Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen (1)

Door: M.R. Vermeer

“En hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.”
~Mattheüs 2:15

Het evangelie naar Mattheüs verhaalt ons de vlucht van Jezus naar Egypte. De evangelist vermeldt dat dit plaatsvond opdat vervuld werd het woord van de Heere: “Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen” (Hos. 11:1).[1]

Nu kan de vraag worden gesteld: hoe kan deze gebeurtenis een vervulling zijn van hetgeen staat in Hosea 11? Ziet Hosea niet terug op de uittocht uit Egypte, in plaats van vooruit naar de toekomst? Ook gaat het geciteerde tekstgedeelte toch juist over Israël als ‘zoon’, in plaats van over Jezus als Gods Zoon? Kortom: is het wel een profetie, laat staan een messiaanse profetie?

 

Israël als zoon
In Hosea is het kind-zijn van Israël één van de beelden (naast het huwelijk) voor de relatie van de Here met Zijn volk. De Here heeft Israël reeds liefgehad toen het een kind was (Hos. 11:1). Een onverdiende liefde, die niet is gebaseerd op iets goeds of verdienstelijks van Israël zelf. Een liefde die is een daadwerkelijk liefhebben, zoals in de geschiedenis van het volk is gebleken: Hij heeft hen bevrijd uit het slavenhuis van Egypte.[2]

Nu moeten we ermee rekenen dat Mattheüs met dit ene citaat uit het begin van Hosea 11 heeft willen verwijzen naar de profetie in dit tekstgedeelte als geheel (Hosea 11:1-11). Veel van zijn lezers kenden de Schriften immers door (voor)lezing, waarbij een enkel citaat voldoende was om ook het daaropvolgende Schriftgedeelte in herinnering te brengen.[3]

Een Schriftgedeelte waarin direct na dit begin, vol van het ontfermend liefhebben van de Here, ook de ernstige afval van het volk moet worden aangewezen: “Maar hoe meer zij hen riepen, hoe meer zij van onder hun ogen wegliepen. Aan de Baäls offerden zij…” (11:2). Naast het roepen van de Here was er de lokroep van de heidense volken tot Israël, waardoor het volk andere goden achterna ging lopen.[4] Deze afdwaling van het volk doet oordelen en gerichten van de Here komen: Israël zal naar Egypte terugkeren en door Assur overheerst worden (11:5).[5]

 

Redding en herstel
Toch eindigt dit hoofdstuk met een boodschap van redding en herstel: de Here zal Zijn volk niet prijsgeven (11:8-11). Een toekomstige ‘exodus’ zal er zijn, waarbij de zonen van Israël “bevende zullen komen als een vogel uit Egypte (!), als een duif uit het land Assyrië” (11:11). Hier staat dus Egypte symbool voor een verblijf in ballingschap.[6]

Nu zijn de tienstammen (waartoe Hosea zich richtte) verloren gegaan, hoewel afstammelingen van deze tienstammen zijn vermengd met de Judeeërs. De profetie van Hosea 11 vraagt nog om (volledige) vervulling.

Het citaat uit Hosea 11:1 wijst dus niet alleen terug naar de uittocht uit Egypte, maar doet ook (vanuit het bredere tekstgedeelte) vooruit zien naar een toekomstige ballingschap én uittocht.

 

Exodusprofetie
Dit wordt nog duidelijker wanneer we letten op Schriftplaatsen die verbonden zijn met Hosea 11.

Een duidelijke verbinding is er uiteraard met Exodus 4:22-23. Mozes krijgt hier opdracht om tegen Farao te zeggen: “Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” Voor het eerst wordt hier Israël als ‘zoon’ aangeduid, net voor de uittocht uit Egypte.

Toch zijn er meer Schriftplaatsen die resoneren in Hosea 11. Zo is er ook een verbinding met tekstgedeelten uit Deuteronomium.[7] Opvallend is dat in Hosea 11:8 de plaatsen Adama en Zeboïm worden genoemd. Het zijn twee plaatsen die met Sodom en Gomorra het volk Israël als waarschuwend voorbeeld zijn voorgehouden: bij afval van de Here zal het land zijn als Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm (Deut. 29:23).[8] Ja, bij verbondsverlating zullen ze worden weggeworpen in een ander land (Deut. 29:28).

Door Hosea wordt aangekondigd dat de verbondsvloek, zoals in Deuteronomium gepredikt, nu van toepassing is: het volk zal naar Egypte terugkeren en door Assur worden geknecht (Hos. 11:5). Tóch is er nog hoop voor het volk: de straffen van de Here zullen niet tot een volkomen ondergang van het volk leiden. Israël zal in ballingschap gaan, maar een rest zal terugkeren uit het land Assyrië (Hos. 11:11). Een terugkeer die ook reeds in Deuteronomium het volk was voorgehouden: “Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen” (Deut. 30:3).

De profetie van Hosea staat dus in het raamwerk van dreiging en herstel zoals in Deuteronomium het volk is voorgehouden.[9] Het gaat ten diepste om de aloude exodusprofetie, dat de Here Zijn volk zal uitleiden uit het diensthuis van de zonde, om uiteindelijk te komen in het (hemelse) Kanaän.

