Wat verwachten we van de prediking (1)

In de erediensten van de Gereformeerde Kerken staat de preek centraal: de verkondiging van Gods Woord voor Zijn volk. In een drietal korte artikelen, geschreven in 1965, is ds. M.J.C. Blok (1914-1976) ingegaan op de vraag: wat mogen wij verwachten van de prediking?[1] Ook voor deze tijd nog actueel! Onderstaand geven wij het eerste artikel weer.

 


 

 

Wat verwachten we van de prediking

“Over de preek praten” is iets, dat onder ons niet vreemd is gelukkig, al gebeurt het toch wel te weinig.

 

Laten we ook in onze gesprekken maar bezig zijn met het Woord, dat Christus ons ’s zondags doet verkondigen. Maar dat zal dan ook de opzet en het doel van ons gesprek moeten zijn, dat we met elkaar over dat verkondigde Woord spreken. Dan kunnen we elkaar ook nog helpen in het verstaan van dat woord.

 

Uit dat gesprek over de preek kunt u intussen ook leren, wat er soms van de prediking verwacht wordt en hoe ernaar geluisterd wordt. En dan is het niet te ontkennen, dat er ook wel eens vreemde verwachtingen uitgesproken worden. Dat er van de prediking iets verwacht wordt, dat aan die prediking zelf vreemd is, omdat het aan de kerk vreemd is en omdat het vreemd is aan datgene wat Christus met zijn kerk begeert te doen.

 

Om dat “vreemde” te kunnen onderscheiden, wil ik nu eerst iets zeggen over wat we van de prediking in de kerk mogen en moeten verwachten. Wat moeten wij willen horen, wanneer wij ‘s zondags naar de kerk gaan? Dat is een vraag, waarop natuurlijk niet ieder zo maar op zijn eigen houtje een antwoord kan geven. Wij zijn niet vrij om van de prediking te verwachten wat we zelf willen. We zijn ook in dezen met ons oordeel en onze verwachtingen gebonden door het Woord Gods.

 

Het karakter der prediking wordt bepaald door het karakter van het gemeenschappelijk samenzijn waarin gepreekt wordt. Dat is het samenzijn van de gemeente Gods, van het volk des verbonds in deze wereld.

 

De preekstoel staat op een bepaalde grondslag: die van het verbond Gods met zijn volk. Zodat prediking dus is de verkondiging van het Woord des HEEREN voor en over het volk des HEEREN.

 

Dit is dus een van de eerste dingen, die van de prediking verwacht mogen worden en die wij daarin moeten willen horen: hier wordt niet maar een willekeurig groepje mensen “toegesproken”, maar het volk des verbonds, dat door Jezus Christus als zijn eigendom wordt gekend. Wanneer wij dit nu weten – en het geloof in de Schriften wéét dit! – dan gaat het erom, wat de HEERE nu in zijn Woord aan zijn volk openbaart, en dít zal uit de prediking gehoord en herkend moeten worden.

 

Welnu, wie als lid der kerk, zich bewust van zijn gemeenschap met het volk des HEEREN, het Woord Gods leest en onderzoekt ook voor zichzelf, die hoort daarin klinken de belofte, de roeping en de bedreiging van het verbond Gods.

 

De belofte, dat de HEERE getrouw is om zijn volk te zegenen met zijn verlossende genade in de Heer Jezus Christus.

 

De roeping, waarin de HEERE vraagt om deze Heer Jezus Christus nu ook in zijn genade-heerschappij te erkennen en te dienen in heel het leven. En de dreiging, die de HEERE uitroept over hen, die in zijn verbond deze roeping verachten en deze Heer Jezus Christus als hun Heiland verwerpen.

 

Dit alles horen wij uit het Woord Gods, zo vaak wij dit lezen en onderzoeken. In dit alles openbaart de HEERE ons, wie Hij voor zijn volk is, wat Hij van zijn volk vraagt en daaraan doet. Daarom zal dit dan ook in de verkondiging van het Woord des HEEREN gezegd en gehoord moeten worden, en daarom zal het dit ook zijn, wat wij van de prediking moeten verwachten, wat wij daarin willen horen. Wij zullen als het centrale, het allesbeheersende daarin moeten verwachten de verlossende genade van de Heiland Jezus Christus en de verlossende roeping (want Gods roeping is altijd verlossend), die daarin en daarmee tot de kerk komt.

 

In de vele variaties, die het Woord Gods zelf op dit thema biedt en die in de prediking terugkeren, zal dit altijd als het centrale begeerd moeten worden.

 

Zo geeft de Schrift dus zelf ons leiding voor de verwachtingen, die wij omtrent de prediking mogen koesteren.

 

En ons gesprek over de prediking, waarin wij ook zeggen, dat we “aan de preek gehad hebben”, zal daarom aan deze leiding der Schrift onderworpen moeten zijn.

 

Als we dit vasthouden, kunnen we ook onze gesprekken over de prediking voortzetten, en elkaar, in gelovige onderwerping aan het Woord, helpen en bijstaan in het verstaan van de prediking.

 

Maar dan zullen we ook kunnen onderscheiden de “vreemde” verwachtingen, waarmee de prediking soms tegemoet getreden wordt en waarnaar zij dan beoordeeld en besproken wordt. Over enkele van die “vreemde” verwachtingen een volgende keer.

 

[1] Deze artikelen zijn: M.J.C. Blok, ‘Wat verwachten we van de prediking’, Stichtse-Klanken, mededelingenblad van de Gereformeerde Kerken van Utrecht-Centrum en Utrecht-Noord-West, jaargang 1, no. 8 (21 mei 1965); ‘Vreemde verwachtingen van de prediking’, Idem, jaargang 1,no. 10 (4 juni 1965) en; ‘De prediking, die wij mogen verwachten’, Idem, jaargang 1, no. 13 (25 juni 1965).




Paastroost in levensvermoeiing

Met Kerst wordt stilgestaan bij de geboorte van de Here Jezus Christus. Voor de Here Jezus was Zijn geboorte het begin van Zijn lijden op aarde; het is daarom ook goed om stil te staan bij het einde van Zijn leven op aarde – Kerst kan niet zonder Pasen. Ook wordt richting het einde van het jaar door velen teruggeblikt op het afgelopen jaar. Deze terugblik kan gemakkelijk leiden tot de klacht van Prediker: “welk voordeel heeft hij die werkt…?”.

 

In een preek over Prediker 3:9-22 heeft prof. B. Holwerda (1909-1952) Gods Woord verkondigd onder het thema “de Christelijke levenshouding ten aanzien van het feit, dat de zin van onze arbeid ons ontgaat”. Deze preek is na zijn overlijden in een brochure gepubliceerd onder de titel “Paastroost in levensvermoeiing”. Een preek die het verdient om aan het einde van het jaar bij een terugblik te lezen.

 


 

PREDIKER 3: 9-22

Welk  voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt?

Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.

Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.

Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven, ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.

Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht. Wat er is, was er al, en wat er zijn zal, is er al geweest. God zoekt wat voorbijgegaan is.

Verder heb ik ook gezien onder de zon: op de plaats van het recht, daar was goddeloosheid, en op de plaats van de gerechtigheid, daar was onrecht.

Ik zei in mijn hart: De rechtvaardige en de goddeloze zal God oordelen, want er is een tijd voor elk voornemen en voor elk werk.

Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf als de dieren zijn.

Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een en hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een en dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.

Zij gaan allen naar één plaats: zij zijn allen uit het stof en zij keren allen terug tot het stof.

Wie merkt op dat de adem van de mensenkinderen naar boven stijgt en de adem van de dieren naar beneden daalt naar de aarde?

Zo heb ik ingezien dat er niets beter is dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel. Wie zal hem immers zo ver brengen dat hij ziet wat na hem gebeuren zal?

 

 

Liturgie

Lezen: Prediker 2:11­ – 3:9

Tekst: Prediker 3:9-22

Zingen: Psalm 61:1,2

”         Psalm 61:3

”         Psalm 21:1-6

”         Psalm 84:4,6

 

 

Geliefden in de Here Jezus Christus,

 

Wij hebben Pasen gevierd en gedachtenis gesticht van Hem, die dood geweest is en Hij leeft. Want Jezus Christus heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. En dat betekent, dat wij voortaan heel ons leven mogen, maar dan ook moeten voeren in het licht van Christus’ geopende graf. Heel ons leven, zeg ik, staat in dat licht. Dus wordt Pasen niet pas belangrijk op het ogenblik, waarop we weten, dat we sterven gaan, omdat er toch geen kruid voor gewassen is; maar dit heilsfeit is onze rijkdom ook, zolang we midden in dit leven staan, met zijn alledaagse werk, met zijn gewone vreugden, en met zijn heel gewone moeiten. Zo heeft Paulus het ons geschreven. Want als hij zijn prachtige opstandingshoofdstuk, 1 Cor. 15, schrijft en de heerlijkheid van de opgestane Christus verkondigt, is zijn eindconclusie: „Zo dan geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Here” (vs 58). Onze arbeid niet ijdel vanwege Pasen.

 

Maar daar staan in dezelfde bijbel ook heel andere woorden over onze arbeid. We hebben zoëven samen gelezen, wat de eindconclusie was van de Prediker, toen hij heel diep had nagedacht over de zin van de arbeid. En zo stralend en blij als Paulus is, zo down en triest is de Prediker: „Ik wendde me tot al de werken die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid dien ik werkende gearbeid had; ziet het was al ijdelheid en kwelling des geestes; en daarin was geen voordeel onder de zon” (2 : 11). „Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes” (2 : 17). „lk haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal” (2 : 18). „Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon” (2 : 20). „Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen zijns harten. die hij is bearbeidende onder de zon? Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Dat is ook ijdelheid” (2 : 22, 23). Scherper tegenstelling ten aanzien van hetzelfde thema is kwalijk denkbaar. De één zegt: uw arbeid is niet ijdel in den Here; de ander houdt vol: het is allemaal ijdelheid en kwelling des geestes. De één wekt op: zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Here, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Here. De ander zegt: wat heb je aan je werk? Je dagen zijn smarten, en zelfs des nachts kom je innerlijk niet tot rust. Ik haat dit leven; ik haat ook de arbeid.

