De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (1)

Onderstaand een overdenking over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


Jubel luid, dochter van Sion! Zie, uw koning komt tot u!

Triomfantelijk klinkt deze profetie, waarmee Zacharia aan het volk Israël in zijn tijd de blijde boodschap mocht aankondigen: uw koning is op komst!

Overweldigend groot is de inhoud van deze profetie, in tegenstelling tot de situatie waarin Zacharia met Gods volk moest leven, kort na de ballingschap. In vernederende omstandigheden, onder de spot en aanvechting van de Samaritanen en andere bewoners van het land, waren ze op Gods bevel begonnen met de herbouw van de tempel, en kwam er ook een nieuw begin van herlevend volksbestaan in Jeruzalem en omgeving. Maar als volk van God bleven ze totaal onderworpen aan de souvereiniteit van het Perzische rijk – hun koning resideerde ver weg in het buitenland, in Susa, en vreemde beambten en functionarissen oefenden de bestuursmacht over Israël uit. De glorieuze tijd van Davids koningschap en de schitterende regeringsperiode van zijn zoon Salomo behoorden al eeuwenlang tot het verleden. Het volk van God was diep vernederd om zijn zonden. Een sprekend getuigenis daarvan is bewaard gebleven in het gebed op de vastendag, weergegeven in Nehemia 9: ‘Zie, wij zijn heden slaven en het land dat Gij aan onze vaderen gegeven hadt om de vrucht en het goede daarvan te genieten – zie, wij zijn daarin slaven; het geeft zijn rijke opbrengst aan de koningen die Gij over ons gesteld hebt wegens onze zonden, en zij heersen over ons lichaam en over ons vee naar hun welgevallen; daarom zijn wij in grote benauwdheid’ … (vs. 36-37). Het is Gods rechtvaardig oordeel, dat het zover gekomen is. ‘Want Gij hebt trouw betoond, mar wij hebben goddeloos gehandeld. Onze koningen, onze oversten, onze priesters en onze vaderen hebben uw wet niet onderhouden en geen acht geslagen op uw geboden en op de vermaningen die Gij tot hen hebt gericht. Zij hebben, trots hun koninkrijk en trots de grote weldaden die Gij hun gegeven had, en trots het ruime en vette land dat Gij hun ter beschikking gesteld hadt, U niet gediend en zich niet bekeerd van hun boze daden’ (vs. 33-35).

In die toestand van diepe vernedering gaf de Here aan de profeet Zacharia de opdracht, een kroon te zetten op het hoofd van de hogepriester Jozua. Die symbolische daad betekende echter niet dat Jozua tot koning werd verheven. De Verbondsgod gaf door de profetie van Zacharia daarvan deze verklaring: er komt een man, die ‘Spruit’ zal heten; hij zal de tempel bouwen en met majesteit bekleed zijn en als heerser en priester zitten op zijn troon (Zach. 6:12-13).

De Priester-Koning komt! Daarmee wijst de profetie op de vervulling van Gods Woord in Psalm 110: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek. De grote Koning van de Messiaanse toekomst zal niet alleen met macht regeren, maar ook de Hogepriester zijn voor zijn volk. Zijn koningschap draagt een uniek karakter, omdat het in een strikt personele unie verbonden zal zijn met het priesterambt. En daardoor zal heel het optreden en de regering van deze koning worden bepaald en gedragen. De komst van deze Messias-koning wordt nu door Zacharia aangekondigd als een vreugde voor Sion en Jeruzalem: úw koning komt tot u! Hij is geen vreemde usurpator, die van buitenaf zijn macht aan Gods volk doet voelen, als een indringer op de troon van David. Als Koning is Hij één met zijn volk. Hij komt als de triomferende verlosser, om recht te doen aan armen en verdrukten. Hij verheft zich niet arrogant boven dat volk, maar is nederig. Als sprekend teken daarvan zal Hij rijden op een jonge ezel: niet in de imponerende glorie van Salomo en de latere koningen van Israël en van de omwonende volken, maar in de eenvoud van David en andere vooraanstaande figuren uit Israëls verleden. Hij komt niet met militair vertoon van paarden en pantserwagens, waarin de heidense naties en ook de koningen van Israël na David hun macht manifesteerden. Zijn optreden en zijn heerschappij vertoont een totaal andere signatuur, en voor de uitoefening van zijn macht bedient Hij zich van geheel andere middelen dan die waarin deze wereld haar kracht zoekt.

Wanneer komt deze Priester-Koning? Dat is aan Zacharia blijkbaar niet geopenbaard. Toen de Makkabeeën in een geweldige vrijheidsoorlog de joodse natie weer een eigen zelfstandig bestaan gaven, kwam ook de verwachting van een hersteld koningschap over Israël opnieuw tot leven. Simon de Makkabeeër, ‘de grote hogepriester, veldheer en aanvoerder der joden’, proclameerde de volledige zelfstandigheid van het joodse land. Zijn opvolgers konden zich ongeveer zestig jaar als koninklijke regenten over Israël handhaven. Maar hoe zijn de verwachtingen telkens beschaamd! De geschiedenis van deze dynastie (de Hasmoneeën) was vol van rivaliteit, intriges en moordpartijen. Aan hun regering kwam definitief een einde, toen de Edomiet Antipater met hulp van de Romeinen aan de macht kwam. Zijn zoon Herodes werd koning over Judea onder de souvereiniteit van het Romeinse imperium. Het volk van Jakob moest zich buigen voor het koningschap van Ezau. Waar bleef de gezegende heerschappij van de Messias-Koning?