 

Vervulling in Mattheüs
Lezing van Hosea 11 als geheel, tegen de achtergrond van daarmee verbonden tekstgedeelten, maakt duidelijk dat de roeping uit Egypte een ‘openstaande belofte’ inhoudt. Dan blijft echter de andere vraag over die we aan het begin stelden: hoe kan Jezus’ verblijf in Egypte een vervulling zijn van de belofte voor Israël? Bij deze vraag zal worden stilgestaan in het volgende (laatste) artikel.

 

[1] Het woord ‘zoon’ is hier geschreven met een kleine letter. Dit is anders dan in de Herziene Statenvertaling, het volgende artikel maakt duidelijk waarom dit zo is.
[2] Het woord ‘liefhebben’ (’ahab) is in het Oude Testament een ‘kernwoord’ voor Gods onvoorwaardelijke verkiezingsliefde (bijv. Deut. 4:37, 23:5). Hiermee wordt de grondreden voor het handelen van de Here met Zijn volk aangeduid: de Here heeft lief omdat Hij liefheeft. Het is vaker als werkwoord gebruikt dan als zelfstandig naamwoord: “De joden dachten niet over liefde als een idee of als een abstractie, ze zagen het als een activiteit” [Norman H. Snaith, The Distinctive Ideas of the Old Testament (London: The Epworth Press, 1955), p. 174].
[3] Jakob van Bruggen, Matteüs. Het evangelie voor Israël. (Kampen: Uitgeverij Kok, 1999), p. 54.
[4] Bij de vertaling (en verklaring) van Hosea 11:2 is onduidelijk aan wie het subject refereert (‘….hoe meer zij hen riepen’). Gaat het om de profeten die het volk riepen, maar wiens woorden het volk in de wind sloegen? In een recente uitleg wordt onderbouwd (vanuit intertekstualiteit met Numeri 23-24) dat hier Moab wordt aangeduid, die het volk Israël ‘afriep’ van de Here [Caleb L. Fordham, Out of Egypte I Called My Son: From Moses to Hosea (Diss. Southeastern Baptist Theological Seminary, Wake Forest, NC, 2022, url: Out of Egypt I Called My Son: From Moses to Hosea to Matthew – ProQuest), pp. 155-156]. Ook de Korte Verklaring komt op een andere wijze tot deze verklaring en leest met de LXX een gewijzigde tekst: “Men riep hen, en aanstonds trokken zij weg van mijn (i.p.v. hun) aangezicht”.
[5] De HSV vertaalt Hosea 11:5 als: “Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte”. Het lijkt beter om dit met de LXX als een positieve zin te lezen: ‘Hij zal terugkeren naar het land Egypte”, of als een retorische vraag op te vatten: “Zal Israël niet terugkeren naar het land Egypte?”  [G.K. Beale, ‘The Use of Hosea 11:1 in Matthew 2:15: One More Time’, Journal of the Evangelical Theological Society 55/4 (2012), p. 712 e.v.]. Ook zou vanuit de MT vertaald (en verklaard) kunnen worden: “Israël zal niet naar Egypte terugkeren, integendeel, Assyrië zal zijn koning zijn” (de gedachte is dan dat ‘steunen op Egypte’ niet helpt, maar Assyrië zal overheersen, zie blogpost en discussie op Biblische Ausbildung: Shall They Return to Egypt?? (Hosea 11:5)).
[6] Zoals in 11:5 kan Egypte hier letterlijk worden opgevat, of als metonymie.
[7] Zie hiervoor ook voetnoot 1, met een verwijzing naar Deuteronomium wat betreft het heel significante woord ‘liefhebben’.
[8] Specifiek deze twee plaatsen, want hiermee wordt expliciet een verwijzing gelegd naar Deuteronomium 29 (en niet naar Genesis 19, waar deze plaatsen niet samen met Sodom en Gomorra worden genoemd).
[9] Intertekstualiteit is er ook met Numeri 23-24 (spreuken van Bileam). Sommige exegeten (bijv. Fordham, a.w. p. 159) leggen een verbinding met Numeri 24:8: “God heeft hem uit Egypte uitgevoerd”, waarbij het ‘hem’ dan wordt toegepast op de toekomstige koning waarover het voorgaande vers spreekt (i.p.v. op Israël). Op deze manier kan vanuit het OT een messiaanse toepassing worden verdedigd (waarbij de LXX deze messiaanse lezing nog aannemelijker maakt). Logischer lijkt mij om in Num. 24:8 Israël aangeduid te zien (waarvoor wisselend een enkelvoud en meervoud kan worden gebruikt).




In het nieuwe jaar: weest waakzaam!

“Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn”.

~1 Thessalonicenzen 5:6

 

Door H. Plaggenmars

 

De feestdagen zijn inmiddels voorbij. Het nieuwe kalenderjaar is begonnen.
Het is een goede gewoonte om aan het begin van een nieuw kalenderjaar iedereen de beste wensen mee te geven. Gelukkig nieuwjaar. Veel Heil en Zegen.
Maar wensen wij elkaar ook toe om waakzaam te zijn?
Waakzaam en nuchter te zijn met de hoop op de zaligheid opdat wij met Hem zouden leven.
Het is, zo vlak na de jaarwisseling, goed om stil te staan bij de oproep uit Gods Woord om waakzaam en nuchter te zijn. Een oproep die tot ons komt in de eerste brief van apostel Paulus aan de gemeente in Thessalonika.
Een oproep om elkaar te bemoedigen. Elkaar te bemoedigen ook aan het begin van dit nieuwe jaar. Het jaar 2024.