 

Is dit verschil een kwestie van karakter? De één een optimist, de ander een pessimist? Maar beiden spreken ze uit het geloof. Paulus, doch de Prediker niet minder.

 

Neen, het is dit: tussen Paulus en Prediker ligt de hof van Jozef en het lege graf van Christus. Paulus had meer van Gods heilswerk gezien dan de Prediker, en daarom kon hij dan ook meer zeggen. En als u over uw leven, over uw werk en de zin daarvan denkt, sla Paulus op en wees getroost. Maar sla toch ook nooit de Prediker over, want ook wat hij zei, is waar. Ze hebben allebei gelijk; en u hebt ze daarom ook allebei nodig. Als ik alleen maar de Prediker had, ik zou vergaan in al mijn smart en rouw. Als ik alleen aan Paulus dacht, ik zou me misschien overgeven aan een ijdel idealisme. Want Paulus schreef wat hij geloofde, en de Prediker schreef wat hij had gezien. Maar ze hebben beiden gelijk, en u mag om uws levens wil er niet één negeren: de één was zalig, omdat hij niet zag en toch geloofde; de ander is zalig, omdat hij wel zag en toch ook geloofde. En als we dus vanmorgen naar den Prediker gaan luisteren, dan vergeten we Paulus niet en Pasen niet; maar we gaan met den Prediker de levenswerkelijkheid zien, zoals die vandaag nog is; en we willen die werkelijkheid zien in het licht van Pasen. Zo verkondig ik u dan

de Christelijke levenshouding ten aanzien van het feit, dat de zin van onze arbeid ons ontgaat. Want die zin van ons werk en dus van ons leven ontglipt ons, dank zij drie dingen:

  1. de vloek van de vergankelijkheid
  2. de ergernis van de eentonigheid
  3. het kwaad van de corruptie.

 

1. Onze tekst begint: „Wat voordeel heeft hij, die werkt van hetgeen hij bearbeidt?” Dat is in wat andere woorden dezelfde benauwde en beklemmende – ik zou haast zeggen: wanhopige – vraag, die we ook tegenkwamen in 2 : 22: „Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen zijns harten? Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet: zelfs des nachts rust zijn hart niet”. Maar tussen die beide verzen in heeft de Prediker zo het een en ander gezegd, dat bij het lezen van onze tekst in rekening moet worden gebracht. Want hij begon dit hoofdstuk met te zeggen. dat alles een bestemde tijd heeft; dat elk „voornemen”, d.w.z. elke handeling, elk gebeuren hierbeneden zijn tijd heeft. Nu moet u dat goed verstaan. Want wat bedoelt hij met dat „tijd“? Nietwaar, ik kan zeggen „alles op zijn tijd”, ik kan zeggen: alles heeft een bepaalde tijd: er is een tijd om op te staan, en een tijd om naar bed te gaan: een tijd om te werken en een tijd om te eten. Zo heeft alles zijn tijd. Je kunt niet alles tegelijk doen, je moet je handelingen over verschillende tijdstippen verdelen. Anders loopt alles hopeloos in de war. „Alles op zijn tijd” dat betekent: niet alles tegelijk, alles in de juiste orde. Maar dat bedoelt de Prediker hier niet. Als hij zegt: „alles heeft een bestemde tijd”, wil hij zeggen: alles duurt maar een bepaald ogenblik, en dan is het weer voorbij. Alles komt maar één keer, en dan wordt het meegesleurd door de stroom van de tijd; dan is het al weer verleden, en het keert niet weer terug.

 

Dat merkt u wel bijzonder in de voorbeelden, die hij noemt: dat zijn allemaal tegenstellingen: een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te lachen, en een tijd om te wenen; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken. Alles heeft zijn tijd – dat betekent dus: aan alles komt een eind.

 

U moet maar eens naar die voorbeelden kijken, van die simpele voorbeelden uit het leven van elke dag, en het is u in één keer duidelijk. Hij begint met een grote gebeurtenis in huis: een moeder krijgt een kindje; dat is maar een gebeurtenis voor een moment, en de vreugde daarover is zo weer voorbij: een jaar of wat, en dan gaat die jonggeborene van nu sterven. Hij gaat naar de akker, en ziet een boer in het voorjaar zijn planten zetten in de tuin; maar even, dan komt het najaar, en de aanplant wordt van het veld gehaald, en de akkers liggen weer even kaal en verlaten, als toen in het voorjaar het plantseizoen begon. Daar is een metselaar, die stenen bij elkaar brengt. want er moet een huis worden gebouwd: maar die bouwtijd is toch maar kort; straks staat het huis er en wordt bewoond; en nog een jaar of wat: het huis komt in verval; en op een dag besluit men tot de afbraak. Dan is alles weer voorbij, weer net als vroeger. Hij ziet een jongeman in de tijd van de jonge liefde. en hij glimlacht: er is een tijd om te omhelzen. Maar de tijd gaat vlug: wat later ontmoet hij diezelfde jongeman opnieuw: de fut en de veerkracht is er uit, zijn rug is gebogen, zijn haren grijs, hij heeft zijn vrouw begraven: hij is ver van de omhelzing. En de Prediker schudt het hoofd: zo is het nu met alles; het is er even, en dan is het weer voorbij. Alles heeft zijn tijd: dat is niet de leus van een kalme meneer die zich niet laat opjagen en niet nerveus wordt als ieder staat te dringen op haast; maar dat is het trieste woord van een man in de kerk, die het overal gezien heeft: je begint iets te bouwen, vol verwachting, vol idealen; net alsof het de eeuwen verduren zal; en een poosje later behoort alles al weer tot het verleden, het heeft zijn tijd al weer gehad.

 

Toen kreunde hij: wat voor zin heeft het? Wat bereik je…. nu ja, met alles? Een wieg betekent wat later een graf; en elke planting eindigt met oogst en uitrukking; een huis in aanbouw wil zeggen: over zoveel jaar een karweitje van afbraak; en een stralend-verliefde jongeman is na een tijd een somber-gebogen weduwnaar; een land in vrede herken je na verloop van tijd niet meer, zo is het dan geruïneerd door een oorlog; een huismoeder hanteert vandaag de naald: de kinderen moeten er netjes uitzien; en hoelang duurt het, of ze verscheurt dezelfde stof en geeft het mee aan de voddeman! Ik weet wel, het ene is tragischer dan het andere; maar elke vreugde slaat om in leed, elke lach wordt een traan, iedere verrukking eindigt in een ontzetting. Hoe kun je zo het leven aan?

 

Daarom heeft de Prediker dan ook gelet op de bezigheden, waarmee God de mensen zich laat aftobben: babyverzorging en metselwerk, liefdesverkeer en huishouding, landbouw en politiek; maar het einde is overal eender: wat bereik je ermee? Alles is slechts voor een tijd.

 

O nee, nu slaat hij niet door. Hij zegt niet: het is toch niets gedaan, het is alles waardeloos. Dat het einde bitter is verhindert hem niet te erkennen, dat het begin schoon was; hij verdoemt de lach niet, omdat hij straks plaats maakt voor tranen; maar hij verheerlijkt evenmin de lach, alsof het altijd lachen zo. Hij kan met een glimlach de jongeman zien gaan met zijn meisje; hij zegt niet wrang en bitter: wat een dwaas, die zich overgeeft aan een illusie. Maar hij zegt wel met een diepe trilling in zijn stem: hoelang zou het duren, dan loopt één van die twee gebroken weer alleen en eenzaam.

 

Zo staat het hier immers: God heeft elk ding schoon gemaakt op zijn tijd: het is mooi, als de wieg te voorschijn wordt gehaald; het is een fijn ding, als jongelui de liefde zien komen in het leven; het is een glorie. als het voorjaarswerk weer komt; de boer op de akker, de metselaar op de steiger, de huisvrouw achter haar naaiwerk. Hij is niet verbitterd geworden, deze man; hij herinnert zich, hoe vrolijk hijzelf was als bruidegom, hoe trots als jonge vader, hoe moedig toen hij zijn werk begon. Hij heeft al die gloriedagen achter zich, maar de herinnering is schoon, want het was alles inderdaad prachtig. Maar zijn stem is gedempt, en zijn toon weemoedig; enthousiast over het leven kan hij niet meer worden, want het was alles slechts voor een moment.