In die donkere periode bleef de verwachting van dat koningschap toch leven in het hart van Israël. De profetieën van de grote Koning, de ‘hoorn des heils’ uit het huis van David, werden gelezen en gereciteerd in de tempel en de synagoge, in de scholen en de huizen. Simeon was niet de enige, die ‘de vertroosting van Israël’ verwachtte; ook anderen zagen uit naar de grote verlossing voor Jeruzalem (Lucas 2:25,38).


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.

 




Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen (2, slot)

Door: M.R. Vermeer

“En hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.”
~Mattheüs 2:15

We vervolgen de bespreking van Mattheüs 2:15. In het voorgaande artikel werd erbij stilgestaan dat de exodusprofetie van het Oude Testament nog op volkomen vervulling wacht. De vraag die ons nu bezighoudt is: hoe, op welke manier, is Jezus’ verblijf in Egypte een vervulling van deze profetie?

 

Typologie?
Veel (niet-schriftkritische) exegeten volgen bij de uitleg van deze tekst een typologische benadering. De uitleg is dan ongeveer (met allerlei variaties), dat Israël type is van Christus en de uittocht een voorafschaduwing van Christus’ komen uit Egypte. De terugkeer van het kind Jezus uit Egypte is dan de ‘vervulling’ van de profetie.[1]

Nu is het opmerkelijk dat de vervulling (“opdat vervuld werd”) niet wordt genoemd aan het einde van deze geschiedenis, namelijk bij de terugkeer uit Egypte (vers 21), maar reeds aan het begin, namelijk bij de vlucht naar Egypte (vers 15). Ook is er op een belangrijk punt geen overeenkomst tussen ‘type’ (beeld) en ‘antitype’ (tegenbeeld): de uittocht van Israël (vanuit de ‘gevangenis’ Egypte) is toch heel anders dan de reis van Jezus (vanuit de ‘schuilplaats’ Egypte).[2]

De vraag is dan ook of een typologische uitleg hier van toepassing is. Typologie mag toch niet willekeurig zijn, maar moet gegrond zijn in de Schrift zelf.

 

Opdat…
De gereformeerde predikant J.W. Smitt heeft zich uitvoerig met de ‘vervullingsformules’ in het evangelie naar Mattheüs beziggehouden.[3] In dit evangelie wordt immers op meerdere plaatsen van ‘vervulling’ van profetieën uit het Oude Testament gesproken. De structuur is dan steeds dat er is: a) een verhaalde gebeurtenis, b) een vervullingsformule en c) een citaat. Voor onze tekst zijn dit achtereenvolgens: a) de vlucht van Jezus naar Egypte (2:14,15a), b) de vervullingsformule “opdat vervuld werd…” en c) het citaat “Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen”.

In zijn diepgravende studie heeft ds. Smitt er aandacht voor gevraagd, dat er voor deze (in totaal elf) vervullingsformules drie verschillende voegwoorden (‘opdat’, ‘zodat’ of ‘toen’) worden gebruikt. Voegwoorden waarmee een verschillend verband wordt gelegd tussen de verhaalde gebeurtenis en het citaat. Niet in alle vertalingen komt dit onderscheid naar voren, in de Herziene Statenvertaling worden de verschillende voegwoorden in het algemeen wel verschillend vertaald.[4]

De verschillen tussen genoemde drie voegwoorden zijn als volgt:

  1. Het voegwoord ‘toen’ (Matth. 2:17, 27:9) geeft aan dat in het verhaalde feit de profetie tot volkomen vervulling is gekomen.
  2. Het voegwoord ‘zodat’ (Matth. 2:23, 8:17, 13:35) duidt een doel aan en betekent: ‘zodat in deze weg vervuld zou worden…’. Het wil aangeven dat de aanvankelijke vervulling leidt tot het uiteindelijke doel van volkomen vervulling.
  3. Het voegwoord ‘opdat’ (Matth. 1:22, 2:15, 4:14, 12:17, 21:4, 26:56) geeft (evenals ‘zodat’) een doel aan. Echter, aanvullend ten opzichte van ‘zodat’ kan door dit voegwoord ook de oorzaak worden aangeduid: de vervulling van de profetie wordt veroorzaakt door, volgt op, het aan de vervullingsformule vooraf beschreven feit.

 

De uittocht gegarandeerd
In de tekst die onze aandacht vraagt, is het gebruikte voegwoord ‘opdat’ dus van betekenis voor de uitleg.

In de eerste plaats wil, zoals we zagen, het voegwoord ‘opdat’ het doel aangeven. Dit doel is de volkomen vervulling van de exodusprofetie. Een vervulling welke tot stand komt in de weg van een ‘meervoudige vervulling’:

“Het is een herhaalde exodus; eerst uit Egypte, vervolgens uit Assur en uiteindelijk uit het grote Babylon. In de weg van de vervullingshistorie completeert de Here de vervulling van zijn beloften”.[5]

In de tweede plaats geeft dit ook een oorzakelijk verband aan: door Jezus’ vlucht naar, verblijf in, Egypte is de vervulling van de exodusprofetie gegarandeerd:

“Mattheüs wil daarmee niet zeggen, dat Gods roepen van zijn zoon uit Egypte in Jezus’ vlucht naar Egypte is gerealiseerd en tot vervulling is gekomen maar door die vlucht is gegarandeerd! Die vlucht van Jezus naar Egypte was nodig, opdat daardoor de heilsprofetie van Hosea “uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen” tot vervulling zou kunnen komen.”[6]

 

