De ark van God (2)

In dit tweede deel van de brochure door ds. R.H. Bremmer wordt stilgestaan bij de pluriformiteitsleer inzake de kerk.

 


 

Pluriformiteit en confessie
Eén van de eerste vragen, die in dit geschrift aan de orde moeten komen, is wel deze: Is de gangbare “mening” over de zogenaamde pluriformiteit, (hoe dan ook uitgewerkt) te verbinden met de Gereformeerde belijdenis? Kunnen wij zeggen, dat iemand, die voor zichzelf de pluriformiteit aanvaardt, “staat op de grondslag van de drie Formulieren”?

Kuyper was op dit punt eerlijk. Hij erkende, dat er een kloof gaapte tussen de confessie en de leer der pluriformiteit. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd. Hier ligt een diep ingrijpende kwestie. De Gereformeerde Kerken zeggen immers te belijden de Drie Formulieren van Eenheid. Maar juist op zo’n belangrijk punt als dat van de leer is er een sterke confessionele onklaarheid. Omstreeks 1920 is er een poging gedaan opheldering te brengen. Dr. Buizer, die de leer van de pluriformiteit aanhing, diende op grond daarvan een gravamen in tegen art. 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat immers spreekt van de ware en de valse kerk. De synode heeft dat gravamen afgewezen, omdat zij van mening was, dat de belijdenis zich wel verdraagt met de leer der pluriformiteit.

Dr. K. Dijk (een synodale hoogleraar, MV) heeft toen een poging gedaan deze uitspraak wetenschappelijk te funderen. Hij heeft voor de Gereformeerde predikantenconferentie een referaat gehouden, dat uitgegeven is onder de titel: Buiten de Kerk geen Zaligheid, Artikel 27 tot 29 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Het is van belang dit referaat vandaag opnieuw te overwegen. Daarin immers vindt u alle argumenten bijeen, die de aanhangers van de leer der pluriformiteit hebben aangevoerd om deze theorie te kunnen blijven combineren met het aanvaarden van de belijdenis. Het referaat is bovendien verschenen vóór Schilder zijn aanvallen op de pluriformiteit begon en geeft dus een zekere afsluiting van het debat, tot het opkomen van de nieuwere reformatorische stroming (een beweging in de jaren 1930 en later, waar Schilder deel van uitmaakte, MV). Het geschrift is voorts een typisch voorbeeld van het zogenaamde “interpreteren” van de belijdenis, waardoor, met handhaving van de tekst van de belijdenis, er een geheel andere inhoud in wordt gelegd.

Dr. Dijk bespreekt in dit geschrift eerst art. 27 van de belijdenis en natuurlijk komt onmiddellijk de kwestie naar voren, over welke kerk art. 27 spreekt. Is die dezelfde als in de art. 28, 29 en 30, of heeft de belijdenis hier een andere kerk op het oog? Gaat het in art. 27 over de onzichtbare kerk naar Kuyperiaans model en pas later over de zichtbare geïnstitueerde kerk? Het is interessant de gang van het betoog te volgen.

Dr. Dijk meent, dat art. 27 niet handelt over de geïnstitueerde kerk. “Van dit instituut kan immers niet gezegd: Deze kerk is geweest van het begin van de wereld af en zal zijn tot het einde toe, evenmin: ook mede is deze heilige kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats…… maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld, terwijl de eenheid waarvan hier sprake is, geen instituaire of confessionele eenheid is, maar aldus omschreven wordt: nochtans samengevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in eenzelfden Geest, door de kracht van het geloof”.

Waar spreekt dit artikel dan over? Dijk zegt: “Op die vraag geven de uitdrukkingen ‘enig en katholiek, heilige vergadering, ware vergadering der Christgelovigen’ enz. het antwoord, want deze wijzen alle op de ene Christelijke kerk als lichaam van Christus, als de tempel van de Heere, als de bruid van Christus, als de Gesammtheit van alle gelovigen, die zich over het rond der aarde verspreidt”.

Het is duidelijk, wat dr. Dijk wil. Art. 27 zou handelen over het onzichtbare lichaam van Christus, dat gedacht wordt als het geheel van de uitverkorenen, los van en als het ware achter de concrete geïnstitueerde kerken te denken.

Maar dr. Dijk weet wel, dat hier de Achillespees ligt van zijn gehele constructie. En er was althans één dogmaticus in zijn dagen, die deze constructie doorzag. In noot 66 geeft Dijk ook blijk, dat hij deze stillen opponent kent. Hij verwijst hier naar een reeds eerder door hem vermeld gevoelen van T. Bos in diens Negen Dogmatische Onderwerpen, waarin deze kritiek oefent op het hanteren van het begrip “lichaam van Christus”. Het citaat is te mooi om het hier niet in zijn geheel over te nemen.