 

Geroepen
De oproep om waakzaam te zijn is bedoeld voor de gemeente. Dat wordt duidelijk wanneer de Apostel in vers 1 de broeders aanspreekt.
De brief is gericht aan de gemeente te Thessalonika. Het is één van de oudste brieven van het Nieuwe Testament.
Thessalonika is nu een Griekse stad. Destijds was deze Griekse Stad een belangrijke plaats in de Romeinse provincie Macedonië. De stad was gelegen aan de zee (KV, P83).
Dr. Bavinck heeft het in dit verband over een wijde baai met een haven voor diverse schepen (GDG, deel 2, pag. 589)[1].

Apostel Paulus bezocht deze stad met Timotheüs en Silas tijdens zijn tweede zendingsreis.
Daarvan kunnen wij lezen in Handelingen 16 en 17.
Paulus is tijdens zijn tweede zendingsreis speciaal geroepen om naar Macedonië af te reizen en daar het Evangelie te verkondigen.
Wij lezen daarvan in het boek Handelingen.
Het is een bijzondere roeping die volgt uit een visioen die de apostel s ’nachts ontving.
Een visioen waarin een Macedonisch man hem dringend vroeg: Kom over naar Macedonië en help ons! (Hand.16:9).
Apostel Paulus reist meteen af in de richting van Macedonië en komt via Fillipi en Apollonia aan in de stad Thessalonika (Hand.16:10).

 

In Thessalonika
Bij zijn komst in deze stad gaat Paulus in gesprek met de Joden in de synagoge.
Dat doet hij drie sabatten lang. Hiervan lezen wij in Handelingen 17 (Hand.17:2).
Hij opent de Schriften en verkondigd dat Christus moest lijden en opstaan uit de doden.
Sommigen uit de synagoge sluiten zich bij Paulus en Silas aan.
En daarnaast ook een grote menigte van de Godvrezende Grieken.
Deze ontwikkeling stuit op verzet tegen de Christelijke gemeente in Thessalonika (Hand. 17:6).
Wat gebeurt er dan? Nu, de Joden veroorzaken een oploop en verstoren de orde in de stad.
De Joden brengen de bestuurders van de stad in verwarring met als gevolg dat de apostel Paulus en Silas worden weggestuurd naar Berea (Hand.17: 8).

 

Oproep
Apostel Paulus schrijft daarna een brief aan de gemeente in Thessalonika om hen te bemoedigen (1 Thess. 2:2,17).
Apostel Paulus is dankbaar dat de gemeente navolgers zijn geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn (1 Thess. 2:14).
Volgens Greijdanus[2] was Paulus ten dele zeer verblijdend omdat de apostel wist hoe het met de gemeente stond, wat haar moeilijkheden waren en hoe zij te lijden had van verdrukking (1 Thess. 3).
Maar in de brief klinkt ook oproep en onderwijs. Eerst een oproep om heilig te leven.
Blijkens hoofdstuk 4 en 5 waren er misstanden over levensgedrag, over gestorven gelovigen en over de Dag van de Heere.
In de 1e vers van hoofdstuk 5 wordt gesproken over tijden en gelegenheden (1 Thess. 5:1).
Deze tijden en gelegenheden staan in verband met de Dag van de Heere (1 Thess. 5:2).
De Apostel gebruikt daarvoor twee woorden die betrekking hebben op de tijdsduur of tijdsbestek én een bepaalde tijd of gelegenheid.
In dit verband vinden we dan ook de oproep om waakzaam en nuchter te zijn.

 

De Dag van de Heere
De Dag van de Heere komt namelijk als een dief in de nacht (1 Thess. 5:2).
De Dag van de Heere wordt in het Oude Testament in verband gebracht met het verschijnen van de beloofde Messias.
Zefanja mocht profeteren van de Dag van de Heere met de volgende woorden: “Want nabij is de dag van de Heere, ja, de Heere heeft een offer bereid” (Zef. 1:7).
De profeet Maleachi heeft van deze Dag geprofeteerd. Waaronder met de volgende woorden: “Zie, Hij komt, zegt de Heere van de Legermachten. Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?” (Mal. 3:2).
Wat de betekenis in het Nieuwe Testament betreft, wijst dr. Van Leeuwen in zijn korte verklaring op De Dag van de Heere waarin de Heere Jezus Christus met majesteit verschijnt (KV, p.145).
Ten aanzien van deze tekst verwijst Ds. Teunis bij vers 4 naar de Dag van Christus’ wederkomst.
Wat de tekst zelf betreft, is het duidelijk dat het gaat om de dag van wederkomst en oordeel.
Wanneer de apostel Paulus in zijn 2e brief aan de gemeente in Korinthe schrijft over het einde, bemoedigt hij deze gemeente met de volgende woorden: “dat wij uw roem zijn, zoals u ook onze roem bent op de dag van de Heere Jezus” (2 Kor. 1:14).

 

Onverwacht
En de Dag van de Heere komt onverwacht. Ja, onverwacht als een dief in de nacht.
Wanneer de wereld denkt aan vrede en veiligheid dan overkomt hen een onverwacht verderf.
Het eindgericht komt voor de wereld onverwacht. De 1e verzen van dit hoofdstuk spreken dus van dreiging, van aansporing en van een onverwachte komst van het eindgericht bij de wederkomst van de Heere.
Want de Dag van de Heere zal komen zonder waarschuwing vooraf (Matth. 24:43).
Zo sprak Christus op aarde over de wederkomst als een aansporing tot waakzaamheid: “Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar  alleen aan Mijn Vader” (Matth. 24:36).