Evangelie van de plaatsvervanging
Op deze manier gelezen, wordt in het Matthëus-evangelie het citaat uit Hosea 11 niet zozeer profetisch, maar veeleer instructief gebruikt. Ook de joden (voor wie dit evangelie speciaal is geschreven) moeten inzien dat voor hun uittocht uit Egypte (en de openstaande belofte van een ‘uittocht’) de garantie nodig is van Christus’ lijden en sterven.[7]

Zo wijst deze tekst ons op het evangelie van de plaatsvervanging. De vlucht van Jezus naar Egypte was onderdeel van het heilswerk van Christus. Zijn vlucht daar naartoe was immers een ‘lijden’, maar ook een bewaring voor nog verder lijden én sterven, om zo de uittocht van Zijn volk te garanderen. Het is een schakel in de voortgang van Zijn lijden: van kribbe naar kruis. Een gebeurtenis waarvan we dan ook kunnen zeggen, naar een woord in het avondmaalsformulier: Hij voor ons naar Egypte, omdat wij anders voor eeuwig in Egypte hadden moeten blijven.

 

[1] De evangelicale exegeet Beale zegt bijvoorbeeld: “Het is beter (…) om Mattheüs’ eigenlijke gebruik van Hosea 11:1 te zien als een klassiek voorbeeld van pure typologie: ‘de herkenning van een correspondentie tussen nieuw- en oudtestamentische gebeurtenissen, gebaseerd op een overtuiging aangaande het onveranderde karakter van de principes van Gods werken’” [G.B. Beale and D.A. Carson (eds.), Commentary on the New Testament Use of the Old Testament (Grand Rapids: Baker Academic, 2009), p. 8].
[2] Een minderheid van de exegeten die een typologische uitleg voorstaan, zien vanwege deze argumenten dan ook de vlucht van Jezus naar Egypte (i.p.v. Zijn terugkomst uit Egypte) als vervulling. ‘Egypte’ is dan een symbolische aanduiding van Israël: Jeruzalem is het nieuwe ‘Egypte’ waaruit Jezus als een tweede Mozes de kudde van Christus’ getrouwen moet bevrijden [zo bijv. D. Holwerda, Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen (Kampen: Uitgeverij Kok, 2006), p. 73]. Egypte is echter als geografische aanduiding bedoeld, ook is dit (net als voor Israël vroeger) voor Christus “een diensthuis en vernedering” [zie J.W. Smitt, Opdat vervuld zou worden (deel I) (Groningen: De Vuurbaak, 1975), p. 102].
[3] In een tweedelige studie onder de titel ‘Opdat vervuld zou worden’ (zie voorgaande voetnoot). Opvallend en jammer is dat zijn uitleg bij mijn weten nauwelijks is besproken in de exegetische literatuur. In de stellingen bij het proefschrift van W.F. Wisselink, Assimilation as a Criterion for the Establishment of the Text (Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1989) komt als stelling voor (contra J.W. Smitt): “…de betekenis van de zogenaamde vervullingscitaten in Matteüs kan niet vastgesteld worden aan de hand van een scherp verschil in betekenis tussen ὅπως (‘zodat’, MV) en ἵνα (‘opdat’, MV). Dat geldt te meer, indien in Matteüs 12,17 de voorkeur moet worden gegeven aan de lezing ὅπως”). Hierbij worden echter geen argumenten gegeven naast het tekstkritische argument m.b.t. slechts één van de ‘vervullingsteksten’ (een argument wat lijkt samen te hangen met verdediging van de meerderheidstekst).
[4] In de Statenvertaling is er geen verschil gemaakt tussen ‘opdat’ en ‘zodat’. Met betrekking tot de Herziene Statenvertaling zijn er drie bijzonderheden: a) Voor Mattheüs 13:35 geldt dat de Herziene Statenvertaling wel met ‘opdat’ vertaalt in plaats van ‘zodat’; b) Voor Mattheüs 12:17 heeft de Herziene Statenvertaling, in navolging van de Textus Receptus, het woord ‘opdat’. Op tekstkritische gronden kan ook met de teksteditie van Nestle-Aland ‘zodat’ worden gelezen, hetwelk ds. Smitt ook doet; c). De Herziene Statenvertaling heeft in Mattheüs 27:35 een tekst met ‘opdat’, deze tekst wordt door ds. Smitt om tekstkritische redenen niet overgenomen.
[5] Smitt, a.w., p. 85.
[6] Smitt, a.w., p. 90.
[7] Opvallend is dat Mattheüs de vervullingscitaten vaak weergeeft in een vorm die dichter staat bij de MT en niet noodzakelijk de LXX volgt (in de overige delen van het Mattheüs-evangelie is bij citaten uit het OT meer aansluiting bij de LXX). Is dit om aan de joodse lezerskring van het evangelie vanuit de Schriften nauwgezet aan te tonen dat Jezus de Christus is?




Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen (1)

Door: M.R. Vermeer

“En hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet: Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.”
~Mattheüs 2:15

Het evangelie naar Mattheüs verhaalt ons de vlucht van Jezus naar Egypte. De evangelist vermeldt dat dit plaatsvond opdat vervuld werd het woord van de Heere: “Uit Egypte heb ik Mijn zoon geroepen” (Hos. 11:1).[1]

Nu kan de vraag worden gesteld: hoe kan deze gebeurtenis een vervulling zijn van hetgeen staat in Hosea 11? Ziet Hosea niet terug op de uittocht uit Egypte, in plaats van vooruit naar de toekomst? Ook gaat het geciteerde tekstgedeelte toch juist over Israël als ‘zoon’, in plaats van over Jezus als Gods Zoon? Kortom: is het wel een profetie, laat staan een messiaanse profetie?

