Belijdenis en eenheid (10): De belofte die voor u en uw kinderen is

Wij vervolgen hier de artikelenserie over ‘belijdenis en eenheid’ van de hand van ds. P.K.A. de Boer, emeritus predikant van de Free Reformed Churches of Australia.[1]

 


 

We laten onze kinderen dopen omdat de Here door de apostel Petrus op de pinksterdag zegt dat de beloften, voor degenen die zich bekeren en geloven, zijn voor u en voor uw kinderen (Hand. 2:39). We mogen er daarom van verzekerd zijn dat kinderen die ons, gelovigen, worden geboren, zijn opgenomen in het verbond dat Hij met ons heeft gemaakt. Met dankbaarheid zien we dat de apostel Petrus is geïnspireerd om te spreken op een wijze die overeenkomt met hoe de Here tot Abraham had gesproken, toen Hij zei: Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door (Gen. 17:7). In de Heidelbergse Catechismus belijden we daarom in Zondag 27 dat kinderen gedoopt moeten worden, want zij horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Evenzo belijden we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat men kinderen behoort te dopen en met het teken van het verbond te verzegelen, evenals de kleine kinderen in Israël besneden werden op grond van dezelfde beloften die aan onze kinderen gedaan zijn.

 

De Westminster Larger Catechism formuleert deze zaak op een andere wijze. We lezen in vraag & antwoord 31 van deze Catechismus: Met wie werd dat genadeverbond gemaakt? Het genadeverbond werd gemaakt met Christus als de tweede Adam, en in Hem met al de uitverkorenen van zijn zaad (Gal. 3:16, Rom. 5:15-21, Jes. 53:10-11). In dezelfde Catechismus in v&a 166 lezen we ook: Aan wie moet de doop bediend worden? De doop moet niet worden bediend aan mensen buiten de zichtbare kerk, die dus vreemd zijn aan het verbond van de belofte, voordat zij hun geloof in Christus belijden en hun gehoorzaamheid aan Hem (Hand. 8:36-37, Hand. 2:38). Maar kinderen van ouders, hetzij dat ze beiden hun geloof in Christus en gehoorzaamheid aan Hem belijden, hetzij dat slechts één van hen dat doet, zijn in dat opzicht in het verbond, en dienen te worden gedoopt (Gen. 17:7,9, Gal. 3:9, Kol. 2:11-12, Hand. 2:38-39, Rom. 4:11-12, 1 Kor. 7:14, Matt. 28:19, Luk. 18:15-16, Rom. 11:16). Hoewel zowel Australische als Canadese synoden hebben erkend dat de Westminster Standards met betrekking tot deze zaak een tweezijdig verbond herkennen, wat een belofte en eis omvat, blijft een zekere onbehaaglijkheid over deze formulering. Dit kan gedeeltelijk komen door hoe Dr. A. Kuyper deze confessie gebruikte om zijn theorieën over de veronderstelde wedergeboorte te verdedigen. Niettemin kan het de moeite waard zijn een nadere blik te werpen op de formulering van deze vragen en antwoorden en deze te toetsen aan Gods Woord.

 

Met wie is het genadeverbond gemaakt?

Wanneer de Westminster Standards zeggen dat het genadeverbond werd gemaakt … met al de uitverkorenen… lijkt het de eeuwige uitverkiezing en het verbond door elkaar te halen. Eeuwige uitverkiezing is een deel van Gods eeuwige raad, voornemen, besluit, of welke naam ook wordt gegeven aan Gods voornemen waarmee Hij vooraf besloot wat zou gebeuren, zodat niets bij geval gebeurt.

 

In de Schrift wordt ons verteld over het feit dat God alles vooraf heeft bepaald, maar Hij vertelt ons niet alles wat dit voornemen inhoudt. Zodoende wordt ons vooraf verteld dat de Here voor de grondlegging van de wereld heeft verkozen of uitverkoren degenen die Hij zal redden (Efeze 1:4) maar Hij vertelt ons niet wie Hij heeft verkoren. Het is niet onze zaak om dit te weten, behalve dat wij die geloven er zeker van mogen zijn dat de Here mij heeft gered. We mogen niet nieuwsgierig proberen Gods eeuwige voornemen in te zien. In Deuteronomium 29:29 wordt ons duidelijk genoeg verteld dat de verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God… Men kan zich hier ook herinneren hoe de Here Jezus antwoordde aan Petrus. Toen Petrus hem had gevraagd over Johannes’ toekomst, zei de Here Jezus tot hem: Als ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u Mij! Met dit antwoord vertelt de Here Jezus duidelijk aan Petrus dat wat de Here heeft voorgenomen voor Johannes niet Petrus’ zaak is; in plaats daarvan moet Petrus zich concentreren op wat hij moet doen, namelijk Christus volgen.