 

Niet slapen
Maar laten wij niet slapen maar waakzaam en nuchter zijn.
De tegenstelling met hen die slapen, met hen die zich in vrede en veiligheid wanen, met hen die in valse ongerustheid verder leven wordt door de apostel onder woorden gebracht vanaf vers 4. De broeders mogen niet in deze duisternis verkeren.
Nee, ze mogen verkeren onder het licht van Gods Woord bekleed met Geloof en Liefde (vers 8).
In de korte verklaring wordt ook duidelijk naar de tegenstelling in de tekst tussen vers 3 en 5 verwezen. Nee, de broeders zijn letterlijk zonen van het licht en zonen van de dag (KV, p.147).

En daarom, laten wij niet slapen, zoals de anderen, maar waakzaam en nuchter zijn.
Het gebruikte woord voor “slapen” kan ook een toestand van geestelijke traagheid of werkeloosheid betekenen.
Dat wordt ook duidelijk bij het lezen van de brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Efeze. In deze brief klinkt in hoofdstuk 5 de waarschuwing dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en dat de gelovigen zich niet mogen laten misleiden maar moeten wandelen als kinderen van het Licht (Ef. 5: 5-8).

 

Ontwaak
In dat verband onderwijst de apostel met de volgende woorden, citaat uit Efeze 5:14: “Ontwaak, u die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten”.
En dat betekent dat de gelovigen geen deel mogen hebben aan de onvruchtbare werken van de duisternis.
Dit wordt ook onder woorden gebracht door dr. Greijdanus. Volgens hem betekenen deze woorden dat de gelovigen anders moeten zijn dan hen die in duisternis verkeren.
Zij moeten de zondeslaap niet slapen, maar zij moeten geestelijk wakker en nuchter zijn.
Zij moeten in het geloof staan, vol liefde en hoop[3].

 

Weest bereid
In zijn uitwerking over de aanwijzing van de levenshouding van de gemeente in de wereld vergelijkt Ds. Teunis het slapen met een groot gevaar. Volgens hem staat daarbij het leven op het spel.
Slapen is dan het kenmerkende van die anderen die niet aanvaarden dat de wereld in snelle vaart naar de afgrond glijdt als het Woord van God wordt verworpen[4].
Bij zijn uitleg verwijst hij in dit verband naar de gelijkenis van de 10 meisjes. En dat is niet zonder reden. Deze gelijkenis komt u misschien wel bekend voor.
Deze gelijkenis over de wijze en dwaze meisjes kunnen wij terugvinden in Mattheus 25.
De 10 meisjes nemen hun lampen mee en gaan de bruidegom tegemoet. De wijze meisjes, die verstandig en bedachtzaam waren om de olie voor hun kruiken mee te nemen, stonden klaar bij de komst van de bruidegom.
En dat in tegenstelling tot de dwaze meisjes die geen olie bij zich hadden.
In deze gelijkenis wordt van de meisjes vermeld dat ze in slaap vielen (Matth. 25:5).
Aan het einde van deze gelijkenis roept Christus dan ook op om waakzaam te zijn.
Christus spoort volgens het evangelie naar Mattheus aan met de volgende woorden: “Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal” (Matth. 25:13).

 

Weest waakzaam
De tekst vervolgt met de oproep om waakzaam en nuchter te zijn.
Het woord dat de Apostel hier gebruikt duidt ook op waken, wakker zijn.
Christus heeft zijn toehoorders meerdere keren opgeroepen om waakzaam te zijn.
Ook wanneer Hij spreekt over de wederkomst, de Dag van de Heere.
Naar het evangelie van Mattheus met de volgende woorden: “Wees dan waakzaam, want u  weet niet op welk moment uw Heere komen zal” (Matth. 24:42). Naar het evangelie van Markus met  de volgende woorden: “Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt” (Marcus 13:35).
De gelovigen moeten dus waakzaam zijn. Dat is wakker zijn.
De aansporing om wakker zijn, dat is door de Heere zelf mij, u en jou op het hart gebonden[5].
Opdat Hij u, als Hij plotseling komt, niet slapend aantreft (Marcus 13:36).

 

Weest nuchter
De gelovigen moeten ook nuchter zijn. Want de gelovigen zijn zonen van de dag (vers 5).
De korte verklaring brengt deze nuchterheid in verband met het leven van de dag.
De apostel Paulus gebruikt hier een woord dat ook duidt op bezonnen zijn, bedachtzaam zijn. Nuchterheid staat tegenover losbandigheid, dronkenschap en zwelgpartijen.
Apostel Petrus gebruikt dit woord ook in zijn 1e brief aan de vreemdelingen om hen aan te sporen zich te wapenen tegen de zonde en losbandigheid.
Nadat hij een opsomming geeft over het leven in duisternis spoort hij de vreemdelingen aan met de woorden, citaat uit 1 Petrus 4: “En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in de gebeden” (1 Petrus 4:7). Volgens ds. Teunis staat nuchterheid met geloof in verband.
Het ware geloof maakt nuchter. Nuchterheid dat de werkelijkheid van Het Evangelie doet inzien. De nuchterheid dat door de uiterlijke dingen doet heen kijken[6].
Het ware geloof dat vanuit de Bijbel de werkelijkheid doet inzien dat Hij, de Zoon des Mensen, werkelijk zal wederkomen. Het ware geloof doet ons leven in het besef van de jongste dag, de Dag van de Heere, die eens komen zal. Laten wij dus bekleed zijn met het borstharnas van Geloof en Liefde.
Opdat de zaligheid wordt verkregen door de Heere Jezus Christus (1 Thess. 5: 8).