 

Israël als zoon
In Hosea is het kind-zijn van Israël één van de beelden (naast het huwelijk) voor de relatie van de Here met Zijn volk. De Here heeft Israël reeds liefgehad toen het een kind was (Hos. 11:1). Een onverdiende liefde, die niet is gebaseerd op iets goeds of verdienstelijks van Israël zelf. Een liefde die is een daadwerkelijk liefhebben, zoals in de geschiedenis van het volk is gebleken: Hij heeft hen bevrijd uit het slavenhuis van Egypte.[2]

Nu moeten we ermee rekenen dat Mattheüs met dit ene citaat uit het begin van Hosea 11 heeft willen verwijzen naar de profetie in dit tekstgedeelte als geheel (Hosea 11:1-11). Veel van zijn lezers kenden de Schriften immers door (voor)lezing, waarbij een enkel citaat voldoende was om ook het daaropvolgende Schriftgedeelte in herinnering te brengen.[3]

Een Schriftgedeelte waarin direct na dit begin, vol van het ontfermend liefhebben van de Here, ook de ernstige afval van het volk moet worden aangewezen: “Maar hoe meer zij hen riepen, hoe meer zij van onder hun ogen wegliepen. Aan de Baäls offerden zij…” (11:2). Naast het roepen van de Here was er de lokroep van de heidense volken tot Israël, waardoor het volk andere goden achterna ging lopen.[4] Deze afdwaling van het volk doet oordelen en gerichten van de Here komen: Israël zal naar Egypte terugkeren en door Assur overheerst worden (11:5).[5]

 

Redding en herstel
Toch eindigt dit hoofdstuk met een boodschap van redding en herstel: de Here zal Zijn volk niet prijsgeven (11:8-11). Een toekomstige ‘exodus’ zal er zijn, waarbij de zonen van Israël “bevende zullen komen als een vogel uit Egypte (!), als een duif uit het land Assyrië” (11:11). Hier staat dus Egypte symbool voor een verblijf in ballingschap.[6]

Nu zijn de tienstammen (waartoe Hosea zich richtte) verloren gegaan, hoewel afstammelingen van deze tienstammen zijn vermengd met de Judeeërs. De profetie van Hosea 11 vraagt nog om (volledige) vervulling.

Het citaat uit Hosea 11:1 wijst dus niet alleen terug naar de uittocht uit Egypte, maar doet ook (vanuit het bredere tekstgedeelte) vooruit zien naar een toekomstige ballingschap én uittocht.

 

Exodusprofetie
Dit wordt nog duidelijker wanneer we letten op Schriftplaatsen die verbonden zijn met Hosea 11.

Een duidelijke verbinding is er uiteraard met Exodus 4:22-23. Mozes krijgt hier opdracht om tegen Farao te zeggen: “Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.” Voor het eerst wordt hier Israël als ‘zoon’ aangeduid, net voor de uittocht uit Egypte.

Toch zijn er meer Schriftplaatsen die resoneren in Hosea 11. Zo is er ook een verbinding met tekstgedeelten uit Deuteronomium.[7] Opvallend is dat in Hosea 11:8 de plaatsen Adama en Zeboïm worden genoemd. Het zijn twee plaatsen die met Sodom en Gomorra het volk Israël als waarschuwend voorbeeld zijn voorgehouden: bij afval van de Here zal het land zijn als Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm (Deut. 29:23).[8] Ja, bij verbondsverlating zullen ze worden weggeworpen in een ander land (Deut. 29:28).

Door Hosea wordt aangekondigd dat de verbondsvloek, zoals in Deuteronomium gepredikt, nu van toepassing is: het volk zal naar Egypte terugkeren en door Assur worden geknecht (Hos. 11:5). Tóch is er nog hoop voor het volk: de straffen van de Here zullen niet tot een volkomen ondergang van het volk leiden. Israël zal in ballingschap gaan, maar een rest zal terugkeren uit het land Assyrië (Hos. 11:11). Een terugkeer die ook reeds in Deuteronomium het volk was voorgehouden: “Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen” (Deut. 30:3).

De profetie van Hosea staat dus in het raamwerk van dreiging en herstel zoals in Deuteronomium het volk is voorgehouden.[9] Het gaat ten diepste om de aloude exodusprofetie, dat de Here Zijn volk zal uitleiden uit het diensthuis van de zonde, om uiteindelijk te komen in het (hemelse) Kanaän.

 

Vervulling in Mattheüs
Lezing van Hosea 11 als geheel, tegen de achtergrond van daarmee verbonden tekstgedeelten, maakt duidelijk dat de roeping uit Egypte een ‘openstaande belofte’ inhoudt. Dan blijft echter de andere vraag over die we aan het begin stelden: hoe kan Jezus’ verblijf in Egypte een vervulling zijn van de belofte voor Israël? Bij deze vraag zal worden stilgestaan in het volgende (laatste) artikel.