 

Het is noodzakelijk om het feit te kennen van Gods eeuwige besluit, waaronder de uitverkiezing. Gezien hoe de Here ons hierover vertelt, moeten we belijden en eraan vasthouden dat onze zaligheid geheel rust op Gods werk in Christus. We kunnen in het geheel niets toedoen aan onze zaligheid. In het licht van een voortgaande arminiaanse en evangelische tendens is het belangrijk voor ons erop te staan dat onze zaligheid een voorrecht is hetwelk de Here geeft zonder dat wij daaraan bijdragen of iets voor doen. In v&a 31 wil de Westminster Catechism er werkelijk aan vasthouden dat het God is die ons verkiest tot de zaligheid; het is niet zo dat wij Hem kiezen. Dat dit de bedoeling is van deze v&a is duidelijk uit de verwijsteksten. Echter, het verwart dit met het genadeverbond.

 

Dit leidt uiteraard tot de vraag: wat wordt bedoeld met het genadeverbond? In de Westminster Catechism wordt dit gezet in de context van het voorafgaande werkverbond. Om het heel kort te zeggen, in de Westminster Standards verwijst het werkverbond naar het verbond dat God met Adam maakte voor de zondeval en het genadeverbond verwijst naar het verbond dat de Here maakte (of, beter gezegd, vernieuwde) na de zondeval.[2]  Zoals u zult weten, is het verbond de band die God met Zijn volk heeft gelegd. Een verbond omvat twee delen, een belofte en een eis. Soms vergelijkt de Schrift een verbond met een huwelijk. In feite wordt verscheidene keren naar het huwelijk als een verbond verwezen. Zoals het huwelijk een belofte en een eis omvat, zo doet ook het verbond wat de Here met de mens heeft gemaakt dat. In het huwelijk belooft een man liefde en trouw aan zijn vrouw, en een vrouw belooft liefde en onderwerping aan haar echtgenoot. Evenzo belooft de Here liefde en trouw, en Zijn kinderen beloven liefde en onderwerping.

 

In het begin schiep God Adam en Eva in het verbond met hem. Adam en Eva waren niet trouw. Door hun ontrouw verbraken zij het verbond. Vergelijk dit met hoe een huwelijk wordt verbroken door ontucht. Adam en Eva waren ertoe op weg om gescheiden te worden van God, wat in deze context de eeuwige dood inhoudt. Echter, de Here besloot in Zijn barmhartigheid om het verbond te vernieuwen toen Hij de zogenaamde moederbelofte gaf (Gen. 3:15). Door deze belofte aan Adam en Eva werden aanvankelijk alle mensen geroepen tot inkeer en geloof. Al snel maakte de HERE onderscheid tussen mensen. Kain werd, na het vermoorden van Abel, weggezonden. Hoewel niet in veel detail wordt getreden, wordt in Genesis 6:2 een onderscheid gemaakt tussen Noachs familie en de zonen van God die voor zichzelf dochters van mensen namen. Ook na de zondvloed maakt de Here nogmaals een onderscheid onder de zonen van Noach (Genesis 28:24-29). Wat voor nu van belang is, is dat de Here enige jaren later een duidelijke lijn heeft getrokken toen Hij Zijn verbond met Abraham en zijn zaad maakte of vernieuwde. Terwijl het waar is dat God Abraham verkoos, en de Schrift benadrukt dat het Gods keuze was, moet dit niet worden verward met de eeuwige uitverkiezing waarmee de Here had verkozen degenen die Hij had voorgenomen om te redden voor de eeuwigheid. Dit wordt heel duidelijk uit de Schrift, dat niet al Abrahams kinderen voor eeuwig worden behouden. Niettemin blijft het verbond (zoals dat van een huwelijk) een diepe werkelijkheid.

 

Wanneer de Westminster Cateechismus daarom zegt dat het verbond is gemaakt … met al de uitverkorenen spreekt het alsof de ontrouwe kinderen van Abraham nooit werkelijk verbondskinderen waren. Dit zou ook inhouden, om dit in de context van het Nieuwe Testament te zetten, dat alleen deze kinderen die de Here besloten heeft te redden, de uitverkorenen dus, werkelijk in het verbond zijn. De kinderen van Abraham en de gedoopte kinderen van gelovigen kunnen in het verbond zijn, maar dat is niet zeker. Het was hierom dat dr. A. Kuyper betoogde voor veronderstelde wedergeboorte.[3] Wanneer v&a 166 de uitdrukking …zijn in dat opzicht in het verbond… gebruikt, houdt deze confessie haar suggestie vast dat de kinderen van Abraham en van gelovigen vandaag uitsluitend in een bepaald opzicht leden van het verbond zijn, maar niet noodzakelijk in werkelijkheid.