“Wij moeten”, zegt T. Bos, “wanneer wij in de taal van de belijdenis spreken, niet redeneren over het zogenaamde mystieke Lichaam van Christus. Van dat mystieke Lichaam van Christus kan niet gezegd worden, dat er daarin onder de goeden hypocrieten of geveinsden vermengd zijn. Van dat mystieke Lichaam van Christus kan ook niet gezegd, dat het uit het gehele menselijke geslacht wordt vergaderd, “van het begin van de wereld af”. Dat zogenaamde mystieke Lichaam van Christus moet van eeuwigheid zijn, en…… onvermengd, zonder geveinsden er onder. Over zoiets wordt in onze Belijdenisgeschriften niet gehandeld. Er wordt gehandeld over de algemene christelijk Kerk”.

Dijk vermeldt deze mening van Bos, zonder er echter diep op in te gaan. Dat is jammer, want Bos treft hier het kuyperiaanse kerkbegrip in het hart. Hij heeft scherp gezien, dat Kuyper de kerk verlegt van het concrete vergaderen van Christus in de tijd naar het speculatief in de eeuwigheid gestelde Lichaam van Christus.

Dr. Dijk doet deze diepingrijpende opmerking van T. Bos af met de opmerking: “Wij spreken hier niet over het gevoelen van ds. Bos, dat nl. van het mystieke lichaam van Christus niet gehandeld wordt. Dit dogmatisch geschil is voor ons onderwerp van minder belang, daar ds. Bos erkent, dat hier de Ecclesia invisibilis (onzichtbare kerk) bedoeld wordt”.

Maar dr. Dijk heeft Bos hier niet nauwkeurig gelezen. Bos zegt niet, dat in art. 27 van de onzichtbare kerk sprake is, zoals dr. Dijk suggereert, maar hij zegt, dat de belijdenis hier handelt over inwendige genadegaven. “Die inwendige genadegaven kan men niet zien, en daarom kan men dat de onzichtbare zijde van de vergaderden of van de Kerk noemen”. Zo ziet men, hoe de werkelijk diep ingrijpende kritiek van de zijde van de oude A-theologen, om een uitdrukking van de schrijvers van Rondom 1905 (een bekend boekje in de tijd van de Vrijmaking van 1944, MV) te gebruiken, werd ter zijde geschoven met een nietszeggende opmerking.

Dr. Buizer legt in zijn gravamen K. Dijk ook ’t vuur na aan de schenen. Hij wijst op de uitdrukking uit art. 27: hoewel zij soms een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen van de mensen – dat kan toch alleen van de zichtbare Kerk gezegd worden?

Dr. Dijk is inderdaad door deze opmerking in ’t nauw gebracht. Hij antwoordt: “Hier moet worden toegegeven, dat de opsteller een ogenblijk denkt aan hetgeen wij van de Kerk zien, want dat kan, als in de dagen van Elia zeer klein zijn, maar uit dit enkele tussen gevoegde woord, volgt allerminst, dat de Confessie in dit gehele artikel de Ecclesia visibilis (zichtbare kerk, MV) op het oog zou hebben”. Het is duidelijk, dat zo toch niet kan weggeredeneerd worden, dat de belijdenis ook in artikel 27 wel duidelijk de concrete kerkvergadering van Christus op het oog heeft en niet het vaag-speculatieve lichaam van Christus.

Bij dr. Dijk’s bespreking van art. 28 van de belijdenis komt een interessante kwestie naar voren, die in de latere jaren in het debat tussen K. Schilder en V. Hepp (een synodale hoogleraar, MV) weer actueel werd. Immers, dr. Dijk krijgt nu te behandelen de belijdenis, dat er buiten de kerk geen zaligheid is. Hij geeft toe aan Maresius (een theoloog uit de 17e eeuw, MV), dat de belijdenis hier handelt over de zichtbare kerk. Maar de kuyperiaanse onderscheidingswellust heeft onmiddellijk weer een argument bij de hand om aan de klem van de confessie te ontkomen. Dijk voert nu een onderscheiding in, welke hij bij Calvijn meent te kunnen vinden. Hij zegt, dat het hier gaat over de Ecclesia visibilis (de zichtbare kerk), zonder de nadere onderscheiding tusschen de Ecclesia universalis (universeele kerk) en de Ecclesia oppidatim et vicatim (de kerk in de afzonderlijke steden en plaatsen).