 

[1] Het woord ‘zoon’ is hier geschreven met een kleine letter. Dit is anders dan in de Herziene Statenvertaling, het volgende artikel maakt duidelijk waarom dit zo is.
[2] Het woord ‘liefhebben’ (’ahab) is in het Oude Testament een ‘kernwoord’ voor Gods onvoorwaardelijke verkiezingsliefde (bijv. Deut. 4:37, 23:5). Hiermee wordt de grondreden voor het handelen van de Here met Zijn volk aangeduid: de Here heeft lief omdat Hij liefheeft. Het is vaker als werkwoord gebruikt dan als zelfstandig naamwoord: “De joden dachten niet over liefde als een idee of als een abstractie, ze zagen het als een activiteit” [Norman H. Snaith, The Distinctive Ideas of the Old Testament (London: The Epworth Press, 1955), p. 174].
[3] Jakob van Bruggen, Matteüs. Het evangelie voor Israël. (Kampen: Uitgeverij Kok, 1999), p. 54.
[4] Bij de vertaling (en verklaring) van Hosea 11:2 is onduidelijk aan wie het subject refereert (‘….hoe meer zij hen riepen’). Gaat het om de profeten die het volk riepen, maar wiens woorden het volk in de wind sloegen? In een recente uitleg wordt onderbouwd (vanuit intertekstualiteit met Numeri 23-24) dat hier Moab wordt aangeduid, die het volk Israël ‘afriep’ van de Here [Caleb L. Fordham, Out of Egypte I Called My Son: From Moses to Hosea (Diss. Southeastern Baptist Theological Seminary, Wake Forest, NC, 2022, url: Out of Egypt I Called My Son: From Moses to Hosea to Matthew – ProQuest), pp. 155-156]. Ook de Korte Verklaring komt op een andere wijze tot deze verklaring en leest met de LXX een gewijzigde tekst: “Men riep hen, en aanstonds trokken zij weg van mijn (i.p.v. hun) aangezicht”.
[5] De HSV vertaalt Hosea 11:5 als: “Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte”. Het lijkt beter om dit met de LXX als een positieve zin te lezen: ‘Hij zal terugkeren naar het land Egypte”, of als een retorische vraag op te vatten: “Zal Israël niet terugkeren naar het land Egypte?”  [G.K. Beale, ‘The Use of Hosea 11:1 in Matthew 2:15: One More Time’, Journal of the Evangelical Theological Society 55/4 (2012), p. 712 e.v.]. Ook zou vanuit de MT vertaald (en verklaard) kunnen worden: “Israël zal niet naar Egypte terugkeren, integendeel, Assyrië zal zijn koning zijn” (de gedachte is dan dat ‘steunen op Egypte’ niet helpt, maar Assyrië zal overheersen, zie blogpost en discussie op Biblische Ausbildung: Shall They Return to Egypt?? (Hosea 11:5)).
[6] Zoals in 11:5 kan Egypte hier letterlijk worden opgevat, of als metonymie.
[7] Zie hiervoor ook voetnoot 1, met een verwijzing naar Deuteronomium wat betreft het heel significante woord ‘liefhebben’.
[8] Specifiek deze twee plaatsen, want hiermee wordt expliciet een verwijzing gelegd naar Deuteronomium 29 (en niet naar Genesis 19, waar deze plaatsen niet samen met Sodom en Gomorra worden genoemd).
[9] Intertekstualiteit is er ook met Numeri 23-24 (spreuken van Bileam). Sommige exegeten (bijv. Fordham, a.w. p. 159) leggen een verbinding met Numeri 24:8: “God heeft hem uit Egypte uitgevoerd”, waarbij het ‘hem’ dan wordt toegepast op de toekomstige koning waarover het voorgaande vers spreekt (i.p.v. op Israël). Op deze manier kan vanuit het OT een messiaanse toepassing worden verdedigd (waarbij de LXX deze messiaanse lezing nog aannemelijker maakt). Logischer lijkt mij om in Num. 24:8 Israël aangeduid te zien (waarvoor wisselend een enkelvoud en meervoud kan worden gebruikt).




In het nieuwe jaar: weest waakzaam!

“Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn”.

~1 Thessalonicenzen 5:6

 

Door H. Plaggenmars

 

De feestdagen zijn inmiddels voorbij. Het nieuwe kalenderjaar is begonnen.
Het is een goede gewoonte om aan het begin van een nieuw kalenderjaar iedereen de beste wensen mee te geven. Gelukkig nieuwjaar. Veel Heil en Zegen.
Maar wensen wij elkaar ook toe om waakzaam te zijn?
Waakzaam en nuchter te zijn met de hoop op de zaligheid opdat wij met Hem zouden leven.
Het is, zo vlak na de jaarwisseling, goed om stil te staan bij de oproep uit Gods Woord om waakzaam en nuchter te zijn. Een oproep die tot ons komt in de eerste brief van apostel Paulus aan de gemeente in Thessalonika.
Een oproep om elkaar te bemoedigen. Elkaar te bemoedigen ook aan het begin van dit nieuwe jaar. Het jaar 2024.

 

Geroepen
De oproep om waakzaam te zijn is bedoeld voor de gemeente. Dat wordt duidelijk wanneer de Apostel in vers 1 de broeders aanspreekt.
De brief is gericht aan de gemeente te Thessalonika. Het is één van de oudste brieven van het Nieuwe Testament.
Thessalonika is nu een Griekse stad. Destijds was deze Griekse Stad een belangrijke plaats in de Romeinse provincie Macedonië. De stad was gelegen aan de zee (KV, P83).
Dr. Bavinck heeft het in dit verband over een wijde baai met een haven voor diverse schepen (GDG, deel 2, pag. 589)[1].

Apostel Paulus bezocht deze stad met Timotheüs en Silas tijdens zijn tweede zendingsreis.
Daarvan kunnen wij lezen in Handelingen 16 en 17.
Paulus is tijdens zijn tweede zendingsreis speciaal geroepen om naar Macedonië af te reizen en daar het Evangelie te verkondigen.
Wij lezen daarvan in het boek Handelingen.
Het is een bijzondere roeping die volgt uit een visioen die de apostel s ’nachts ontving.
Een visioen waarin een Macedonisch man hem dringend vroeg: Kom over naar Macedonië en help ons! (Hand.16:9).
Apostel Paulus reist meteen af in de richting van Macedonië en komt via Fillipi en Apollonia aan in de stad Thessalonika (Hand.16:10).