 

En dat is de smart: niet dat die momenten niet schoon zijn, maar dat ze zo vluchtig zijn; dat een hoogtepunt telkens wordt gevolgd door een dieptepunt, zodat we nooit lang op de bergen van het geluk kunnen vertoeven. En toch hunkert elk mensenkind naar het blijvende geluk, naar de vreugde die niet meer eindigt; hij wil op de bergen blijven. En dat verlangen in hem is ook van God; het is hem ingeschapen; want – zo staat hier – God geeft de mens schone ogenblikken; maar Hij heeft ook de eeuw in zijn hart gelegd. Wat dat is, begrijpt u wel uit de tegenstelling tussen het „ogenblik” en de „eeuw”. Zo kort als het ogenblik is, zo lang duurt een eeuw; het tijdstip is voorbij, voor we het weten; maar de eeuw is het blijvende; het tijdstip is een punt, de eeuw de lijn; het tijdstip een fragment, de eeuw het geheel, dat blijft; het tijdstip flitst voorbij als een beeld op de film; de eeuw echter betekent de continuïteit. Welnu, God heeft dien mens zo geschapen, dat hij niet leven kan bij een enkel schoon moment. God heeft in zijn hart het verlangen gelegd naar wat blijft. Dat is de smart, dat de mens die het heimwee heeft naar de doorgaande en opgaande lijn, naar de blijvende stad, naar de ogenblikken van rijkdom en enkele momenten van geluk. Al wil hij nog zo graag, hij kan de schoonheid van de trouwdag niet vasthouden, want een dag later is het alweer voorbij en hij moet teren op de herinnering aan wat was. Goed, dan beleeft hij naderhand nog wel eens van die rijke ogenblikken: de dag waarop zijn eerste kind geboren werd, de dag waarop hij een plaats kreeg in het leven, de dag waarop hij een eervolle promotie maakte, de dag van een jubileum, maar dan heb je het toch ook gehad. En ondertussen is al die vroegere heerlijkheid hem al uit de vingers geglipt; de tand des tijds heeft aan alles geknaagd. Hij kan die schone fragmenten niet binden tot een schoon geheel, hij kan die punten niet maken tot een opgaande lijn van glorie. Want zijn leven is één zigzaglijn, omhoog-omlaag, planten-oogsten, bouwen-breken, naaien-scheuren; hij mag een serie hoogtepunten bereiken, daartussen liggen de afgronden.

 

Is er dan geen doorgaande lijn? Jawel, zegt de Prediker, en u merkt hoe diepgelovig deze man is; jawel, maar die maken niet wij, doch God. Wij zitten met punten die we nooit kunnen maken tot een rechte lijn, want het zigzagt allemaal; we hebben geen enkel schoon moment kunnen vasthouden en doortrekken tot in de eeuwigheid. Wij kunnen onze idealen hebben, onze dromen dromen, ons een program maken; we kunnen zeggen, dat we van ons leven wat willen maken, dat we ons een toekomst gaan bouwen. Maar we kunnen het niet, want als we de tweede schone dag beleven, is de eerste allang voorbij en ongedaan gemaakt door iets ergs. Wij hebben aan die brokstukken niet genoeg, want ons hart hunkert naar het schone geheel; en toch blijven we zitten, allemaal, met brokstukken en met de herinneringen daaraan, we kunnen geen van allen uit die flarden iets maken. God werkt zijn program in ons leven af, God verbindt al die momenten, God trekt een lijn van hoogtepunt naar dieptepunt, en via die zigzaglijn krijgt God me tenslotte daar waar Hij me hebben wil; maar het is een heel andere weg, dan die ik begeerde; ik wilde op de hoogte blijven, maar Hij doet me na elke bergtop in een afgrond tuimelen; ik wilde mijn rijkdom vasthouden, maar Hij die eerst alles gaf, ontnam me daarna het een na het ander. En waarom Hij het zo doet, en wat Hij met me voorheeft, wat zijn program in mijn leven is, waarom Hij naar zijn voorzienigheid mijn weg zo maakt, daar kom ik nooit achter. In het beste geval zie ik er eens een stukje van, maar ik kan dit werk nooit van a tot z uitvinden. Er zit wel lijn in mijn leven, alleen ik kan die niet zien; ik weet niet, waar God begint, ik weet ook niet, waar Hij uitkomen wil; en voor mijn besef is die lijn zo verschrikkelijk krom, het gaat nooit rechttoe-rechtaan, ik word heen en weer geworpen tussen bergen en afgronden.

 

Nu begrijpt u de benauwing van die vraag: wat voor voordeel heeft de mens die werkt van al zijn gezwoeg. Deze mens heeft de eeuw in zijn hart, het heimwee naar de blijvende stad en de eeuwige vreugde; en dat staat hem voor ogen, als hij te werken begint; hij heeft zijn ideaal, zijn droom, en hij gaat grijpen naar het onvergankelijk resultaat van al zijn zwoegen. Maar er is niet één hier in de kerk, die zijn ideaal bereikt; want we komen niet verder dan enkele momenten van geluk, verspreid, sporadisch, onsamenhangend, en vooral zo eindeloos vluchtig. Wat moet ik nu in vredesnaam gaan bouwen, als God elke steen me uit de handen slaat en die te pletter werpt? Wat ik vandaag opzet, ligt morgen misschien al in puin; het geluk, dat ik nu in mijn handen houd, ligt zo meteen aan scherven. Wat moet ik nu doen? Moet ik tobben op mijn trouwdag? Moet ik wenen, als ik een kindje op mijn armen houd? Moet ik bang zijn voor het geluk, omdat ik het toch niet vasthouden kan? Moet ik maar helemaal niet meer lachen, omdat ik niet weet, wanneer ik schreien zal? Moet ik maar helemaal geen lied meer zingen, omdat het me zo op de lippen besterven kan?

 

De Prediker zegt twee dingen: punt één: God maakt elk ding schoon op zijn moment; punt twee: de samenhang ontgaat ons, wij komen niet achter zijn program. Maar daarom heeft hij ook twee dingen geleerd: ik heb gemerkt, dat er niets beters voor hen is, dan zich te verblijden en te genieten van het leven; gelukkig de man, die eet en drinkt en het goede van zijn arbeid geniet. Dat is een gave van God. Als God, al is het ook voor nog zo kort, een ding in mijn leven schoon maakt, en het als een genadegave in mijn handen legt, als een schoon geschenk, waarmee Hij mij verblijden wil, dan mag ik niet zeggen: ik lust het niet, want ik krijg het slechts voor even. God zegt: neem wat Ik u geef; het is mijn geschenk aan u. Daarom moet de jongeman een liedje fluiten en zijn meisje neuriën, als de liefde in het leven komt; ze mogen niet huilen, maar stralend moeten ze de gang maken naar het stadhuis: maakte God dat geschenk niet schoon op dat moment? Als God me een kind geeft, dan mag ik niet vragen: zou ik het lang mogen hebben; want God zegt: Ik maak dit moment schoon van geluk; geniet zo lang u het genieten mag. Als uw zaken goed gaan, eet en drink uw brood met vreugde, grijp de blijdschap, laat het u smaken, want het is God die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.

 

Maar nu punt twee: u verlangt wel naar het eeuwig geluk, maar u bouwt het niet. Dat doet God alleen, en u vindt nooit uit de weg waarlangs Hij gaat. Wat u onderneemt, dat is slechts voor een moment, dan is het voorbij. Maar al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn; alleen wat Hij van uw leven maakt, dat houdt stand. U werkt nooit uw levensprogram af, zoals u dat zelf uitgestippeld hebt, maar Hij werkt zijn program met uw leven af; en daar komt u niet aan te pas. U zegt: o uur, vertoef, u bent zo schoon; u wilt het vasthouden; maar Hij zegt: o uur, vertrek, want lk moet verder op mijn weg. Hij die u eerst lachen deed, laat u nu wenen; Hij die u geboren deed worden, laat u sterven of schakelt u uit op een moment, dat u zelf zegt: ik was nog lang niet klaar. Hij zegt: mijn program is afgewerkt, u hebt in uw tijd mijn raad gediend; Ik heb u verder in de wereld niet nodig. uw gaven niet, uw talenten niet. En dan duurt het ook geen minuut langer; want wat u bouwt is maar voor een moment, maar wat Hij bouwt blijft eeuwig; en daaraan doet niemand toe of af. U zegt: van berg tot berg, van kracht tot kracht, van heerlijkheid tot heerlijkheid; Hij zegt: mijn weg met u, die naar uw eeuwige bestemming voert, rechttoe-rechtaan, die weg van Mij loopt over bergen én dalen, gaat via kracht en zwakheid over wieg en graf, over opbouw en afbraak; Hij neemt zijn weg ook over afgronden en puinhopen; en daar valt niet aan te wrikken. Maar Hij doet dat, opdat we zouden „vrezen voor zijn aangezicht”. Dat betekent niet: angst voor Hem; maar het is kinderlijk ontzag en kinderlijk vertrouwen tegelijk. Wij kunnen zijn plan met ons leven nooit doorgronden; wij komen er nooit achter, hoe Hij van de zigzaglijn de rechte wegen maakt die ons leiden naar het doel. Wij zeggen vandaag: opbouw, en morgen: afbraak; wij lachen vandaag en wenen morgen. Het is een chaos, en wij kunnen er niets van maken; maar Hij bouwt ons leven door opbouw en afbraak. door lach en traan, al weten wij niet hoe. Hij zegt: u behoeft dat ook niet te begrijpen; geloof Mij maar, want ik ben Vader; en ik ben God. Welk voordeel hebben we van alles wat we ondernemen? Ik zie het niet. en ik kom er hier ook nooit achter; ik kan alleen maar geloven, dat God uit die verwarde chaos mijn geluk bouwt tot in eeuwigheid; ik kan alleen maar vertrouwen, dat Hij uit die brokken mijn huis bouwt, eeuwig in de hemelen; ik kan alleen maar geloven, dat Hij als God-en-Vader al die losse momenten samenvoegt en al die punten maakt tot een rechte, opgaande lijn van zaligheid.

 

En als u dus een mooi moment hebt in uw leven, grijp het aan, en geniet ervan; straal op uw liefdedag, en vraag niet, hoe kort het mogelijk duren zal; maar aanvaard de gave van nu met blijdschap; lach, als God u te lachen geeft, en maak u niet bezorgd over de tranen die komen gaan, maar geloof, dat God uit lach en traan samen de eeuwige blijdschap bouwen gaat. Als uw werk vlot, doe het met vreugde, geniet er intens van; vraag op dat moment niet, wanneer u scheuren moet: als u bouwt, tob dan niet over de dag van afbraak; droom ook niet van almaar bouwen, en almaar lachen; klem u niet vast aan eigen program en eigen ideaal, maar geloof, dat God uw woonstede bouwt, eeuwig in de hemelen, ook door de afbraak hierbeneden. Geloof, dat Hij die de eeuw in uw hart legde, en het heimwee naar de blijvende stad, zelf langs zijn eigen ondoorgrondelijke wegen uw heimwee verzadigen gaat en u brengt naar zijn blijvende stad. Zo zei het de Prediker, en zo predik ik het u vandaag.