 

Het nieuwe jaar in.
Het nieuwe jaar is in de afgelopen dagen begonnen.
Het nieuwe jaar van de Heere, anno Domini 2024.
Het is voor ons onduidelijk wat het nieuwe jaar zal brengen.
Het is onduidelijk wat er gebeurt in de wereld die verkeerd in rampen en oorlogen.
Geruchten van aardbevingen en oorlog ook in de afgelopen dagen.
Het is onduidelijk of de oorlogen, nu in Oekraïne en Gaza, zullen voortduren of zullen eindigen.
Het is onduidelijk hoe groot de tegenstand zal zijn tegen het Woord van de Heere in het nieuwe jaar.

 

Neem het Woord van de Heere in acht.
Wel is duidelijk dat de Dag van de Heere zal komen. Dat leert ons de Bijbel duidelijk.
Daarop hebben de apostelen gewezen in hun onderwijs. Daarop heeft Christus zelf hier op aarde zijn toehoorders gewezen. Daarom wijst Gods Woord elke dag ook in het nieuwe jaar.
Op die Dag van de Heere. De Dag van Zijn wederkomst dat ook een dag van oordeel en gericht is.
Wanneer die dag zal aanbreken is niemand bekend.
Duidelijk is wel dat die Dag van Zijn wederkomst onverwacht zal komen als een dief in de nacht.

 

Aansporing voor elke dag
De Bijbel, Gods Woord, spoort aan om niet te slapen, maar waakzaam en nuchter te zijn.
Aansporing om klaar te staan als de Zoon des Mensen zal terugkomen.
Aansporing van de apostel Paulus aan de gemeente in Thessalonika toen en voor de gelovigen vandaag.
Een aansporing van Christus zelf met de woorden: “Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen” (Matth. 24:44).
Maak ernst met het Woord van de Heere.
Maak ernst met het ware geloof in Christus.
Vertrouw in Hem die spoedig zal komen (Fil. 2:24).
Want: “De Hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan” (Matth. 24:35).

 

Bronnen
Dr. J. A. C. van Leeuwen Korte verklaring der Heilige Schrift Colossenzen en Thessalonicensen. J.H. Kok NV, Kampen, 1966.
Dr. S. Greijdanus Bijzondere Canoniek van het Nieuwe Testament deel 2. J.H. Kok NV, Kampen, 1949.
Dr. J. H. Bavinck Geschiedenis der Godsopenbaring, 2: Het nieuwe testament. J.H. Kok NV, Kampen.
B&K Concordantie op het Oude en Nieuwe Testament Bosch en Keuning NV, Baarn
Ds. E. Teunis De apostolische vermaning inzake de dag van Christus als richtingbepalend voor het leven van de gemeente. Te Monster (jaartal onbekend).

 

[1] Dr. J.H. Bavinck, Geschiedenis der Godsopenbaring NT, pag. 589: “Thessalonica ligt aan een Wijde Baai, die schepen een prachtige haven biedt”.
[2] Dr. S. Greijdanus, Bijzondere Canoniek van het Nieuwe Testament deel 2, pag. 180.
[3] Dr. S. Greijdanus in Bijzondere Canoniek van het NT, pag. 183. Opmerking: volgens de canoniek wisten de broeders in Thessalonika dat de Heere onverwacht zal komen, als een dief in de nacht, wanneer de wereld er in het geheel niet op rekent. Daarom moet het met de gelovigen anders zijn.
[4] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet onder de titel: de apostolische vermaning inzake de Dag van Christus als richtingbepalend voor het leven van de gemeente, pag. 5 en 6.
[5] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet.
[6] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet.




Jaargang 8 (2023)

In onderstaand overzicht staan alle artikelen van jaargang 8 (2023). Artikelen die zijn geschreven ten behoeve van semper-reformanda.nl zijn herkenbaar aan een sterretje achter de naam van de auteur, de overige artikelen zijn herpublicaties.