 

In Thessalonika
Bij zijn komst in deze stad gaat Paulus in gesprek met de Joden in de synagoge.
Dat doet hij drie sabatten lang. Hiervan lezen wij in Handelingen 17 (Hand.17:2).
Hij opent de Schriften en verkondigd dat Christus moest lijden en opstaan uit de doden.
Sommigen uit de synagoge sluiten zich bij Paulus en Silas aan.
En daarnaast ook een grote menigte van de Godvrezende Grieken.
Deze ontwikkeling stuit op verzet tegen de Christelijke gemeente in Thessalonika (Hand. 17:6).
Wat gebeurt er dan? Nu, de Joden veroorzaken een oploop en verstoren de orde in de stad.
De Joden brengen de bestuurders van de stad in verwarring met als gevolg dat de apostel Paulus en Silas worden weggestuurd naar Berea (Hand.17: 8).

 

Oproep
Apostel Paulus schrijft daarna een brief aan de gemeente in Thessalonika om hen te bemoedigen (1 Thess. 2:2,17).
Apostel Paulus is dankbaar dat de gemeente navolgers zijn geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn (1 Thess. 2:14).
Volgens Greijdanus[2] was Paulus ten dele zeer verblijdend omdat de apostel wist hoe het met de gemeente stond, wat haar moeilijkheden waren en hoe zij te lijden had van verdrukking (1 Thess. 3).
Maar in de brief klinkt ook oproep en onderwijs. Eerst een oproep om heilig te leven.
Blijkens hoofdstuk 4 en 5 waren er misstanden over levensgedrag, over gestorven gelovigen en over de Dag van de Heere.
In de 1e vers van hoofdstuk 5 wordt gesproken over tijden en gelegenheden (1 Thess. 5:1).
Deze tijden en gelegenheden staan in verband met de Dag van de Heere (1 Thess. 5:2).
De Apostel gebruikt daarvoor twee woorden die betrekking hebben op de tijdsduur of tijdsbestek én een bepaalde tijd of gelegenheid.
In dit verband vinden we dan ook de oproep om waakzaam en nuchter te zijn.

 

De Dag van de Heere
De Dag van de Heere komt namelijk als een dief in de nacht (1 Thess. 5:2).
De Dag van de Heere wordt in het Oude Testament in verband gebracht met het verschijnen van de beloofde Messias.
Zefanja mocht profeteren van de Dag van de Heere met de volgende woorden: “Want nabij is de dag van de Heere, ja, de Heere heeft een offer bereid” (Zef. 1:7).
De profeet Maleachi heeft van deze Dag geprofeteerd. Waaronder met de volgende woorden: “Zie, Hij komt, zegt de Heere van de Legermachten. Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?” (Mal. 3:2).
Wat de betekenis in het Nieuwe Testament betreft, wijst dr. Van Leeuwen in zijn korte verklaring op De Dag van de Heere waarin de Heere Jezus Christus met majesteit verschijnt (KV, p.145).
Ten aanzien van deze tekst verwijst Ds. Teunis bij vers 4 naar de Dag van Christus’ wederkomst.
Wat de tekst zelf betreft, is het duidelijk dat het gaat om de dag van wederkomst en oordeel.
Wanneer de apostel Paulus in zijn 2e brief aan de gemeente in Korinthe schrijft over het einde, bemoedigt hij deze gemeente met de volgende woorden: “dat wij uw roem zijn, zoals u ook onze roem bent op de dag van de Heere Jezus” (2 Kor. 1:14).

 

Onverwacht
En de Dag van de Heere komt onverwacht. Ja, onverwacht als een dief in de nacht.
Wanneer de wereld denkt aan vrede en veiligheid dan overkomt hen een onverwacht verderf.
Het eindgericht komt voor de wereld onverwacht. De 1e verzen van dit hoofdstuk spreken dus van dreiging, van aansporing en van een onverwachte komst van het eindgericht bij de wederkomst van de Heere.
Want de Dag van de Heere zal komen zonder waarschuwing vooraf (Matth. 24:43).
Zo sprak Christus op aarde over de wederkomst als een aansporing tot waakzaamheid: “Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar  alleen aan Mijn Vader” (Matth. 24:36).

 

Niet slapen
Maar laten wij niet slapen maar waakzaam en nuchter zijn.
De tegenstelling met hen die slapen, met hen die zich in vrede en veiligheid wanen, met hen die in valse ongerustheid verder leven wordt door de apostel onder woorden gebracht vanaf vers 4. De broeders mogen niet in deze duisternis verkeren.
Nee, ze mogen verkeren onder het licht van Gods Woord bekleed met Geloof en Liefde (vers 8).
In de korte verklaring wordt ook duidelijk naar de tegenstelling in de tekst tussen vers 3 en 5 verwezen. Nee, de broeders zijn letterlijk zonen van het licht en zonen van de dag (KV, p.147).

En daarom, laten wij niet slapen, zoals de anderen, maar waakzaam en nuchter zijn.
Het gebruikte woord voor “slapen” kan ook een toestand van geestelijke traagheid of werkeloosheid betekenen.
Dat wordt ook duidelijk bij het lezen van de brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Efeze. In deze brief klinkt in hoofdstuk 5 de waarschuwing dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en dat de gelovigen zich niet mogen laten misleiden maar moeten wandelen als kinderen van het Licht (Ef. 5: 5-8).