 

Ligt er dan geen Paasdag tussen hem en mij? Ja zeker, maar Pasen heeft niets veranderd aan de stijl van ons leven; wij ook, we kunnen niet meer dan genieten van het leven, zolang het te genieten valt; en wee ons, wanneer we dan niet zouden genieten; want het is een gave Gods die ik niet verachten mag. Maar wij ook, we kunnen voor de toekomst niet anders doen dan geloven; we mogen niet proberen het leven in eigen hand te nemen, en er zelf wat van te maken; want alleen wat God bouwt verduurt de eeuwen, en wij doen daaraan niet toe of af. Het geschenk is voor een moment, en daarom de vreugde vluchtig; de gave is schoon op zijn tijd, en dus de blijdschap kortstondig; maar God gaat door, en wat Hij bouwt, dat is eeuwig. En daar begrijp ik nooit iets van; daarom moet ik elke dag geloven. De blijdschap is ons gegeven slechts voor een voorbijgaand ogenblik; het geloof is ons geboden voor alle dagen. En zo komt er toch een vaste lijn in mijn leven: de momenten van vreugde en de dagen van droefheid, ze zijn samen opgenomen in het ene werk Gods, dat eeuwig blijft; daarom zijn ook mijn stralende lach en mijn fel verdriet slechts te verbinden in het ene geloof, dat al mijn dagen omspant.

 

Kan ik blijven geloven, als ik er niets van zie? Ja, want voor dat geloof heeft Pasen betekenis. Ik ben nog niet opgestaan, en nog niet gekomen tot de eeuwige vreugde; ik moet die geloven, precies als de Prediker ook. Maar mijn geloof heeft vaster fundament dan het zijne, omdat Christus is opgestaan. Want het is in Christus toch eenmaal te zien gegeven, dat al die kromme zigzaglijnen samenkomen in het eeuwige leven. U vergeet het toch niet, dat Christus ook hetzelfde leven heeft geleefd als wij, met die enkele hoogtijdagen en met die velerlei afbraak? Hij is geboren; het was maar een moment; toen is Hij gestorven, en alles lag weer stuk. Hij heeft zijn moeder omhelsd, toen God dat geschenk Hem gaf, en het schoon maakte op zijn tijd. Maar Hij was ver van omhelzen, toen Hij aan het kruis haar zag staan, en haar overdroeg aan Johannes. Hij heeft de grote dag van opbouw beleefd, toen de scharen kwamen, en Hij verheugde zich in de geest. Hij heeft ook zijn laatste discipel zien vluchten in de nacht van het verraad. Hij heeft gelachen, toen Hij als kind van twaalf jaar Jeruzalem en de tempel voor het eerst zag; Hij heeft ook geweend over Jeruzalem en de tempel voor het laatst verlaten. Toen ging Hij sterven, en toen was het schijnbaar alles uit. Ook bij Hem, den Middelaar Gods en der mensen, waren alle dingen slechts schoon geweest op hun tijd; en ook Hij moest stervend het alles gelovig in de handen van de Vader leggen. Maar toen werd het Pasen, en Hij kwam uit het graf. Toen bleek, dat het werk des Vaders in alle eeuwigheid was, en dat zijn geloof niet beschaamd werd; toen waren de dingen voor Hem niet zeer schoon op hun tijd; immers: o Heer, de Koning is verheugd om uw gedacht vermogen; en met wat blijde zielevreugd zal Hij door àl uw daan verrukt ten reie gaan; Hij heeft, o God, van U begeerd het onverganklijk leven, Gij hebt het Hem gegeven. Nu zijn de dagen Hem vermeerd, nu leeft de Vorst altoos, nu leeft Hij eindeloos. En Gij geleidt Hem op het spoor der vreugde bij het licht van ’t godd’lijk aangezicht. God had de eeuw ook in zijn hart gelegd, nu mocht Hij de eeuw aanschouwen.

 

En wat betekent dit nu voor ons? Niet, dat ons leven nu veranderd is; we hebben nog dezelfde korte vreugden over de gaven Gods; en voorts hebben wij slechts te geloven, omdat nog niet een van ons het werk Gods van het begin tot het einde doorgrondt; wij zien nog niet. Maar Christus ziet na zijn opstanding, wat Hij daarvóór precies als wij moest geloven. Maar Hij ziet vandaag, dat het werk Gods in der eeuwigheid is; dat al Gods schijnbare zigzagwegen de regelrechte weg naar de glorie zijn; Hij heeft nu ontvangen het loon op de arbeid zijner ziel, en Hij weet dus uit ervaring, dat een mens toch eeuwig voordeel heeft van al de arbeid onder de zon, die ijdel scheen vanwege de vloek der vergankelijkheid. En daarin ook is Hij de eersteling van degenen die ontslapen zijn. Wij zien het ook nog niet, net zo min als de Prediker; maar toch is wat de Prediker en wij samen moeten geloven, in Hem zichtbare en tastbare werkelijkheid geworden. En daarom hebben wij vaster basis onder ons geloof; want het is in Christus reeds vervuld. Daarom hebben wij ook vaster fundament onder onze momenten van blijdschap; want het einde is toch – dat is op de Paasdag in Christus zichtbaar geworden – verzadiging van vreugde, en de lieflijkheden aan Gods rechterhand, eeuwiglijk.

 

2. Maar er is nog iets dat de Prediker benauwde; hij zat niet alleen met het raadsel van de zigzaglijn, waarin de vloek der vergankelijkheid openbaar werd; maar hij tobde ook over de vraag, welke zin de arbeid heeft vanwege de ellende der eentonigheid. Daar is niet alleen de moeite, dat elk hoogtepunt achterhaald wordt en daarom ongedaan gemaakt wordt door een dieptepunt; maar daar is ook kwelling, dat er behalve een zigzaglijn in ons leven is een cirkelgang. Dat noemt hij elders in dit boek breder, doch ik beperk me nu tot wat hij in vs. 15 erover zegt: hetgeen geweest is, dat is nu; en wat wezen al, dat is alrede geweest.

 

Wat is de tragiek van al ons werken? Niet maar, dat al het resultaat van ons zwoegen ongedaan gemaakt wordt, doordat de vergankelijkheid erin heerst, zodat de huismoeder die vandaag iets nieuws maakt, over enkele maanden met de vodden zit, en de metselaar die nu werkt aan een huis-in-aanbouw straks moet komen voor de afbraak; maar dat zit ook in de eentonigheid, de herhaling, omdat we telkens hetzelfde moeten doen.

 

Als we werken, dan willen we verder komen; je wilt de stijgende lijn van opbouw. Maar de Prediker heeft ook gezien, dat je niet verder komt. Soms is vanwege de vergankelijkheid in één slag al je moeite voor niets geweest. Doch ook al is dat niet het geval, dan moet je toch telkens weer hetzelfde doen.

Ach, u weet dat wel: de huismoeder heelt elke dag hetzelfde eentonig gangetje: de slaapkamers doen, stof afnemen, eten koken, de vaat, en morgen is het weer precies zo. En do arbeider op de fabriek staat elke dag aan dezelfde machine, en doet dezelfde vervelende handgrepen. Nu, de een heeft wat meer variaties in zijn werk dan de ander, doch niemand ontkomt eraan: almaar hetzelfde, almaar die sleur en die herhaling, en die eentonigheid. Dan ben je je hele leven druk, en op de laatste dag doe je nog hetzelfde als toen je begon. En noem het eens wat breder dan één mensenleven: in de geschiedenis ook, we kunnen heel grote woorden zeggen over vooruitgang; maar het is dwaasheid: voor een eeuw deden ze het werk wat anders, meer met de hand, dan wij; maar het werk is hetzelfde gebleven. Adam moest de hof bebouwen; op de jongste dag zullen de boeren nog bezig zijn op het land. Dat betekent: in al die eeuwen kom je in feite geen stap verder. Maar wat voor zin heeft ons werken dan?

 

Wat bereik je? Als er morgen vergeleken bij vandaag geen achteruitgang komt, omdat de dood alles verijdelt, dan is er morgen de stilstand en kunnen we weer precies hetzelfde doen. Als er geen zigzagbeweging is, dan draaien we wat in een cirkeltje rond. Je zou soms met de Prediker dat dode werk, altijd hetzelfde, kunnen gaan haten.

 

Dat is weer het grote verschil tussen Gods werk en dat van ons. Want van God staat hier, dat „Hij het weggedrevene zoekt”. Daar zijn al heel wat verklaringen van gegeven; ik geef nu alleen maar die, welke in dit verband me de enig juiste lijkt. Letterlijk staat er: God zoekt het achtervolgde. D.w.z. God alleen is in zijn werken op weg naar dat, wat wij vruchteloos najagen. Denkt u maar aan zoëven: wij hebben de eeuw in ons hart, het heimwee naar wat blijft, ook het heimwee naar de toekomst. Maar terwijl wij daarmee geen stap verder komen, zoekt God wat wij tevergeefs najoegen; Hij komt verder; morgen is Hij verder dan vandaag. Op de scheppingsmorgen zei Hij tot Adam: bebouw de hof. Op de jongste dag zegt Hij het tot de laatsten mens: bebouw de hof. De mensen zijn geen stap verder gekomen, het was bij hen alles stilstand; maar God kwam zo van het begin tot het einde. U is wel eens in een groot warenhuis geweest, met een roltrap: u verzette geen voet, en u kwam toch verder.