Bijbelstudie
Het Kind met de twee namen Vreugdenhil, D. 22/12/2023
Micha’s Adventspsalm Vreugdenhil, D. 09/12/2023
Pinksteren: uitstorting van de Geest Plaggenmars, H. (*) 27/05/2023
Hemelvaart: Troonsbestijging van de Messias Koning Plaggenmars, H. (*) 24/05/2023
Opgewacht! (15, slot) Arnold, J.J. 03/11/2023
Opgewacht! (14) Arnold, J.J. 14/10/2023
Opgewacht! (13) Arnold, J.J. 30/09/2023
Opgewacht! (12) Arnold, J.J. 16/09/2023
Opgewacht! (11) Arnold, J.J. 02/09/2023
Opgewacht! (10) Arnold, J.J. 12/08/2023
Opgewacht! (9) Arnold, J.J. 22/07/2023
Opgewacht! (8) Arnold, J.J. 08/07/2023
Opgewacht! (7) Arnold, J.J. 24/06/2023
Opgewacht! (6) Arnold, J.J. 03/06/2023
Opgewacht! (5) Arnold, J.J. 13/05/2023
Opgewacht! (4) Arnold, J.J. 29/04/2023
Opgewacht! (3) Arnold, J.J. 15/04/2023
Opgewacht! (2) Arnold, J.J. 01/04/2023
Opgewacht! (1) Arnold, J.J. 18/03/2023
De uitvoering van de finale Francke, J. 21/01/2023
De voorbereiding van de finale Francke, J. 07/01/2023
Christelijk leven
Werelddiaconaat (8, slot) Bos, J. (*) 02/09/2023
Werelddiaconaat (7) Bos, J. (*) 12/08/2023
Werelddiaconaat (6) Bos, J. (*) 22/07/2023
Werelddiaconaat (5) Bos, J. (*) 08/07/2023
Werelddiaconaat (4) Bos, J. (*) 24/06/2023
Werelddiaconaat (3) Bos, J. (*) 03/06/2023
Werelddiaconaat (2) Bos, J. (*) 13/05/2023
Werelddiaconaat (1) Bos, J. (*) 29/04/2023
Kerk en liefdadigheid Waal, C. van der 25/02/2023
Kerkelijke ontwikkelingen
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (5, slot) Jongeling, B. 17/11/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (4) Jongeling, B. 03/11/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (3) Jongeling, B. 14/10/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (2) Jongeling, B. 30/09/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (1) Jongeling, B. 16/09/2023
Kerkelijke eenheid Vermeer, M.R. (*) 16/09/2023
Kerkgeschiedenis
Lutherdag Wolf, I. de 03/11/2023
Boekrecensies
Kerk en krant (14, slot) Bos, J. (*) 25/02/2023
Kerk en krant (13) Bos, J. (*) 11/02/2023



Het Kind met de twee namen

Onderstaand een overdenking n.a.v. Mattheüs 1:21,23.[1]


“En u zult Hem de naam Jezus geven…
En u zult Hem de Naam Immanuel geven.”
Matth. 1:21,23

 

Het Kind, welks geboorte wij zondagmorgen herdenken, heeft wel meer namen. Vele zijn de namen, waarmee profeten en Evangelisten het noemen. Namen vol inhoud, vol rijke, diepe klank.

Maar de beide namen, die in het hierboven afgedrukte Schriftgedeelte worden genoemd, spreken ons toch wel heel bijzonder toe.

Want wij zijn zondaren.

En we moeten vechten.

Jezus is de naam, waarmee zondaren worden getroost.

Immanuel is de naam waarmee vechters worden gesterkt.

Deze namen zijn niet door mensen uitgedacht, maar door God zelf. Want de namen waarmee de Heiland bekend mag zijn onder de mensen, mogen niet zo maar namen zijn zonder enige betekenis, zoals onze namen veelal zijn. Maar het moeten namen zijn, die ons de Zoon van God doen kennen, zoals Hij is.

Daar ligt een Kindje in een kribbe. En de moeder, stil-gelukkig uitrustend van haar smart, zegt zachtjes: Jezus, m’n lieve Jezus-kind. En de man, die vader mag zijn naar de wet, die daarbij staat, zegt ook: Jezus, Jezus zal hij heten, Maria.

Want de engel is bij Jozef geweest, toen hij zich in zo grote moeite bevond. Die trouwe Jozef zat in zo grote perikelen, toen hij bemerkte, dat Maria een kindje droeg, waarvan hij niet de vader was.

Hij kon uit zichzelf niet opklimmen tot die gedachte, die in het geloof alleen te grijpen is, dat God de Vader is van het Kind; dat de Heilige Geest de plaats heeft ingenomen, die anders de vader inneemt bij het verwekken van zijn kinderen. En dan is er het woord, in die nacht, dat in de Kerstnacht werkelijkheid werd: en zij zal een zoon baren en u zult Zijn naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

Jezus, deze naam betekent: De HEERE is heil, verlossing, zaligheid.

Eigenlijk betekent het: de HEERE maakt ruimte. Hij maakt het zo, dat u uit een benauwd slop, waar de zon niet binnendringen kan en waar het vuil stinkt, wordt overgezet in een wijd land, met een hemel waar geen eind aan is en verten, waar je van wegduizelt en waar de lucht zo zuiver is, dat je er tot een ander mens wordt.

Dat is de heerlijkheid van het Kerstfeest, dat dit het feest is van de geboren Jezus.

Dit was de vreugdeboodschap van de engel aan de herders, dat hij zeggen mocht:  u is heden geboren de Zaligmaker.

Hém hebben de herders nodig. Hém heeft de wereld nodig. Zonder Hem kunnen wij niet sinds er geweest is de zondeval in het paradijs.

Er is maar één boodschap, die ook vandaag de wereld nog redden kan. De wereld met haar vele onvervulde idealen, de wereld met haar vele leed, de wereld met haar ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen. Deze boodschap, dat er een Verlosser is.

Deze boodschap moet worden geloofd.

En dan wel zo, dat u deze verlossing ziet in haar volle diepe rijkdom.

Jezus verlost maar niet van iets, dat vervelend is, van een stukje van narigheid, waarin u verkeert en waaronder u lijdt.

Hij snijdt maar niet van de uitgroei van de zonde wat af. Nee, Hij roeit de zonde zelf uit. Hij overwint de satan in eigen persoon. Hij snijdt de oorzaak uit van alle ellende, die er is, de zonde, waaruit alles opkruipt, wat het leven ongelukkig maakt.

