zaligmakende weldaden van het genadeverbond”. Dit lijkt veel op de verderfelijke leer van de veronderstelde wedergeboorte waaraan wij in 1944 zijn ontkomen, toch? Zijn de ICRC werkelijk verenigd in dit geloof? Nauwelijks.

 

In het licht van de ongelijkheid in hetgeen wordt geloofd of toegestaan kan men zich verwonderd afvragen hoe de kerken kunnen samenwerken in doel 3: samenwerking bij de vervulling van hun missionaire opdracht en andere taken. Dit kan beslist alleen worden gedaan door kerken die een zusterkerkrelatie tot stand brachten, die daarmee een eenheid in het geloof tonen en die elkaar verantwoordelijk kunnen houden. Terecht heeft de FRCA eens verklaard over de ICRC: “Bij het tot stand komen van zusterkerkrelaties (cursivering JN) is interkerkelijke samenwerking in zending en andere zaken mogelijk”.[2] Het vervullen van het zendingsbevel (Matth. 28:19,20) en andere opdrachten die aan de kerk zijn gegeven kan alleen wanneer de kenmerken van de ware kerk van onze Here Jezus Christus aanwezig zijn.

 

Hetzelfde is van toepassing op doel 4: “gezamenlijke problemen en kwesties te bespreken waarmee de lidkerken worden geconfronteerd en aanbevelingen met betrekking tot deze zaken na te streven”. Ook dit kan beslist alleen worden gedaan als een zusterkerkrelatie tot stand is gekomen, als er een erkenning is dat de kenmerken van Christus’ ware kerk duidelijk aanwezig zijn. Ik citeer weer uit de FRCA Acta van de Synode 1985: “Binnen zusterkerkrelaties (mijn cursivering, JN) is ook het bestuderen en oplossen van gezamenlijke problemen en kwesties mogelijk”.[3]

 

En als het gaat om doel 5 – tegenover de wereld een gereformeerd getuigenis laten horen – heb ik niet veel daarvan zien gebeuren. Tenminste niet als ICRC, wat het doel is. Maar ook zie ik niet in hoe dit kan gebeuren wanneer alle lidkerken als gereformeerd (d.w.z. zich gelovig onderwerpend aan Gods Woord en de gereformeerde belijdenissen) worden aanvaard terwijl er een ongelijkheid is in leer, in afwijkingen die door lidkerken worden getolereerd, en in kerkelijke praktijk. Bovendien is het zeer de vraag of een dergelijke taak toebehoort aan een vergadering van niet-zusterkerken. Zoals de FRCA Synode 1985 uitsprak: “Zusterkerken hebben de plicht elkaar te bemoedigen een gereformeerd getuigenis tot de wereld te doen uitgaan”. Het is een opdracht voor iedere individuele gemeente van de Here om zichtbaar te worden in het dagelijkse leven van haar leden (Zondag 12 & 32).

 

Hetgeen wij belijden over Christus’ kerk in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis dreigt voortdurend te worden ondergewaardeerd. Eén van de manieren waarop dit gebeurt is door een eenheid in het ware geloof uit te spreken, zoals de ICRC doet, terwijl een dergelijke eenheid in het ware geloof, uitgedrukt in gehoorzaamheid aan Gods Woord, niet tot stand is gekomen door de erkenning van elkaar als zusterkerken in de waarheid. Voordat de doelen 1, 3, 4 en 5 kunnen worden uitgeoefend, moet er eerst een zusterkerkrelatie zijn, gebaseerd op hetgeen wij belijden in artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, een eenheid in leer en toepassing van de waarheid van Gods Woord. Zoals wij belijden: de ware kerk “richt zich naar het zuivere Woord van God, verwerpt alles wat daarmee in strijd is en erkent Jezus Christus als het enige Hoofd”. In werkelijkheid bevordert de ICRC, in hetgeen zij zegt te zijn en in haar doelen, het denominationalisme en de idee van de pluriformiteit van de kerk, door kerkelijke eenheid en activiteit buiten de grenzen van de (ware) kerk aan te bieden en uit te oefenen. Als zodanig heeft zij geen Schriftuurlijke wettigheid.

 

[1] Acta FRCA Synode 1983, artikel 84; 1987, artikel 110.

[2] Acta FRCA Synode 1985, artikel 79, grond 9.

[3] Ibid., grond 10.