De eredienst (4): De heilige handeling van het collecteren

Hieronder het vierde deel in de serie van ds. M.J.C. Blok over de eredienst. In dit artikel wordt ingegaan op de collecte tijdens de eredienst.

 


 

De Heilige handeling van het collecteren. Zo noemt ds. Dirk Sikkel in zijn boek, “Eeredienst, prediking, ambt” het collecteren in de kerk.

Ik weet niet, of wij het allen zo wel zien, maar wij zullen het zo wel al meer moeten gaan zien. Iets anders zou het trouwens ook moeilijk kunnen zijn in een samenkomst, die het karakter draagt van een ontmoeting tussen de HEERE en Zijn volk.  Zo zegt Sikkel het zelf ook: het kan in de samenkomsten van de gemeente niet iets anders zijn dan een heilige handeling, anders was het hier niet op zijn plaats en hoorde het hier niet thuis.

Immers, wat betekent het, dat er in de samenkomsten van de gemeente gecollecteerd wordt? Toch dit, dat Jezus Christus Zijn kerk onderhoudt ook door haar haar “middelen van bestaan” te verschaffen, en dat de gemeente van haar kant ook belijdt, dat Christus haar ook in deze dingen onderhoudt? Waar de gemeente haar gaven offert in de collecten, daar belijdt zij dit.

De gaven, die in de collecten geofferd worden, zijn dan ook gaven rechtstreeks aan Christus: het is een (priester)dienst van de offeranden. Wij geven onze gaven niet “aan” de kerk of “aan” de diaconie, maar aan Christus vóór de kerk of vóór de diaconie of voor de vele arbeid in het koninkrijk van God, waartoe de kerk in deze wereld geroepen wordt.

Het is dus niet zo, dat de kerk bestaat bij de gratie van de mensen die véél kunnen geven en dat de kerk zich van hen dus afhankelijk moet voelen.

De kerk heeft geen bronnen van bestaan in de wereld. Mensen of instellingen ouderhouden de kerk niet. Jezus Christus onderhoudt Zijn kerk, Hij is de énige bron van haar bestaan, ook van haar “stoffelijk” bestaan, om het eens raar en eigenlijk verkeerd te zeggen. Alsof de kerk tweeërlei bestaan zou hebben, een “geestelijk” en een “stoffelijk” bestaan. Zij heeft één bestaan, één leven uit een geestelijke rots, die met haar meegaat, en deze Rots is de Christus, 1 Kor. 10. Een mooie tekst voor ons dankuur voor gewas en arbeid!

Christus moet dus aan de kerk haar middelen van bestaan geven. Hoe doet Hij dat? Wijlen ds. J.C. Sikkel heeft het eens zo gezegd, in een brochure over “Het brood der kerk”: Het brood van de kerk is in de handen, die het brood van de aarde gewinnen. Haar stoffelijk goed, dat haar naar recht van de HEERE toekomt, ligt in de schuren en magazijnen, waarin de handen van de mensen hun goederen bergen. Het ligt in de zakken en kasten, in de boeken en papieren, in al de bezittingen van de mensen, die zij in de arbeid op stoffelijk en financieel gebied van dag tot dag en van week tot week vergaderen. Daar ligt het brood van de kerk. En daar roept het tot God om recht.

Maar het mag door de kerk uit die schuren en kasten, uit die lonen en winsten, uit die bezittingen en kapitalen niet met geweld worden genomen, niet door koopmanschap harerzijds worden bedongen en niet als een bedelbrok door haar worden aangenomen.

Nee, het moet haar om Gods wil, om Zijn heilig recht, om Zijn heilige ordinantiën, om Zijn heilig Woord, om Zijn naam en koninkrijk, om Zijn Christus en Zijn Gemeente, gewillig, vrijwillig worden gegeven, als haar eigen wettige brood, dat haar naar recht, naar goddelijke ordening toekomt. Zo heeft Sikkel het gezegd. Zo zag hij de Christus aan Zijn kerk haar brood geven. Christus doet het, door ons eerst de middelen die nodig zijn tot instandhouding van het kerkelijk leven te laten verdienen in ons bedrijf en door onze arbeid, en door ze ons vervolgens vrijwillig te laten geven.

Maar dat geven is dan een teruggeven aan Christus, uit Wiens handen de kerk het dan in haar collecten ontvangt.

In deze zin kan dan ook alleen maar gesproken worden van een “offeren”. Waar wij in geloof en dankbaarheid aan Christus geven, daar is het pas een offer. Maar daar is het dan ook altijd een offer. Of ons geven in de collecte een “offeren” is, dat wordt niet bepaald door de kwantiteit maar door de kwaliteit (dus de gezindheid) van onze gave. Al bestaat er natuurlijk tussen de kwaliteit en kwantiteit een bepaalde correlatie. Waar wij in de offergave onszelf aan de Christus geven, daar kan met recht van een óffer gesproken worden, want daar zeggen wij in ons geven: Jezus Christus, dit wat ik U geef, dat is van U, want het is van U gekomen, en ik geef het u, niet als het mijne maar als het Uwe. Volgens 1 Kron. 29:14. Zo is het ook een geven in geloof en blijdschap. In het geloof zullen we het zien en erkennen, dat wij van Christus ontvangen hebben om ook aan Hem weer terug te geven.

Achter dit alles ligt dus wat de Schrift zegt: de aarde is van de HEERE en haar volheid. Ook van ons bezit is de HEERE de eigenaar, en in dit licht komt ook ons “rentmeesterschap” uit.

Hier ligt trouwens nog veel meer in. Ook dit, dat wij kunnen bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood. Want alleen als de HEERE óns ons brood geeft, kunnen wij mee zorgen voor het brood van de kerk. Beter gezegd: wij bidden in deze vierde bede eigenlijk om niets anders dan om het brood van de kerk. Maar ons gebed om dagelijks brood krijgt hier, in verband met de heilige handeling van het collecteren, nog een bijzondere pleitgrond. Zo geeft Christus dus aan Zijn kerk haar bestaansmiddelen door de gaven, die door onze harten en handen gaan. Hij geeft ons, opdat wij kunnen geven. Hier ook geldt het woord van Jezus: het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven, Joh. 4:14. Zo voorziet Hij in de nood van de kerk, en zo ontvangt de kerk de vervulling van haar nooddruft van Hem. Wat hier van de kerk gezegd is, geldt van voorziening in de “nooddruft van de heiligen” natuurlijk evenzeer. Christus voorziet in hun nooddruft, ook door de diaconale zorg, naar het gebod dat Hij Zijn kerk hiertoe heeft gegeven.

Vandaar, dat aan de kerk ook door niemand haar diaconale zorg ontnomen mag worden en daarvoor geen andere zorg in de plaats mag treden. Zij moet zich de eer van deze zorg ook niet laten ontnemen. Het aanvaarden van staatsarmenzorg voor armen maakt haar op den duur onherroepelijk tot staatskerk. Met de noodlottige gevolgen van dien. Ook het geven in de diaconale collecten is een geven aan Christus, Die de middelen ter verzorging in die collecten aan de broeders diakenen in handen geeft.

Zo is dus te spreken van de heilige handeling van het collecteren, want ook hierin komt uit de ontmoeting tussen de HEERE en Zijn volk in Christus.

De Christus doet dan Zijn recht gelden, ter wille van Zijn kerk en Zijn behoeftigen, op datgene dat Hij zelf eerst daartoe heeft gegeven. En in haar offeren belijdt de kerk dan, dat zij zich door de Christus laat onderhouden.