En nu zegt het Kerstverhaal, dat één en al Evangelie is dat ieder, die zijn zonde kent en zichzelf ook mede schuldig weet aan al de wereldellende, mét zijn zonden komen mag naar het Kerstfeest en naar het Kerstkind, omdat dat Kind heet Jezus.

Hij zal zijn volk zalig maken van hun zonden.

Er wordt nog een naam genoemd in het Schriftgedeelte, dat we hier beluisteren.

We vieren het feest straks van het Kind met de twee namen.

Die andere naam is Emmanuel of Immanuel.

Want als het Kerstfeest is gebeurd en als daar het Kind ligt in de kribbe, dan is vervuld de profetie van het Oude Testament: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren en u zult zijn Naam heten Immanuel, hetwelk is, overgezet zijnde: God met ons.

In de tijd van Jesaja was de geboorte van het kind uit de maagd een teken. Een teken voor de koning uit het huis van Juda dat de HEERE Zijn volk nabij zou zijn.

Als dit kind, zegt de profeet, nog maar enkel jaren oud zal zijn, zullen de vijandelijke legers geworden zijn tot twee rokende brandhoutstompen.

Maar hier, op het Kerstfeest, is er het vervulde teken.

Hier, op Kerstfeest, is een Kind, Dat alleen maar uit het geloof verklaard kan worden.

Hier is een Kind, Dat in eigenlijke, volle zin, kan heten: Immanuel, God met ons!

Want hier is God in het vlees. Hier is de Godszoon, Die wordt neergelegd in een kribbe. Hier is het wonder aller eeuwen, dat alle geloofsstrijders op aarde kracht geeft om te volharden tot aan de overwinning, dat het werkelijk, werkelijk waar is, dat Jezus ook Immanuel heet, dat ik dus midden in mijn strijd, midden in mijn moeite roemen mag met de roemtaal van het geloof: Dit weet ik, dat God met mij is. Zo God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?

Immanuel, dat betekent, dat de afstand tussen God en ons, tussen de heilige God en het zondige schepsel, niet meer is. Dat er een antwoord is op de bange vraag: Heer, waar dan heen? En wel dit antwoord: Tot u alleen, U zult ons niet verstoten. Uw eigen Zoon heeft tot Uw troon de weg ons weer ontsloten.

Immanuel. Dat betekent, dat ik mijn strijd verder strijden kan en dat ik niet wanhopig behoef te zijn en dat er een toekomst voor mij is, een toekomst van louter vreugde. Want Jezus is mijn troost. Hij is mijn lied en mijn psalmgezang. En Immanuel is mijn sterkte. Want God is niet meer de oneindig-verre, die alleen maar toornen kan. Hij is mijn Vader, Die mij schraagt, als ik wankel. Die mij draagt, als ik val.

Immanuel, dat is de sterkte van de vechter, die strijdt de goede strijd des geloofs achter de Heere aan.

Laat er dan feest zijn in uw ziel om het Kind met de twee namen. Jezus – Immanuel!

Ziet, ik verkondig u grote blijdschap, dat u heden geboren is de Zaligmaker.

Jezus, Jezus, Uw naam zij d’ eer!

Ziet, de maagd heeft een Zoon gebaard en Zijn naam is: Immanuel, God met ons!

Laat dan de klokken luiden! Want het is Kerstfeest!

Kerstfeest voor zondaars. Zie, hier is uw troost!

Kerstfeest voor de vechters, die maar nooit klaar komen en altijd sterke wederstand moeten doen. Zie, hier is uw sterkte!

Gelooft dan in het Kerstkind met de twee namen: Jezus – Immanuel!

[1] Deze overdenking is van de hand van ds. D. Vreugdenhil (1909-2003) en eerder verschenen in: Gereformeerd Kerkblad voor Overijsel en Gelderland (2e jaargang no. 25, 24 december 1949).




Micha’s Adventspsalm

Onderstaand een overdenking n.a.v. Micha 7:18-20.[1]


“Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid. Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
U zult Jakob de trouw bewijzen en Abraham de goedertierenheid, die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.”
Micha 7:18-20

 

Micha eindigt zijn profetieën met een psalm. Het laatste, wat wij van Micha mogen horen, is een lied, waarin hij zingt van de adventsverwachtingen van zijn volk, van de trouw van de HEERE, Die Zijn beloften vervult en komen doet de Zoon van de vrouw de Messias, Die redding brengt.

Micha begint zijn profetieën met een prediking van het oordeel. Juda is afgeweken. Jeruzalem is een stad van zonde geworden. Je hoort in Micha’s woorden komen aanvliegen de gieren, krijsend  naar de buit.

Maar als Juda in het oordeel zijn God vasthoudt en terugkeert en zijn zonde belijdt en als God daarin toont Zijn volk niet te vergeten en te blijven denken aan de gelovige rest, dan mogen Micha’s woorden zijn als het zingen van de leeuwerik, die in pijlsnelle opvlucht naar omhoog de HEERE begroet, de God van de nieuwe dag.

Eerst is er in de adventspsalm van het zevende hoofdstuk nog de klacht over het erge, wat er in Jeruzalem gebeurt. Eerst is er nog zijn tekening van de grote, grote ellende, waarin zijn volk door zijn zonde gekomen is.

“Want de zoon maakt de vader te schande, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder: iemands vijanden zijn zijn eigen huisgenoten.”

En hij ziet het komen, het onafwendbare, het oordeel Gods, de vervulling van de bedreiging.

Maar daar eindt zijn lied niet mee.