 

Ontwaak
In dat verband onderwijst de apostel met de volgende woorden, citaat uit Efeze 5:14: “Ontwaak, u die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten”.
En dat betekent dat de gelovigen geen deel mogen hebben aan de onvruchtbare werken van de duisternis.
Dit wordt ook onder woorden gebracht door dr. Greijdanus. Volgens hem betekenen deze woorden dat de gelovigen anders moeten zijn dan hen die in duisternis verkeren.
Zij moeten de zondeslaap niet slapen, maar zij moeten geestelijk wakker en nuchter zijn.
Zij moeten in het geloof staan, vol liefde en hoop[3].

 

Weest bereid
In zijn uitwerking over de aanwijzing van de levenshouding van de gemeente in de wereld vergelijkt Ds. Teunis het slapen met een groot gevaar. Volgens hem staat daarbij het leven op het spel.
Slapen is dan het kenmerkende van die anderen die niet aanvaarden dat de wereld in snelle vaart naar de afgrond glijdt als het Woord van God wordt verworpen[4].
Bij zijn uitleg verwijst hij in dit verband naar de gelijkenis van de 10 meisjes. En dat is niet zonder reden. Deze gelijkenis komt u misschien wel bekend voor.
Deze gelijkenis over de wijze en dwaze meisjes kunnen wij terugvinden in Mattheus 25.
De 10 meisjes nemen hun lampen mee en gaan de bruidegom tegemoet. De wijze meisjes, die verstandig en bedachtzaam waren om de olie voor hun kruiken mee te nemen, stonden klaar bij de komst van de bruidegom.
En dat in tegenstelling tot de dwaze meisjes die geen olie bij zich hadden.
In deze gelijkenis wordt van de meisjes vermeld dat ze in slaap vielen (Matth. 25:5).
Aan het einde van deze gelijkenis roept Christus dan ook op om waakzaam te zijn.
Christus spoort volgens het evangelie naar Mattheus aan met de volgende woorden: “Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal” (Matth. 25:13).

 

Weest waakzaam
De tekst vervolgt met de oproep om waakzaam en nuchter te zijn.
Het woord dat de Apostel hier gebruikt duidt ook op waken, wakker zijn.
Christus heeft zijn toehoorders meerdere keren opgeroepen om waakzaam te zijn.
Ook wanneer Hij spreekt over de wederkomst, de Dag van de Heere.
Naar het evangelie van Mattheus met de volgende woorden: “Wees dan waakzaam, want u  weet niet op welk moment uw Heere komen zal” (Matth. 24:42). Naar het evangelie van Markus met  de volgende woorden: “Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt” (Marcus 13:35).
De gelovigen moeten dus waakzaam zijn. Dat is wakker zijn.
De aansporing om wakker zijn, dat is door de Heere zelf mij, u en jou op het hart gebonden[5].
Opdat Hij u, als Hij plotseling komt, niet slapend aantreft (Marcus 13:36).

 

Weest nuchter
De gelovigen moeten ook nuchter zijn. Want de gelovigen zijn zonen van de dag (vers 5).
De korte verklaring brengt deze nuchterheid in verband met het leven van de dag.
De apostel Paulus gebruikt hier een woord dat ook duidt op bezonnen zijn, bedachtzaam zijn. Nuchterheid staat tegenover losbandigheid, dronkenschap en zwelgpartijen.
Apostel Petrus gebruikt dit woord ook in zijn 1e brief aan de vreemdelingen om hen aan te sporen zich te wapenen tegen de zonde en losbandigheid.
Nadat hij een opsomming geeft over het leven in duisternis spoort hij de vreemdelingen aan met de woorden, citaat uit 1 Petrus 4: “En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in de gebeden” (1 Petrus 4:7). Volgens ds. Teunis staat nuchterheid met geloof in verband.
Het ware geloof maakt nuchter. Nuchterheid dat de werkelijkheid van Het Evangelie doet inzien. De nuchterheid dat door de uiterlijke dingen doet heen kijken[6].
Het ware geloof dat vanuit de Bijbel de werkelijkheid doet inzien dat Hij, de Zoon des Mensen, werkelijk zal wederkomen. Het ware geloof doet ons leven in het besef van de jongste dag, de Dag van de Heere, die eens komen zal. Laten wij dus bekleed zijn met het borstharnas van Geloof en Liefde.
Opdat de zaligheid wordt verkregen door de Heere Jezus Christus (1 Thess. 5: 8).

 

Het nieuwe jaar in.
Het nieuwe jaar is in de afgelopen dagen begonnen.
Het nieuwe jaar van de Heere, anno Domini 2024.
Het is voor ons onduidelijk wat het nieuwe jaar zal brengen.
Het is onduidelijk wat er gebeurt in de wereld die verkeerd in rampen en oorlogen.
Geruchten van aardbevingen en oorlog ook in de afgelopen dagen.
Het is onduidelijk of de oorlogen, nu in Oekraïne en Gaza, zullen voortduren of zullen eindigen.
Het is onduidelijk hoe groot de tegenstand zal zijn tegen het Woord van de Heere in het nieuwe jaar.

 

Neem het Woord van de Heere in acht.
Wel is duidelijk dat de Dag van de Heere zal komen. Dat leert ons de Bijbel duidelijk.
Daarop hebben de apostelen gewezen in hun onderwijs. Daarop heeft Christus zelf hier op aarde zijn toehoorders gewezen. Daarom wijst Gods Woord elke dag ook in het nieuwe jaar.
Op die Dag van de Heere. De Dag van Zijn wederkomst dat ook een dag van oordeel en gericht is.
Wanneer die dag zal aanbreken is niemand bekend.
Duidelijk is wel dat die Dag van Zijn wederkomst onverwacht zal komen als een dief in de nacht.