Het gaat hier om een uitdrukking van Calvijn in de Institutie (Boek 4, 1, 9), welke in het pluriformiteitsdebat een grote rol heeft gespeeld. Calvijn zegt daar: “dat de algemene kerk een veelheid en menigte van mensen is, uit allerlei volken vergadert, dewelke wel in verscheidene plaatsen en landen verstrooid is, maar nochtans in één en de zelfde waarheid van de Goddelijke leer overeenstemt, en door de band van één en dezelfde Religie verknocht is en samengevoegd.” Dat zou dan zijn de beschrijving van de Ecclesia universalis (de algemene Kerk) waarvan dr. Dijk boven sprak.

Maar Calvijn vervolgt dan: “Dat onder deze algemene Kerk alle bijzondere kerken, die naar de eis van de menselijke noodzakelijkheid in steden en dorpen geordend en opgericht zijn, zo verstaan dienen te worden, dat ieder daarvan met recht de naam en het gezag van de kerk voert en bezit.”

Zowel Dijk als Hepp hebben uit deze bekende Calvijnplaats de conclusie getrokken, dat er volgens Calvijn tweeërlei kerk zou zijn.

Dijk formuleert het zoo: “Geen enkele der Hervormers staat op het standpunt, dat de zichtbare kerk in het institutaire opgaat, maar zij hebben wel terdege onderscheiden tussen de singulae Ecclesiae (afzonderlijke kerken), d.w.z. de plaatselijke geïnstitueerde kerken, en de Ecclesia universalis (de algemene kerk) die nader omschreven kan worden als het geheel van allen, die op enigerlei wijze met Woord en sacrament in aanraking zijn gekomen”.

Hepp trekt een enigszins andere conclusie uit deze plaats van Calvijn, die echter in hoofdtrekken met die van dr. Dijk overeenstemt. Hij schrijft: “De geïnstitueerde kerk is allereerst ecclesia generalis (algemene kerk). Zij is kenbaar aan de bediening van Woord en Sacrament. Naast haar kan geen ware kerk bestaan. Anders staat het met de singulae ecclesiae (afzonderlijke kerken). Tussen deze bestaat verschil in plaats, maar tevens ook in opvatting van leer. Elke singula ecclesia, waarin de hoofdwaarheden der Schrift worden gepredikt, al moge zij in andere afwijken en de Sacramenten worden uitgereikt, moet als een ware kerk worden erkend. Natuurlijk wist Calvijn, dat op een en dezelfde plaats soms meer dan één vergadering zich als kerk presenteerde. Daarvoor maakt hij echter geen voorbehoud. Hij zegt niet: op één plaats kan slechts één singula ecclesia de ware zijn. Nee, elke kerk, die aan de zo-even genoemde voorwaarde voldoet, is als een ware te beschouwen. Zelfs, al zou die nog leven onder de pauselijke hiërarchie”.

Wie dan ook de pluriformiteit van de kerk loochent, is volgens Hepp een slecht leerling van Kuyper en Bavinck, en blijkt niet meer de volle rijkdom van hun levenswerk te kunnen zien. Geen wonder, dat over dit Almanakartikel de strijd losbarstte en Hepp’s beschuldiging van epigonisme de aanleiding werd tot het geweldig persdebat, dat uiteindelijk leidde tot de leerbeslissingen van 1942.

Schilder heeft toen in een lange reeks Reformatieartikelen Hepp betwist, toen hij de bovengenoemde Calvijnplaats juist interpreteerde. Met een o.i. dwingende bewijsvoering toonde hij aan, dat Calvijn er niet over denkt twee kerken te onderscheiden, een universele en een plaatselijke kerk, met dien verstande, dat meerdere plaatselijke kerken onder de ene universele kerk inbegrepen zijn, en tegelijk ware kerk zouden kunnen zijn. Die afzonderlijke kerken, die in verschillende steden en dorpen ‘opgericht en geordend’ of ‘verdeeld’ zijn, zijn dat vanwege de geografische noodzakelijkheid. “Ze zijn verdeeld, ze liggen uit elkaar om geografische redenen, en nergens anders om. Amstelveen en Amsterdam, Kampen en Mastenbroek liggen nu eenmaal een eindje van elkaar”. Wel zegt Calvijn, dat ze onder de algemene kerk zijn ‘begrepen’ of ‘vervat’, maar dat wil zeggen, dat “nu die enkele afzonderlijke kerken (in steden en dorpen) alleen maar geografisch uit elkaar liggen, nu zijn ze onder een instituut van de algemene kerk verenigd, of kunnen althans later daaronder zich voegen, zodra het kerkverband met zijn eisen van eenheid tot hen komt”.

Daarmee stort zowel het betoog van Dijk als van Hepp ineen, die met hun onderscheidingsvaardigheid, uit Calvijns spreken van een algemene kerk en van kerken over dorpen en plaatsen verdeeld, al een argument voor de pluriformiteit gedistilleerd hadden.