Vanuit het land van de ballingschap klinkt een zang omhoog. Daar, waar de harpen hangen aan de wilgen, staat het volk des verbonds uit te kijken met de hand boven de ogen naar het beloofde heil, naar de beloofde Heilbrenger, de Messias der Schriften.

Het mag zeker zijn van Zijn komst.

Want Godzelf heeft Hem beloofd.

Daar is het woord geweest en het blijft doorklinken door de geschiedenis en het echoot in alles, wat in het Oude Testament ons wordt geopenbaard: “Ik zal vijandschap zetten…”

Micha grijpt zich aan Gods beloften vast, zoals wij dat ook mogen en moeten doen vandaag in de donkerheid van ons moeitevolle leven.

En hij zingt een lofzang op de komende Messias, Die in Zijn komen tot de aarde zou laten zien, dat God de wereld liefheeft, zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon geeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren zou gaan, maar het eeuwige leven zou hebben.

“Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom?”

Hier is een woordspeling op de naam van de profeet Micha, die naam betekent: “Wie is als de HEERE?” En de profeet eindigt zijn boek ermee, Wie is een God als u?

Dat zong Israël ook bij de Rode Zee, toen Farao en zijn leger verdronken was in het water en het volk van de HEERE wat daar stond, ongedeerd, wonderlijk bewaard. Wie is als U onder de goden?

Dat was toen een lied, dat Gods almacht bezong, Zijn wondermacht in grote daden van kracht.

Maar hier, aan het slot van Micha’s profetie is het een lied, dat de genade van de HEERE bezingt, Gods schuldvergevende liefde, Zijn verbondstrouw tot in het oneindige. Hier is het Oud-Testamentische Evangelie, de blijde boodschap, dezelfde, die later de engel brengen mocht in het veld van Efrata aan de herders die de nachtwacht hielden over hun kudde.

“Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal!”

God is genadig!

O, van onze kant ongerechtigheden genoeg. Elke dag stapelen we ze maar op. In gedachten, woorden, doen. Wat een hoge toren wordt dat! Een toren van ongerechtigheid, van overtreden van Gods wet!

Maar bij U is vergeving!

U gaat voorbij onze overtreding. Wij vieren Pascha op Kerstfeest. Het Kind in de kribbe garandeert voor ieder, die gelooft en in overgave zich voor Hem buigt, voorbijgang (pascha) van het oordeel. Want het overblijfsel van Zijn erfenis moet toch thuiskomen!

Dat overblijfsel, ach ja. Velen blijven achter. Vele kinderen van het Koninkrijk vinden de wetten van het Rijk te moeilijk en gaan een andere heer dienen. Maar toch – Zijn erfenis. Zijn volk, wie Hij zijn schatten uitdeelt, Zijn trouw bewijst. Hij houdt Zijn toorn niet vast voor altoos.

Als er bekering is, een weer dienen van de Heere, dan is er de glimlach van Zijn genade.

Neen, Micha, uw profetie verwaait niet in de wind. Nee, Jesaja, uw woord komt! Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren en ze zal Immanuël neerleggen in de kribbe van Betlehem.

Hoor de klokken zingen in vers 19.

“Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.”

Dat is de boodschap, die Israël toen nodig had.

Dat is het woord, waarnaar wij hunkeren in ons moeilijke leven vandaag Dat is Evangelie, blijde boodschap in de bange smart van het verstormde heden.

Niets is er in ons, wat God zou kunnen vermurwen.

Aan onze kant is er alleen maar zonde.

En nu, God vergeeft onze overtredingen. Dempen is vertreden. Hij loopt er overheen en vermorzelt ze. In de diepten van de zee gooit Hij ze, zodat ze weg zijn, voor eeuwig weg.

“Immers U, o Heere, zult Jakob de trouw bewijzen en Abraham de goedertierenheid, die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.”

Dat is adventsroem in klare zang.

Hier staat de profeet te zingen van het Kerstfeest, dat komen zal, van de Messias, Die geboren zal worden, met de zekerheid, die voor hem alles is: Daar staat het. Daar staat het in Gods eigen Woord en – de HEERE is getrouw, Die het ook doen zal.

Nu kan Micha zijn boek besluiten.

As Juda in zijn ballingschap het doen kan en het doen mag met alleen maar het beloofde heil, met de belofte van de Koning, Die komen zal, Eva’s grote Zoon, hoeveel te meer moet u dan vandaag genoeg hebben aan het geopenbaarde Woord, waarin de vervulling van de belofte U zo heerlijk geopenbaard owrdt.

Zelf valt u telkens weer in zonde. Uw ongerechtigheid is groot.

Belijdt ze voor de HEERE en vecht er tegen in de kracht van het geloof!

En laat ook Uw vertrouwen zijn de vastheid van het Woord van de Heere en laat uw adventspsalm zijn: De HEERE heeft het gezworen en Hij zal het doen!

Micha’s adventspsalm besluit het boek van zijn profetie.

En u, besluit u uw levensboek met de psalm van de verwachting, met de psalm van advent:

Op U steunt onze hoop,
o God van ons vertrouwen,
Zij worden nooit beschaamd,
die op Uw goedheid bouwen.

 

[1] Deze overdenking is van de hand van ds. D. Vreugdenhil (1909-2003) en eerder verschenen in: Gereformeerd Kerkblad voor Overijsel en Gelderland (2e jaargang no. 21, 26 november 1949).