International Conference of Reformed Churches (2, slot)

Het tweede (en laatste) artikel over de International Conference of Reformed Churches (ICRC).


Een gedeelte van een toespraak van br. Hagg richting de Synode 2024 over het lid worden van de ICRC

Wat brengt afgevaardigden van overzeese zusterkeren ertoe om, terwijl zij de FRCA Synode  2024 toespreken, een kant te kiezen in een zaak waarover verdeeldheid is in onze kerken, door druk uit te oefenen op de FRCA om deel te nemen aan de ICRC? Eerst was het ds. C. van Dam van de CanRC (zie mijn voorgaande artikel). Afgelopen avond (20 juni) was het de beurt van br. Hagg van de Free Reformed Churches of South Africa (FRCSA).[1]

Nadat hij getuige was geweest van wat hij beschreef als een “behoorlijk pittige discussie over de ICRC”, gaf br. Hagg aan: “Expres wilde ik geen commentaar geven op wat gebeurde. Ik dacht, ik ben niet een afgevaardige voor interkerkelijke relaties, ik ben hier voor de theologische opleiding.” Maar waarom dan, terwijl hij een “behoorlijk pittige discussie over de ICRC” meemaakte, toch een kant kiezen door één kant van het debat te verdedigen?

Hij geeft hierop het antwoord. Hem was “verteld door de deputaten in de FRCSA” om de Australische kerken te “bemoedigen” om deel te nemen aan de ICRC, wat hij dan ook deed. Hij wees op wat hij zag als sommige praktische voordelen van deelname aan de ICRC.

Niemand kan ontkennen dat er praktische voordelen kunnen zijn, dat lidkerken van elkaar kunnen leren. Dát is echter niet het punt. Het punt is of een organisatie van kerken die doen voorkomen gereformeerd te zijn, kunnen doen wat de Constitutie van de ICRC vereist, zonder eerst verenigd te zijn als zusterkerken in de waarheid.

Hoe kunnen we uitdrukking geven aan “de eenheid van geloof die de lidkerken in Christus hebben” wanneer we deze eenheid van het geloof geen uitdrukking hebben gegeven door een zusterkerkrelatie? Hoe kunnen we samenwerken in “missionaire en andere opdrachten” als we geen zusterkerken zijn? Hoe kunnen we “een gereformeerd getuigenis tot de wereld doen uitgaan” als we niet verenigd zijn in de waarheid? Toch zijn dit allemaal “doelen” volgens artikel 3 van de ICRC Constitutie die lidkerken onderschrijven.

De werkelijkheid is dat er kerken zijn die leden zijn van de ICRC waarmee we niet zijn verenigd in de waarheid. Sterker nog, sommige van deze kerken zijn zelfs kritisch over andere lidkerken in hun eigen  geografische gebied. Br. Hagg geeft hier impliciet zelf een voorbeeld van, wanneer hij aangeeft dat de kerken waarvan hij een lid is (FRCSA) en de RCSA (Reformed Churches in South Africa) beiden leden zijn van de ICRC. Toch, niettegenstaande recente ontwikkelingen van plaatselijke ‘kanselruil’, zegt hij dat “contact op het landelijke niveau zeer moeizaam blijft zelfs na drie decennia van gesprekken. De RCSA worstelen momenteel met de roep om de vrouw in het ambt vanuit een groeiend aantal gemeenten, dominees en professoren. Er is ook een slappe houding onder leden met betrekking tot de onderhouding van de sabbat en gereformeerd onderwijs.” Kan de FRCSA dan werkelijk volhouden dat zij “geloofseenheid” hebben met de RCSA? Zouden ze samen zendingswerk kunnen doen, en kunnen zij verenigd een “gereformeerd getuigenis tot de wereld doen uitgaan”? Wat dat betreft, zouden wij, FRCA, dat doen met de CRCA of de PCEA? Zijn we eerlijk wanneer we verklaren dat we geloofseenheid hebben op de ICRC, wanneer we het in werkelijkheid niet hebben?

Gegeven de discussie op onze synode, en de bezwaren zoals naar voren gebracht door sommige afgevaardigden, zegt br. Hagg: “Gelet op uw aarzelingen geven we in overweging dat u tenminste waarnemers zendt naar de eerstvolgende algemene vergadering van de ICRC, zodat zij kunnen zelf kunnen proeven en inschatten hoe dit gaat in vergelijking met 25 jaar geleden.

Dit gaat voorbij aan het centrale punt, nog afgezien van het feit dat zo’n besluit overduidelijk een ‘voet tussen de deur’ benadering is om later lid te worden. Bezwaren (wat verzachtend ‘aarzelingen’ genoemd door br. Hagg) tegen lidmaatschap van de ICRC zijn niet gebaseerd op ervaringen en observaties, maar zijn gebaseerd op principes. In geding is niet of de ICRC is veranderd, maar of de Constitutie, de onderliggende basis, is veranderd. En deze is niet veranderd, ondanks sommige voorstellen van onze kerken in de jaren ’80 om veranderingen teweeg te brengen.