 

Nu, dat is uw leven: u doet elke dag hetzelfde, en zo, terwijl u stil staat, brengt God u tot uw einde, en de wereld tot haar voltooiing. U ziet elke dag dezelfde kralen, maar zo komt, zonder dat u het ziet, Gods ketting klaar.

 

Wat kunnen we dus doen? Wel, hetzelfde van zo pas: hebt u schik in uw werk, vooral als het nieuw is, doe het dan met vreugde: die schoonheid legt God in elk begin. Maar als u dag in dag uit hetzelfde moet doen, en de vreugde niet meer kent, omdat de verveling en de eentonigheid u zuchten doen, geloof dan, dat God verder komt, ook al ziet u het niet.

 

Want het is Pasen geweest. D.w.z. toen is zichtbaar geworden in Christus, wat wij bij onszelf alleen maar kunnen geloven. Hij heeft drie jaar op aarde gewandeld: en het was elke dag hetzelfde: prediken, en tekenen doen; optornen tegen het ongeloof en tegen de vijandschap. Was het iets nieuws? Ach, Mozes had dat ook al gekend, en Samuël, en Elia, en Jesaja, en al de profeten, en Johannes de Doper. Wat er bij Hem was, was er allang geweest. Herhaling, geen vooruitgang. En toen hij  stierf, scheen het, dat na Hem weer een ander moest komen, om weer hetzelfde te doen. Maar Hij stond op, en toen zat er opeens de vaart in; God maakte alle dingen nieuw; Hij zei direct tot Maria: Ik vaar op; Hij stortte de Geest uit, en zijn laatste woord was: zie, Ik kom met haast. Geen twee dagen hetzelfde, geen eindeloze herhaling, maar iets volkomen nieuws.

 

Zover is het bij u en mij nog niet: de melkboer komt morgen weer bij zijn vaste klanten, de dominee kruipt weer achter dezelfde boeken. Maar wees getroost: als er morgen iets moois te genieten valt in uw kringloop, geniet ervan; en als de verveling u overvalt, kijk naar Pasen; toen is de doorbraak van de kringloop zichtbaar geworden, en daarmee de belofte aan u verzegeld: ziet, Ik maak alle dingen nieuw; de stilstand gaat baan maken voor de vooruitgang; we komen uit de cirkelgang uit, we komen uit de verveling uit, en uit de zinloosheid; alle dingen worden nieuw.

 

3. Maar de Prediker kende nog een verschrikkelijke nood. Hij zat er immers mee, wat je met je zwoegen bereikte. Hij dacht eerst: als je maar de vruchten oogstte: maar ontdekte, dat al je werk door vergankelijkheid verijdeld wordt. Toen zei hij: kwam je tenminste maar eens iets vooruit; maar hij kwam tot de slotsom: het is altijd hetzelfde. Toen zag hij nog een mogelijkheid: laat je arbeid dan vaak verijdeld worden, laat het telkens hetzelfde zijn. als je dan tenminste nog maar erkenning bij de mensen vond. Als er maar waardering was, zou je daarin toch nog enige zin van je werk kunnen ontdekken. Maar ook die zin ontglipte hem, vanwege het kwaad der corruptie. Want hij gaf aandacht aan de plaats des gerichts; aan die plaats dus, waar mensen oordelen over het werk van de mens, of het goed is dan wel kwaad; waar ook het loon gegeven wordt aan den rechtvaardige, en de zondaar gestraft wordt. Zoals Paulus het zag: dat de overheid er was om de kwade werken te bestraffen en lof te geven voor het goede. Daartoe heeft God de machten verordineerd. Ja, ja, maar daarom doen ze het nog niet. De Prediker zei: ik heb gezien, dat ze er een spelletje van maken; ter plaatse van het gericht heerst goddeloosheid; de lof voor goede werken blijft uit, de straf voor boze daden ook. En wie daarom zou willen werken en zwoegen in de hoop op waardering en erkenning, die loopt zich te pletter tegen het kwaad der corruptie. Ach, wij weten er toch alles van. Wat zien we in de internationale politiek anders dan zwendel? Wat is er terecht gekomen van de erkenning der illegale verdiensten? De mensen die bang waren wisten op het kussen te komen; wie hun leven waagden kwamen voor promotie niet in aanmerking. Mussert werd gefusilleerd, Soekarno werd president. De enige man, die het eerst zijn leven waagde om ons volk wakker te schudden in de eerste oorlogsmaanden, ging heen in zijn graf zonder koninklijke onderscheiding, terwijl het overigens lintjes regende. Laten we er maar niet teveel van zeggen. Maar je zou het verdragen, dat telkens je pogingen mislukten, je zou het ook nog verdragen, dat je telkens hetzelfde moet doen; maar die corruptie zou je doen wanhopen aan alles: de slechten gaat het voor de wind, de goeden worden opzij gedrongen.

 

Natuurlijk, toen zei de Prediker, die geloofde, bij zichzelf: God zal de rechtvaardige en de goddeloze oordelen; juist omdat er voor alle werk slechts een korte tijd is. Ook een corrupte rechtspraak is het werk van mensen. en daaraan komt ook een eind. Die corruptie gaat eens voorbij, en dan komt de rechtspraak van God, en daar gaat het eerlijk toe; daar komt de erkenning en beloning toch, al is het wat laat; daar vindt ook ieder zijn straf, al ontging hij die hier. Ja, zegt vs. 18 in de nieuwe vertaling, Ik zeide bij mezelf in verband met de mensenkinderen: God zal ze scheiden, Hij zal de rechtvaardigen afzonderen van de goddelozen. Maar het was hem moeilijk om dat geloof vast te houden, want (vs. 18 slot) om te zien, zijn mensen eigenlijk beesten bij God. De mens is net zo ijdel als het dier; ze hebben een adem, de mens gaat net zo goed als het dier de dood in; ze gaan allebei naar een plaats, ze zijn allebei uit stof, en ze keren beide weder tot stof. En wat komt er terecht van de oordeelsdag! Wie merkt, dat de adem van de mens bij zijn sterven omhoog stijgt tot God, en die van het dier naar beneden vaart in de aarde? Je kunt wel een verschil tussen mens en dier gelóven, maar krijgt er niets van te zien. Een kip onder een auto doodgereden? Morgen een kind onder een auto vermorzeld! Maakt dat verschil? Ja, voor mensen; die zetten dat ongeluk van een kind in de krant, en maken zich niet druk over een kip. Maar God? God liet ze toch maar beide precies eender sterven. Maakt God in het gericht verschil tussen vroom en goddeloos? Mensen. Hij maakt in het sterven nog niet eens onderscheid tussen mens en dier! In plaats dat Hij de mensen afzondert naar wat ze gedaan hebben, werpt Hij ze bij hun sterven op een hoop met de dieren. Interesseert het Hem wel, wat de mensen bij hun leven deden?

 

O neen, zegt de Prediker, er zit niets anders op, dan dat de mens zich verblijde over wat er mooi is in zijn werken, over dat wat schoon is op zijn tijd; dat is nu eenmaal zijn lot. Vreugde in zijn werken omdat ze een blijvend resultaat geven, is er niet; alles gaat kapot; vreugde omdat ze telkens anders zijn, vindt hij niet; want het is eeuwig dezelfde sleur. Vreugde over erkenning door mensen vindt hij niet, want zelfs de rechtspraak is corrupt; en van het gericht Gods krijg je niets te zien, veeleer het tegendeel. En dan aan het slot de zucht van verlangen: wie brengt hem zover, dat hij te zien krijgt wat na zijn dood geschieden zal? Wie brengt hem tot de dag dat zijn ogen zien, dat God de schapen van de bokken scheidt? Dat Hij het kaf afzondert van het koren? Hoogstens iets moois ondervindt hij, maar de uiteindelijke erkenning bij God kan hij alleen maar geloven. Is het wonder, dat deze man de wanhoop nabij is geweest, en zijn werk heeft gehaat, omdat het niets opleverde dan alleen wat vreugde voor een kort moment?

 

Maar nu voor het laatst: het is Pasen geweest. Neen, u en ik, we zitten nog met hetzelfde probleem van de corruptie, net als de Prediker; we hoeven er niet aan te denken goede werken te doen in de hoop, dat onder de mensen erkenning komt. Wij kunnen alleen maar geloven, dat God ze na dit leven belonen zal; maar dat geloof heeft de schijn tegen. Zo gezien heeft Pasen niets in ons leven veranderd. Maar één ding is veranderd: we hebben bij ons geloof dat God recht zal doen, vaste grond onder de voeten gekregen in de opstanding van Christus. Toen heeft God wat de Prediker en wij geloven, voor een ogenblik zichtbaar gemaakt. U weet het wel: Christus kwam voor Annas, Kajafas, Herodes, Pilatus: en ter plaatse van het gericht was louter goddeloosheid; valse getuigen; Barabbas vrijgelaten, de Onschuldige gegeseld en gedood. Toen stierf Hij aan het kruis. Nog niet eens op zijn bed, maar bespot, gevloekt, verlaten van God en mensen. Dit was een dood, armzaliger nog  dan van een dier; geen beest heeft zulk een verschrikkelijk einde gehad; Hij werd beneden de dieren weggestoten. Toen zei Hij: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest; maar wie merkte, dat zijn geest omhoogvoer tot God? Maar toen de Paasmorgen, toen werd het gezien: God gaf Hem zijn geest terug, deed Hem op zijn voeten staan, en zette Hem in zijn troon, ver boven alle machten en tronen. Toen werd het openbaar, dat het gericht door God gehandhaafd wordt, al was het hier nog niet openbaar geworden. En nu zeg ik: Christus, de Eersteling dergenen, die ontslapen zijn. Wij hebben garantie in zijn opstanding, dat God ook recht zal doen aan ons. Al sterven we dan als een dier, of misschien nog ellendiger dan een dier, vanwege de corruptie in de wereld, het is openbaar geworden, dat God recht doet. En omdat het in Christus gezien is, daarom kunnen wij geloven. En met Paulus zeggen: onze arbeid niet ijdel in de Here.