 

Aansporing voor elke dag
De Bijbel, Gods Woord, spoort aan om niet te slapen, maar waakzaam en nuchter te zijn.
Aansporing om klaar te staan als de Zoon des Mensen zal terugkomen.
Aansporing van de apostel Paulus aan de gemeente in Thessalonika toen en voor de gelovigen vandaag.
Een aansporing van Christus zelf met de woorden: “Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen” (Matth. 24:44).
Maak ernst met het Woord van de Heere.
Maak ernst met het ware geloof in Christus.
Vertrouw in Hem die spoedig zal komen (Fil. 2:24).
Want: “De Hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan” (Matth. 24:35).

 

Bronnen
Dr. J. A. C. van Leeuwen Korte verklaring der Heilige Schrift Colossenzen en Thessalonicensen. J.H. Kok NV, Kampen, 1966.
Dr. S. Greijdanus Bijzondere Canoniek van het Nieuwe Testament deel 2. J.H. Kok NV, Kampen, 1949.
Dr. J. H. Bavinck Geschiedenis der Godsopenbaring, 2: Het nieuwe testament. J.H. Kok NV, Kampen.
B&K Concordantie op het Oude en Nieuwe Testament Bosch en Keuning NV, Baarn
Ds. E. Teunis De apostolische vermaning inzake de dag van Christus als richtingbepalend voor het leven van de gemeente. Te Monster (jaartal onbekend).

 

[1] Dr. J.H. Bavinck, Geschiedenis der Godsopenbaring NT, pag. 589: “Thessalonica ligt aan een Wijde Baai, die schepen een prachtige haven biedt”.
[2] Dr. S. Greijdanus, Bijzondere Canoniek van het Nieuwe Testament deel 2, pag. 180.
[3] Dr. S. Greijdanus in Bijzondere Canoniek van het NT, pag. 183. Opmerking: volgens de canoniek wisten de broeders in Thessalonika dat de Heere onverwacht zal komen, als een dief in de nacht, wanneer de wereld er in het geheel niet op rekent. Daarom moet het met de gelovigen anders zijn.
[4] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet onder de titel: de apostolische vermaning inzake de Dag van Christus als richtingbepalend voor het leven van de gemeente, pag. 5 en 6.
[5] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet.
[6] Ds. E. Teunis in de serie Veracht de Profetieën niet.




Jaargang 8 (2023)

In onderstaand overzicht staan alle artikelen van jaargang 8 (2023). Artikelen die zijn geschreven ten behoeve van semper-reformanda.nl zijn herkenbaar aan een sterretje achter de naam van de auteur, de overige artikelen zijn herpublicaties.

Bijbelstudie
Het Kind met de twee namen Vreugdenhil, D. 22/12/2023
Micha’s Adventspsalm Vreugdenhil, D. 09/12/2023
Pinksteren: uitstorting van de Geest Plaggenmars, H. (*) 27/05/2023
Hemelvaart: Troonsbestijging van de Messias Koning Plaggenmars, H. (*) 24/05/2023
Opgewacht! (15, slot) Arnold, J.J. 03/11/2023
Opgewacht! (14) Arnold, J.J. 14/10/2023
Opgewacht! (13) Arnold, J.J. 30/09/2023
Opgewacht! (12) Arnold, J.J. 16/09/2023
Opgewacht! (11) Arnold, J.J. 02/09/2023
Opgewacht! (10) Arnold, J.J. 12/08/2023
Opgewacht! (9) Arnold, J.J. 22/07/2023
Opgewacht! (8) Arnold, J.J. 08/07/2023
Opgewacht! (7) Arnold, J.J. 24/06/2023
Opgewacht! (6) Arnold, J.J. 03/06/2023
Opgewacht! (5) Arnold, J.J. 13/05/2023
Opgewacht! (4) Arnold, J.J. 29/04/2023
Opgewacht! (3) Arnold, J.J. 15/04/2023
Opgewacht! (2) Arnold, J.J. 01/04/2023
Opgewacht! (1) Arnold, J.J. 18/03/2023
De uitvoering van de finale Francke, J. 21/01/2023
De voorbereiding van de finale Francke, J. 07/01/2023
Christelijk leven
Werelddiaconaat (8, slot) Bos, J. (*) 02/09/2023
Werelddiaconaat (7) Bos, J. (*) 12/08/2023
Werelddiaconaat (6) Bos, J. (*) 22/07/2023
Werelddiaconaat (5) Bos, J. (*) 08/07/2023
Werelddiaconaat (4) Bos, J. (*) 24/06/2023
Werelddiaconaat (3) Bos, J. (*) 03/06/2023
Werelddiaconaat (2) Bos, J. (*) 13/05/2023
Werelddiaconaat (1) Bos, J. (*) 29/04/2023
Kerk en liefdadigheid Waal, C. van der 25/02/2023
Kerkelijke ontwikkelingen
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (5, slot) Jongeling, B. 17/11/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (4) Jongeling, B. 03/11/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (3) Jongeling, B. 14/10/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (2) Jongeling, B. 30/09/2023
Het contact met de Christelijke Gereformeerden (1) Jongeling, B. 16/09/2023
Kerkelijke eenheid Vermeer, M.R. (*) 16/09/2023
Kerkgeschiedenis
Lutherdag Wolf, I. de 03/11/2023
Boekrecensies
Kerk en krant (14, slot) Bos, J. (*) 25/02/2023
Kerk en krant (13) Bos, J. (*) 11/02/2023