Zoals wij boven zagen, trachtte Dijk zich met deze onderscheiding te ontdoen van Maresius’ uitspraak, dat het “buiten de kerk geen zaligheid” wel degelijk óók op het instituut slaat.

Terecht, en dat is ’n waardevolle opmerking, wijst dr. Dijk er nog op, dat artikel 28 zich mede richt tegen de Anabaptisten, die de prediking verwaarloosden en dat de vaderen daarom met kracht hebben gesteld, dat er buiten de kerk geen zaligheid is, aangezien het Woord het voornaamste middel der genade is. Maar onbegrijpelijk is dan juist te meer zijn opmerking, dat artikel 28 geen enkele aanleiding geeft “om dit axioma (nl. buiten de kerk geen zaligheid) te betrekken op de kerk als instituut, alsof zij alleen het privilege van de heilsuitdeling zou bezitten”.

Het is intussen interessant het betoog verder in zijn kronkelpaden te volgen. Uiteraard stelt ook artikel 29 de auteur voor grote moeilijkheden. Dijk stelt eerst de vraag, die ook vandaag nog actueel is, of artikel 29 met de onderscheiding van ware en valse Kerk bedoelt een beeld van de werkelijkheid te geven “of wijst het het ideaal en de norm aan, die aan de beoordeling van de Kerk ten grondslag liggen?” Het antwoord is “Het karakter van de belijdenis eist het laatste, want een Confessie wordt niet opgesteld om toestanden te beschrijven of slechts bestaande verschijnselen te tekenen, maar om de waarheid van het Woord van de HEERE, die als regel geldt voor alle leven, te vertolken en zo is het ook hier……”.

We zouden zoo zeggen: een goed begin om artikel 29 recht te verstaan.

Het in en uit redeneren, uit de polemiek over de synodale verbondsleer zo welbekend, was echter ook toen al niet ongewoon. Want dr. Dijk merkt op, dat “al stelt de Confessie de norm van de Schrift, zij voor de notae Ecclesiae falsae (de kenmerken van de valse kerk) de trekken ontleend heeft aan de openbaring van de Roomse Kerk, en dus aan de in het begin van de 16e eeuw bestaande werkelijkheid”.

Artikel 29 begint wel met de woorden, dat men met goede voorzichtigheid nauwgezet UIT HET WOORD VAN GOD behoort te onderscheiden, welke de ware kerk zij, en Dijk geeft aanvankelijk wel toe, dat de kenmerken niet uit de praktijk, maar uit het Woord moeten worden afgeleid, maar als het er op aankomt, schrijft hij toch rustig neer, dat de vaderen de kenmerken van de valse kerk hebben beschreven vanuit de werkelijkheid van de Roomse Kerk en daarmee heeft hij de weg gebaand om deze kenmerken niet toe te passen op de concrete werkelijkheid van zijn tijd.

Zoo heeft hij ook de weg geopend voor zijn conclusie, dat de pluriformiteit niet door de belijdenis veroordeeld wordt. Kuyper was nog van mening, dat ze niet te rijmen viel met de belijdenis, zijn leerlingen gaan een stap verder en menen van wel. Uit de “milde” houding van Calvijn tegenover de Luthersen en uit het feit, dat de Gereformeerden nog wel wilden erkennen, dat er in het Roomse instituut gelovigen zijn, meent Dijk te kunnen concluderen, dat de vaderen de ware kerk niet wilden vereenzelvigen met de Gereformeerde. Zodat hij tot deze merkwaardige uitspraak komt: “al had hij (nl. de Brès) de overtuiging: de Gereformeerde Kerk beantwoordt aan de kentekenen van de ware, en de Roomse komt overeen met de notae (kenmerken, MV) van de valse Kerk, de Confessie zegt allerminst dat Gereformeerde en ware, Roomse en valse Kerk geheel en al samenvallen”. Nu kan ook de conclusie uiteindelijk worden getrokken: “Het is niet de vraag of de veelvormigheid van de Kerk door de Reformatoren met zoveel woorden geleerd wordt, en in de Confessie is opgenomen, maar of zij door hen veroordeeld, en door de Belijdenis buitengesloten wordt. En op die vraag moet m.i. ontkennend worden geantwoord”.

De pluriformiteitsidee van dr. Kuyper is zo binnengehaald in de kerk, en de belijdenis wordt niet langer gelezen vanuit haar eigen tekst en opzet, maar vervormd en verwrongen naar een aan haar wezen vreemde idee. De confessoren (degenen die belijdenis afleggen, MV), die met mond en hart het stuk van de Kerk beleden hebben, worden terzijde gesteld en tot stemmen gemaakt in een koor, dat het lied van de pluriformiteit aanheft, althans volgens het door dr. Dijk ontworpen en aan de Confessie opgelegde schema.