 

Geliefden, geniet daarom van het goede, dat God in uw werken u geeft; geniet van een omhelzing en een kinderlach, geniet ervan, niet omdat u blijvende resultaten ziet, of omdat u wat nieuws krijgt, of omdat mensen gul zijn met waardering; maar geniet van alles wat mooi is, zolang God het u geeft; geniet van alle ding, dat Hij schoon maakt op zijn tijd, en geniet ervan, omdat het een gave is van Hem.

 

En in de dagen dat de vreugde uit uw leven wijkt, omdat u niet meer omhelzen kunt, en geen hoog kinderstemmetje meer juicht door lange gangen, in de dagen van afbraak en puinhopen, in dagen van verveling en eentonigheid, in dagen van corruptie en geknoei, wees dan maar droevig; maar houd ook dan uw geloof vast, omdat Christus is opgestaan: God maakt ook uit uw ruïnes bouwstenen voor zijn eeuwig huis, en uit uw tranen ook schept Hij de lach der zaligheden, en uit uw dood doet Hij het leven springen tot in eeuwigheid. Dan bent u droevig, als de Prediker en ook als Paulus, maar toch altijd blij, niet om de tijdelijke gave die u ontglipt, maar om het eeuwige leven dat voor u bewaard wordt daarboven bij Christus, het eeuwige leven waartoe u door God bereid wordt door zigzaglijn en cirkelgang en door corruptie ook; want Christus leeft, als Eersteling; en daarom weet ik het: de lieflijkheen van ’t zalig hemelleven zal eeuwiglijk zijn rechterhand mij geven. Amen.

 


 

We merken ter afsluiting kort het volgende op.

  1. Wat opvalt bij deze preek is haar heilshistorisch karakter; ook bij deze niet-historische stof van het Oude Testament wordt er door prof. Holwerda ten volle mee gerekend dat tussen Paulus en Prediker “(…) het lege graf van Christus” ligt. Het blijkt de Schriftuurlijke sleutel tot verstaan van Prediker die “(…) schreef wat hij had gezien”, zonder tegenstelling met Paulus die “(…) schreef wat hij geloofde”.
  2. Het aloude verwijt dat Schriftuurlijke, gereformeerde preken (sommigen noemen dat ‘vrijgemaakte preken’) dogmatisch en niet-persoonlijk zijn, gaat in ieder geval niet op voor deze preek!
  3. Door prof. Holwerda is zelf de tijdigheid van het leven sterk ervaren toen zijn dochter op jonge leeftijd overleed. Deze preek is gehouden op 20 maart 1952; slechts tien dagen daarna, op woensdag 30 april 1952, overleed prof. Holwerda zelf. Het is een groot gemis geweest voor de Gereformeerde Kerken dat deze intelligente maar vooral gelovige hoogleraar de kerken op zo jonge leeftijd is ontvallen. Om het met de woorden van uitgerekend deze preek te zeggen: “(…) Hij die u geboren deed worden, laat u sterven of schakelt u uit op een moment dat u zelf zegt: ik was nog lang niet klaar. Hij zegt: mijn program is afgewerkt, u hebt in uw tijd mijn raad gediend; Ik heb u verder in de wereld niet nodig, uw gaven niet, uw talenten niet”. We zien hier de woorden terugkomen die prof. Holwerda ook heeft gebruikt bij het sterven van prof. Greijdanus en prof. Schilder; woorden ontleend aan het Schriftwoord in Hand. 13:36: “na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben”.



Het oude verhaal

In De Gereformeerde Kerken worden een drietal kenmerken beleden (zuivere prediking, sacramentsbediening en tuchtuitoefening) waaraan de ware kerk te herkennen is (zie bijv. art. 29 NGB). Veel christenen zijn van mening dat het niet uitmaakt bij welke kerk je behoort: het gaat er erom dat de preken nog ‘goed’ zijn, de kerk echt ‘thuis’ voelt – en hoe dan ook, aan de hemelpoort zal niet worden gevraagd van welke kerk je lid bent geweest! Op deze laatste opmerking is ds. J. van Raalte (1894-1982) ingegaan in een pastoraal artikel in een kerkblad wat wij onlangs terugvonden (ongedateerd). We geven dit artikel hieronder weer.

 


 

Het oude verhaal

Er is een oud verhaal, dat blijkbaar maar niet uitsterven wil; wat ik ook best kan begrijpen, omdat er zoveel mensen zijn, die het nodig hebben ter geruststelling van hun geweten.

Vandaag – dat wil zeggen: toen ik het even op klad noteerde; wij zijn nu al weer enkele dagen verder – heb ik het voor de zoveelste maal nog eens weer door iemand horen vertellen.

Het is een eigenaardig verhaal.

Misschien zit er nog wel een restje in van de oude roomse zuurdesem; want het is wonderbaar, hoe lang sommige dingen bij de mensen kunnen blijven hangen! Ik heb mensen wel eens dingen horen vertellen, die nog overblijfsels waren van het oude Wodanisme; van het oude germaanse heidendom.

En dat waren dan mensen, die lid waren van een Gereformeerde Kerk! Waarom zou er dan niet iets zijn overgebleven van Rome? Bij de Roomsen hoor je, als je met hen in aanraking komt, ook soortgelijke verhalen vertellen als ik nu op het oog heb.

Uit hun mond heb ik meermalen op zeer plastische wijze vernomen hoe het in de hemel zou toegaan.

Vreemde dingen, waarbij dan bijna altijd de apostel Petrus de ene of andere rol speelde.

Die wordt in dit verhaal niet genoemd, hoewel ik een zeer sterk vermoeden heb, dat dit oorspronkelijk toch wel enigermate het geval is geweest. Doch het niet noemen van hem er in zal wel komen, doordat het geen verhaal van Roomsen is, doch van mensen, die met Rome hebben gebroken, en niettemin nog wel wat rooms materiaal hebben vastgehouden en dat nu hebben “verprotestantiseerd”.

Als je protestant bent mag je van het werk van Petrus in de hemel immers niet zoveel zeggen? Ik geloof trouwens, dat wij daar ook niet veel van zeggen kunnen.

Wel geloof ik, dat Petrus in de hemel is. Dat zeg ik er even bij. Anders zou iemand de conclusie kunnen trekken, dat ik van de gedachte uitging, dat Petrus helemaal niet in de hemel is, maar dat hij dood is en daarmee voor goed zou hebben opgehouden te bestaan; dat van hem niets over zou zijn, dan het stof, waarin zijn lichaam is overgegaan, aangezien hij nooit een ziel zou hebben gehad.

Zie, daar geloof ik op grond van Gods Woord n i e t s van. Dat kan iemand alleen maar geloven op grond van de ene of andere filosofische redenering.

Want als een andere apostel zegt, dat hij eigenlijk wel ontbonden zou willen worden om met Christus te kunnen wezen, omdat dat zeer verre het beste is, dan is het duidelijk, dat Paulus niet heeft geloofd, dat hij na zijn sterven niet meer bestaan zou; want dan zou hij het niet beter hebben gekregen: dan kreeg hij niets.

Daarom geloof ik ook, dat Petrus in de hemel is. Daar “weten” de Roomsen echter heel wat van! Volgens hen is het onder meer zo, dat Petrus aan de hemelpoort staat om de mensen te controleren, die daar binnen willen en dan uitmaakt, wie wel binnen mogen en wie niet.

Hij stelt hun daar allerlei vragen over wat zij wel en niet hebben gedaan.

Daar hebben niet-Roomsen het ook wel eens over. Zoals ik al zei: Die noemen Petrus daar niet bij. Maar zij hebben het er wel over, dat je aan de “hemelpoort”, als je gaat sterven, allerlei zal worden gevraagd en niet zal worden gevraagd in verband met het al of niet in de hemel toegelaten te worden.

Ik geloof persoonlijk NIETS van dat verhaal.

Als u straks gaat sterven, wordt u niets gevraagd; en als ik straks ga sterven, wordt mij ook niets gevraagd; totaal niets. “Wij gaan ten hemel in. En erven Koninkrijken!”

Ik bedoel daarmee: Wij gaan rechtstreeks naar de hemel, zonder dat er ook maar iets wordt gevraagd, dat wij gedaan of nagelaten zouden hebben met het oog op het daar binnen gaan.

Daar heeft de Heere Jezus voor gezorgd met Zijn verzoeningswerk, waarmee Hij voor onze zonden heeft betaald.

Dáárom behoeft u of mij niets meer gevraagd te worden!

Maar in dat oude verhaal is dat anders.

Daarin wordt het zo voorgesteld, dat je bij het sterven aan de hemelpoort komt en daar allerlei vragen worden gesteld, die beantwoord moeten worden.

Als het dan met die antwoorden in orde is, word je toegelaten; is het niet in orde, dan gaat de poort voor je neus dicht en heb je het toekijken…

Dan kun je anderen zien binnen gaan en een glimp van de heerlijkheid aanschouwen, maar je blijft er buiten…

Het is een beetje cru gezegd zo, maar zo is het, als het verhaal waar is.

En wat wordt je dan gevraagd?

Och, van alles over hoe je op aarde geleefd hebt.