 

Kort gezegd, hoewel de Westminster Standards Gods soevereiniteit en eeuwige besluit willen verdedigen, beginnen ze over het verbond op een onschriftuurlijke wijze te spreken. Met als context dat wij aangesproken worden als verantwoordelijke en verantwoording-schuldige menselijke wezens, maakt de Here een verbond met ons en onze kinderen. Hij roept ons ertoe op om trouw vast te houden aan de beloften, waartoe Hij ons aanzet die te maken, die voor ons in het Nieuwe Testament inhouden: Ik geloof in God de Vader… Ik geloof in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, Ik geloof in de Heilige Geest… De verbondseisen die hierin worden omhelsd blijven voortdurend van toepassing en hebben altijd omvat: Ik zal geen andere goden voor Zijn aangezicht hebben, ik zal voor mijzelf geen gesneden beeld maken, ik zal Zijn Naam niet ijdel gebruiken, etc. Abraham kon tot zijn kinderen zeggen: u zult geen andere goden hebben, want de Here God heeft u tot zijn eigen (verbonds)kinderen gemaakt. Abrahams kinderen konden deze boodschap aan hun kinderen doorgeven door de generaties. Immers, de Here heeft Zelf ertoe opgedragen dat zij deze boodschap en dit voorrecht doorgeven aan hun kinderen na hen (zie Deuteronomium 6).

 

De praktische toepassing van dit alles

Wanneer men de Westminster Standards met betrekking tot dit punt volgt, kan men geneigd zijn om naar zijn of haar kinderen te kijken met de vraag in gedachten: Zijn zij uitverkoren? Terwijl met de Drie Formulieren van Eenheid die vraag wordt genegeerd, omdat dat iets is wat wij aan de Here moeten overlaten. We mogen niet proberen nieuwsgierig te gissen naar wat Hij van eeuwigheid heeft bepaald. In dit opzicht moeten we vertrouwende kinderen zijn. Tegelijkertijd zullen we eraan vasthouden dat de Here werkelijk onze kinderen, namelijk de kinderen van ons gelovigen, heeft ontvangen als Zijn eigen verbondskinderen. Deze opname in het verbond rust geheel op Gods Woord dat Hij heeft gesproken tot de gelovigen en hun kinderen. Een gelovige is simpelweg iemand die vertrouwt op de Here en een blijk van geloofsgetrouwheid geeft. Sommige gelovigen kunnen ontrouw blijken te zijn. Hun gedoopte kinderen hoeven nooit te twijfelen of zij werkelijk behoren tot de kinderen van de Here. Hun doop was en blijft een echte bevestiging ervan dat zij leden van het verbond zijn. Het opgenomen zijn in het verbond rust niet op Gods verborgen eeuwige besluit van uitverkiezing.

 

Integendeel, we mogen er vanuit Gods Woord aan vasthouden dat onze kinderen allen verbondskinderen zijn, zonder enige aarzeling daaraan toe te voegen. Men kan dit vergelijken met hoe alle kinderen van Israël uit de slavernij in Egypte werden geleid. Er was geen vraag of sommige van de kinderen wel of niet uitverkoren waren. We laten de verborgen dingen bij de Here. Integendeel, de ouders van alle kinderen daar in Egypte bereidden hun kinderen voor op de grote uittocht naar het beloofde land. Ja, God wist dat sommigen daar niet zouden komen door hun ongehoorzaamheid. Ter vergelijking, wij allemaal bereiden onze kinderen voor op de grotere uittocht naar de toekomstige eeuwige erfenis. We doen dat door hen te onderwijzen en te laten onderwijzen in de wegen van de Here. In deze context bouwen we onze eigen scholen omdat, zoals we onderwijzen in Zondag 27, deze kinderen van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden… Het is in feite in deze context dat wij bij de voortgaande groei die de Here aan Zijn koninkrijk geeft allereerst de nadruk leggen op onze kinderen, en dan ook aan het zendingswerk. We concentreren eerst op de kinderen die de Here geeft, omdat Hijzelf het voorrecht geeft hen onder Zijn verbondskinderen op te nemen.

 

Zoals de volgende keer, DV, zal worden getoond, is er een parallel tussen dit punt en hoe de Westminster Standards de kerk en kerkelijke gehoorzaamheid verwarren.

 

[1] P.K.A. de Boer, ‘The Promise which is for you and your Children’, Una Sancta, October 17, 2015: pp. 445-447.

[2] De meeste continentale gereformeerde theologen, waaronder ik zelf, geven er de voorkeur aan om te spreken over een gunstverbond gemaakt met Adam voor de zondeval en een hernieuwing van het verbond als een genadeverbond na de val. Lezers van Clarion (een blad voor leden van de Canadian and American Reformed Churches, vert.) konden recent over deze zaak een uitwisseling van gedachten lezen tussen prof. E. van Raalte, die een betoog voert vóór de uitdrukking werkverbond, terwijl ds. Cl. Stam de continentale uitdrukking verdedigde.

[3] Hij deed dit vanuit de context dat degenen die verkoren zijn ook worden vernieuwd (zie Romeinen 8:29-30).