Of je je ouders gehoorzaam was?

Of je iemand hebt doodgeslagen?

Of je een inbreker was?

Of je hebt gestolen?

Of je hebt gelogen en bedrogen?

Of je wel eens iets hebt begeerd tegen de Geboden Gods?

Ook zal je worden gevraagd, of je wel eens afgoderij hebt bedreven?

Of je God recht hebt gediend?

Of je de naam van Jahweh niet hebt gebruikt op verkeerde wijze?

Misschien ook nog – maar dat is een beetje een dubieuze kwestie…! – of je naar het Gebod des HEEREN hebt gerust?

Dat allemaal.

Want dat zijn dingen van betekenis en die er over beslissen, of je wordt toegelaten, of niet.

Daarbij is opvallend, dat men al die dingen wel bedoelt, maar er gewoonlijk betrekkelijk weinig van zegt.

Meestal wordt dan iets genoemd, dat je dan “niet zal worden gevraagd”; en dan kun je er zeker van zijn, dat altijd één ding wordt genoemd: “Aan de hemelpoort zal je (ook) niet worden gevraagd bij welke kerk je hebt behoord!”

Wat heb ik dat vaak horen zeggen.

Vroeger al!

Veel van mensen, die Hervormd waren en die dat als afweerwapen gebruikten, wanneer zij er door een Gereformeerde aan herinnerd werden, dat zij als gelovigen niet in het hervormd genootschap thuis behoorden.

Ook heb ik het wel eens horen zeggen door Gereformeerden, die de leer van de pluriformiteit van de Kerk er mee probeerden te verdedigen.

Tegenwoordig gebruikt men dat verhaal nog. Van alle kanten hoort men het.

Niet van de Roomsen.

Dat is begrijpelijk: volgens hen gaat alles, dat niet Rooms is, voor eeuwig verloren en als er dan nog iemand zalig wordt, dan komt dat, doordat hij “met zijn ziel” bij hun kerk heeft behoord.

Maar verder zegt en denkt bijna iedereen zo. De Nederlandse Geloofsbelijdenis laat een ander geluid horen en spreekt van een ware en valse kerk en zegt dan, dat ieder schuldig is om zich bij de ware Kerk te voegen. Desondanks zijn er ook wel Gereformeerden, die het met de inhoud van dat verhaal eens zijn…! Al hebben zij ook verklaard, dat zij de leer aanvaarden, “die in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt”, en al hebben zij die instemming door hun handtekening bekrachtigd…

Nu stel ik mij voor de vorm even op dat genoemde standpunt: dat je aan de hemelpoort vragen worden gesteld. Allerlei vragen die je leven naar de wil van God betreffen.

Natuurlijk, want dat is toch belangrijk!

Maar dan vraag ik mij af, of het dan niet belangrijk is, dat wij den Heere gehoorzaam zijn in het zich -voegen-bij-de-door-Hem-vergaderde Kerk?

Kan Hem dat niets schelen?

lk zou wel eens willen weten, wat Petrus op de Pinksterdag zou hebben gezegd: Wij zullen wel geloven, dat de Heere Jezus de Zaligmaker is, maar wij vinden het heus niet nodig, dat wij daarmee ook onze geestelijke leidslieden in de steek laten; die blijven wij erkennen en volgen! Naar die keuze zal aan de hemelpoort niet gevraagd worden!

Wat dunkt u daarvan?

Zou dat goed zijn geweest?

Kom, kom, dat weet u wel beter!

De Heere Jezus heeft eens gesproken over de vraag, wie Zijn schapen zijn en waaruit het blijkt, dat iemand een schaap van Hem is.

Hij heeft gezegd: Dat blijkt, doordat zo iemand naar de stem van de Herder luistert en Hem volgt, en geen vreemde.

Dat moet in alles.

Ook in de kerkelijke keuze.

Overigens zeg ik nog eens weer, dat ik van dat stellen van vragen aan de hemelpoort niets geloof. Bij het ingaan in de hemel, als wij sterven, worden geen vragen gesteld.

Dan behoeven wij ook niet aan een poort te wachten. Dan gaan wij, wanneer wij in den Heere Jezus Christus hebben geloofd als onze Zaligmaker, rechtstreeks naar de hemel.

Want dát beslist daarover: Zijn werk!

Dan komen wij in de hemel ondanks het feit, dat wij veel zonden hebben gedaan; zonden tegen elk Gebod van de Wet van God! Ook tegen het vierde Gebod!

Dat noem ik er even opzettelijk bij. U weet wel, waarom.

Als u het niet weet, is het nog beter!

Maar dan gaan wij als gelovigen daar heen, doordat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, van alle zonden reinigt.

Ook van de ZONDE van een verkeerde kerkelijke keuze, die iemand hier heeft gedaan door zich niet bij de Kerk te voegen, die Christus door Zijn Woord en Geest vergadert. Dát is een nóg ouder verhaal!

Dat dateert reeds uit het paradijs!

En het is niet van de Roomsen overgenomen, of aan roomse Petrus-verhalen zijdelings ontleend: het is door God Zelf als Evangelie geopenbaard!

 

[1] Dit artikel is van de hand van ds. J. van Raalte en eerder verschenen als kerkbode-artikel.




Eenheid zonder geloofsverdeeldheid

In de Gereformeerde Kerken kwam het na de Vrijmaking van 1944 tot een zogenaamde ‘doorgaande reformatie’, waarbij de reformatie (zo werd de Vrijmaking gezien) doorwerkte op alle levensterreinen. Hierbij kan gedacht worden aan een eigen politieke partij, de eigen scholen, een eigen krant, etc. Deze doorgaande reformatie viel niet bij iedereen in goede aarde; we zien dit bijvoorbeeld bij de schrijvers van de Open Brief in 1966 en bij prof. dr. J. Douma in 2001 in het boekje “Hoe gaan wij verder?”.  Laatstgenoemde merkt met betrekking tot gereformeerde organisaties op: “We komen zelfs een gereformeerde Toer- en Caravanclub tegen, met als doel het ‘bevorderen’ van contacten met gelijkgestemden op binnen- en buitenlandse campings, met name op de zondagen”.[1]

 

Op de website Semper Reformanda wordt geen pleidooi gehouden voor ‘De Gereformeerde Toer- en Caravanclub’ of iets dergelijks. De tijd van veel eigen organisaties is sowieso voorbij – in ieder geval voorlopig en wellicht definitief. Terzijde, als we letten op de doelomschrijving van deze ‘toerclub’ (“(…) met name op de zondagen”) was deze ‘club’ wellicht minder excentriek dan op het eerste gezicht lijkt.

 

Doorgaande reformatie moet echter onverminderd voortgaan, want dat is niets anders dan terugkeer naar de Schrift. Ook nu wij in de kerk en in alle levensterreinen in onze tijd de raad Gods moeten dienen (Hand. 13:36) zou dit ‘zomaar’ op weerstand kunnen stuiten, zoals eens de doorgaande reformatie na de Vrijmaking van 1944 op weerstand stuitte. Men hoort broeders en zusters dan weleens vragen: “We hoeven in de kerk toch niet allemaal hetzelfde te denken?!

 

In het verleden heeft ds. J. van Raalte (1894-1982) bij bovengenoemde vraag in een kort, pastoraal artikel stilgestaan onder de titel “De kerk is geen vergadering van gelijkgezinden”.[2] De achtergrond van zijn artikel, de doorgaande reformatie in zijn tijd met veel eigen organisaties, is wellicht minder actueel voor onze tijd. De grond voor doorgaande reformatie waarop deze predikant wijst is echter niet veranderd en moet ons heden meer motiveren dan ooit tevoren: “één Here, één geloof, één doop” (Efeziërs 4:5). Het leek ons daarom goed om zijn artikel hier te publiceren.

 


 

De kerk is geen vergadering van gelijkgezinden

Deze of een soortgelijke zegswijze komt men in de laatste tijd nog weI eens tegen.

Dat gebeurt vooral, wanneer pogingen in het werk worden gesteld om allen, die leden van Gereformeerde Kerken zijn, in het gelijke spoor te krijgen; in het spoor van wat weI wordt omschreven als “doorgaande reformatie”.

Het streven van hen, die niet alleen in de Kerk Gereformeerd willen zijn, maar ook in de andere levensverbanden: in de school, de maatschappelijke verhoudingen en de politiek.

Daarnaast zijn er ook, die dat in die laatstgenoemde verhoudingen niet willen, maar daar alles “bij het oude laten”.

Na de vrijmaking openbaarde zich het streven om, wat in de Kerk was gebeurd, ook te doen doorwerken in het gehele leven.

Toen zijn er velen geweest, die vroegen: “Moet dat nu ook al?”

Dat is een vraag, die ik goed kan begrijpen, gezien de gegroeide verhoudingen.

Want wij hadden merendeels zo geleefd, alsof de Kerk en die andere zaken geheel verschillende terreinen waren.

Het was zo: In de Kerk leef je apart, in je eigen kring, maar in de politiek kun je best samenwerken met mensen, die niet Gereformeerd zijn, en in de maatschappelijke verhoudingen ook, en evenzo in de school!

Daarbij waren weI zekere grenzen, die meer of min in acht werden genomen. Scherp afgebakend waren die evenwel niet.

Vaak was het zo, dat bij die samenwerking het Gereformeerde element de boventoon had, met name ten aanzien van het onderwijs.

Dat kwam door de ontwikkeling van zaken in de geschiedenis, want het waren de Gereformeerden, die eigen scholen wilden voor het onderwijs van hun kinderen; maar wanneer er bv. Hervormden waren, die daarin met hen wilden samenwerken, dan werden die ook geaccepteerd. Zo was het ook in de Anti-Revolutionaire Partij en in het Christelijk Nationaal Vakverbond.

Van samenwerken in die verbanden met de Roomsen was geen sprake; evenmin met de Liberalen en Socialisten.

Zo was een samenwerking gegroeid en met de “souvereiniteit in eigen kring” kon men dat gemakkelijk verdedigen.

Dat “groeien” heeft ook een geschiedenis gehad, maar die kan hier even blijven rusten.

Toen de Vrijmaking was gekomen, is dat anders geworden.

Toen gingen stemmen op, dat men ook in die andere verhoudingen moeilijk meer kon samenwerken, omdat men daarin toch handelen moest naar hetzelfde belijden, als dat in de kerkelijke verhouding van kracht is.

Van woorden is het ook tot daden gekomen.

Eerst in de politiek door de oprichting van het Gereformeerd Politiek Verbond.

Daar bleef het niet bij: de tweede stap was het streven naar Gereformeerde Scholen, wat ook weI bijzonder noodzakelijk was, en ook op maatschappelijk gebied kwam het tot een eigen organisatie.

Het is bekend, hoeveel moeite sommigen hebben gehad om dat te aanvaarden. Sommigen waren er direct mee klaar.

Naar mijn mening weI eens té radikaal, zodat zij woorden hebben gesproken, die principieel aanvaardbaar waren, terwijl men er om een andere reden toch een vraagteken achter kon zetten, daar zij er niet voldoende rekening mee hielden, dat velen altijd in een andere richting waren gegaan en hun dat als de juiste weg was aangewezen en zij zich daarvoor ook met hun krachten naar vermogen hadden ingezet.

Zo waren zij daar helemaal ingegroeid en in vastgegroeid.

Daaruit kan men zich niet altijd zo maar met één ruk losmaken.

Dat kost altijd moeite, al is de éne er eerder mee klaar, dan de andere.

Zo kwam dus het werk van de “doorgaande reformatie”.

Eigenlijk was dat al vóór de Vrijmaking begonnen. Reeds toen waren er, die inzagen, dat het Gereformeerde leven in een verkeerde richting koerste en die hebben daar tegen gewaarschuwd. Als voorbeeld daarvan wil ik noemen de bezwaren, die Professor Dr. K Schilder had tegen de gang van zaken in de Gereformeerde Studentenbeweging en er op heeft aangedrongen, dat men daar behoorde te beantwoorden aan de naam, die men droeg. Zo kan men dus niet zeggen, dat het streven naar “doorgaande reformatie” een direct gevolg is geweest van de Vrijmaking.

WeI is het zo, dat zij, die dit nastreefden, in het algemeen genomen met de Vrijmaking zijn meegegaan.

Daardoor is het ook te verklaren, dat daarna dit streven in de Gereformeerde Kerken sterk toenam, daar zich nu de gelegenheid voordeed om het ook door te voeren.

Daarbij heeft de Vrijmaking zelf het ook weI in de hand gewerkt.

Dat is met een reformatie in de Kerk steeds het geval en als het niet zo is, dan is er iets niet in orde, want alle levensverhoudingen hangen samen met het leven in de Kerk.

Als voorbeeld daarvan kan de Afscheiding worden genoemd. Toen die feit was geworden, duurde het niet lang, of er verrezen stemmen: Nu moeten wij ook Gereformeerde scholen hebben! Die zijn er ook geweest, soms heel primitief ingericht, maar zij werden verboden, op een – ik meen – viertal na.

Toch was toen het onderwijs op heel veel plaatsen nog weI “christelijk”: de Bijbel werd op de scholen nog gebruikt.

Maar men kan ook onderwijs uit de Bijbel geven op een wijze, dat het beter niet gebeurde.

Ik weet van een school, waar ook “christelijk” onderwijs werd gegeven, maar waar het voorkwam, dat de onderwijzer de kinderen een gedeelte uit de Evangeliën had verteld en toen zei: “Wanneer jullie het geloven wilt, kinderen, is het mij best; maar ik geloof het niet!”

Dat was niet in Nederland, maar even over de Nederlandse grens, ongeveer 100 jaar na de Afscheiding.

Maar dat voorbeeld laat zien, dat onderwijs uit de Bijbel op school nog geen garantie is, dat ook werkelijk Bijbels onderwijs wordt gegeven en dat hebben onze afgescheiden Vaderen goed begrepen.

De Afgescheidenen wilden “wederkeren”.[3]

Later is dat weer anders geworden.

Toen gingen zij ook “wederkeren”, maar in de zin, zoals dat in de 2e brief van Petrus staat: 2:22.       .

Het was maar een klein beginnetje.

Zij hebben dat ook niet door gehad, meen ik.

Maar men ging weer samenwerking zoeken, zonder dat de “wederkeer” van de Acte van Afscheiding had plaatsgevonden.

Dat gebeurde niet in de Kerk, maar wel op de andere terreinen.

Tenslotte gingen er ook stemmen op, die zoiets in de Kerk bepleitten, zij het op voorzichtige wijze.

Het bleek wel, dat de andere levensverbanden niet los staan van de Kerk!

Vanuit die verbanden drong de deformatie ook in de Kerk door. Daar moest de samenwerking ook weer komen…!

Toen kwam de Vrijmaking.

Daarna begon men dat gevaar van de samenwerking meer te zien en kwam daarbij ook tot zichtbare resultaten, zoals wij dat in het begin reeds noemden.

Maar er waren er ook, die die weg niet op wilden.

In de Kerk apart – dat kon nog.

Verder evenwel niet.

In feite dacht men echter ook anders, verschillend, over de Kerk en de roeping, die men als lidmaat van de Kerk heeft. En zo is men er toe gekomen om te zeggen, dat de Kerk geen vergadering is van gelijkgezinden of gelijkdenkenden. Wat moet men daarvan zeggen?

In de eerste plaats wil ik weI opmerken, dat ik het geen juiste terminologie vind, want de Kerk is de vergadering van gelovigen.

Daarom betekent die uitdrukking in feite, dat de Kerk een vergadering is van niet gelijk gelovenden.

En daar ligt mijn bezwaar tegen die uitdrukking.

Wij hebben als Gereformeerden toch allen met elkaar de Drie Formulieren van Enigheid aanvaard?

En daarmee zijn wij één in het geloof.

Of hebben wij soms door zulk een eenheid te eisen en te belijden iets gedaan, dat in strijd is met het Woord van God?

Wordt daarin een eenheid met geloofsverdeeldheid geleerd? Volstrekt niet!

Want in het Woord van God staat, dat wij één Heere hebben, één geloof en één doop. Eén geloof!

De geloofsinhoud is gelijk en daarom geloven wij ook gelijk. Indien het dan voorkomt, dat niet gelijk wordt geloofd, zo is er iets niet in orde.

Het kan weI voorkomen.

Dat kwam reeds voor in de Kerk in de tijd van de apostelen. Maar toen zich dat openbaarde, hebben de apostelen daartegen met kracht gewaarschuwd.

De apostelen niet alleen.

De Heere Jezus heeft dat ook gedaan.

Daarvoor moet men de brieven maar eens nalezen, die Hij aan de zeven Kerken in Klein-Azië heeft geschreven, waar ook van die verschillen aan het licht waren gekomen en die men in sommige van de kerken ook “duldde”; die in de Kerk een plaats wilde geven.

Toen heeft Hij die Kerken opgeroepen tot bekering, en als zij zich niet bekeerden, bedreigd met Zijn oordeel.

Hij heeft tot de Kerk te Efese, waar men de Nicolaieten ook had toegelaten, gezegd: Als u daarmee niet ophoudt, laat Ik u verdwijnen.[4]

Dat moeten wij bedenken!

Tegenwoordig gebruikt men de inhoud van deze brieven soms om er verkeerde toestanden in de Kerk mee te verdedigen: dat je er uit zien kunt, dat bij heel wat misstanden de Heere Jezus een Kerk toch als Kerk blijft erkennen…

Maar dat is wat anders, dan de Heere met die brieven op het oog heeft.

Die stelt de Kerk te Efeze voor het dilemma: Bekering of verdwijning! En Hij verklaart, dat Hij de Kerk te Laodicea uit Zijn mond spuwt! Daarom moet men niet zeggen, dat de Kerk geen vergadering is van gelijkdenkenden of gelijkgezinden.

Wanneer men dat zegt, werkt men de gedachte in de hand, dat het er niet zo nauw op aan komt, wat men gelooft, al wil ik toegeven, dat men tot op een zekere hoogte zo’n gezegde kan gebruiken.

Maar men is er zo maar aan toe om daarmee misstanden te verdedigen en afwijkingen goed te praten, die niet mogen bestaan. Afwijkingen van de Belijdenis, die wij samen hebben aanvaard als de inhoud van het geloof naar het Woord van God.

En nog eens: de Kerk is een vergadering van mensen, die allen hetzelfde geloven, want die geloofsinhoud is vastgelegd.

 

[1] J. Douma, Hoe gaan wij verder? Ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) (Kampen: uitgeverij Kok), p. 101 e.v.

[2] J. van Raalte, ‘De kerk is geen vergadering van gelijkgezinden’, ?, 19 oktober 1968.

[3] Deze term uit de Acte van Afscheiding of Wederkeer wordt vaak verkeerd verstaan; zij bedoelden er mee, dat zij wilden wederkeren tot het oude reformatorische standpunt. Dat deden zij, en dat wilden zij ook van de Hervormden. Beslist geen wederkeer naar de Hervormde kerk.

[4] De Nicolaieten waren mensen, die meededen aan de heidense offerdienst om geen moeite met de overheid te krijgen en voorgaven, dat zij dat deden op gezag van Christus; als door Hem gezondenen; Openb. 2 : 2.