De FRCA heeft ruim vier decennia geleden het initiatief genomen tot de ICRC, maar wilde het beperken tot een ontmoeting van zusterkeren. Onze Nederlandse zusterkerken destijds, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, riepen de eerste ‘constituerende’ vergadering samen, maar nodigden ook kerken uit waarmee ze slechts ‘contact’ hadden. Dit zorgde ervoor dat de ICRC op een verkeerde manier begon.

De doelen van de ICRC volgens zijn Constitutie kunnen alleen worden bereikt indien de lidkerken niet alleen in woorden zeggen dat ze één zijn in het gereformeerde geloof, maar dit ook laten zien door gehoor te geven aan Christus’ oproep tot kerkelijke eenheid, door zusterkerken te zijn. Dat is de Schriftuurlijke norm. Zoals br. Hagg citeerde aan het einde van zijn toespraak, uit Efeze 4: “Eén lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.” Zou dit ons  niet verplichten om de eenheid tot uitdrukking te laten komen door één lichaam te zijn, leden van de ene heilige katholieke kerk (NGB art. 27), een fysieke ‘gemeenschap der heiligen’ (Apostolische Geloofsbelijdenis), waartoe ieder verplicht  is zich te voegen (NGB art. 28) en die duidelijk de herkenbare merktekenen heeft (art. 29 NGB)? Hebben onze kerken niet herhaaldelijk gezegd dat dit ook is waarvoor Christus bad in Zijn hogepriesterlijk gebed (Johannes 17)?

Om misverstand te voorkomen, ik zeg niet dat de ICRC lidkerken niet begeren gereformeerd te zijn, ook zeg ik niet dat de christenen in deze kerken niet begeren godvrezende levens te leiden, laat staan dat ze niet behouden zijn. Misschien zijn ze godvrezender dan leden van de FRCA. Maar dat is niet in geding; in geding is dat wat we belijden over Christus’ ware kerk, de institutionele rechtmatigheid om Christus’ kerk te worden genoemd. Zijn de kenmerken van de kerk onmiskenbaar in deze kerken; wordt recht gedaan aan Gods Woord en Zijn eer; is er nederige onderwerping aan Christus als Hoofd van de kerk?

Uitspraken van eenheid zoals tot uitdrukking gebracht binnen de ICRC, óver de muren van kerkgemeenschappen, zónder dat de kerken ‘met ijver en voorzichtigheid’ onderzoek hebben gedaan overeenkomstig dat wat wij belijden in NGB art. 29, zónder werkelijke eenheid te laten zien als zusterkerken in het ene lichaam van Christus, zorgt er slechts voor dat de benaming ‘kerk’ devalueert en ondermijnt het belijden van de FRCA over dat wat Christus leert over de kerk. In feite leidt het tot een gedachtegoed zoals de pluriformiteit van de kerk.

Dit is niet ‘veroordelend bezig zijn’; het is een poging om ons verantwoordelijk te doen handelen – niet in onderwerping aan de ‘overhalende’ woorden van anderen, maar in nederige onderwerping aan het Woord van God zoals de kerken dat belijden in onze Drie Formuleren van Eenheid.


[1] In Nederland bekend als de Vrye Gereformeerde Kerke in Suid Afrika (VGKSA).




International Conference of Reformed Churches (1)

In de Free Reformed Churches of Australia (FRCA) is enige discussie over deelname aan de International Conference of Reformed Churches (ICRC). In onderstaande en het volgende artikel wordt hierop ingegaan. Deze artikelen zijn overgenomen en vertaald van defenceofthetruth.com (aldaar geschreven door Jelte Numan). Voor achtergrondinformatie wordt ook verwezen naar een eerder artikel hierover zoals gepubliceerd op deze website[1].


Een gedeelte van een toespraak van ds. C. van Dam richting de Synode 2024 over het lid worden van de ICRC

Lidmaatschap van de ICRC is een verdeeldheid zaaiende zaak binnen de Free Reformed Churches. Het heeft er in de jaren ’90 toe geleid dat wij ons lidmaatschap hebben teruggetrokken. Op de FRCA Synode 2024, die nu gehouden wordt, is het teruggekeerd op de agenda, nadat het op de agenda van de Synode 2021 was geplaatst door een verzoek van de FRC Launceston. De Synode 2021 heeft deze zaak doorgegeven aan deputaten en zo is het op de agenda van onze huidige synode gekomen. In zijn toespraak op de tweede dag van de Synode 2024 heeft ds. C. van Dam, afgevaardigde namens de Canadian Reformed Churches (CanRC), de FRCA sterk aangemoedigd om lid te worden van de ICRC. Aangezien niemand bezwaar heeft gemaakt (niet publiek in ieder geval) tegen dit gebruik van een toespraak om de bespreking over deze zaak te beïnvloeden, wil ik graag een aantal opmerkingen plaatsen bij hetgeen hij naar voren bracht.

In zijn toespraak (op de avond van 18 juni 2024) zei ds. Van Dam:

Wanneer we internationale contacten bezien, nemen we helaas waar dat de ICRC een bron van meningsverschil is onder u. Als broeders in Christus willen we u aanmoedigen om aan de conferentie weer deel te nemen. We moedigen u daartoe aan in alle liefde en oprechtheid. U wordt daar gemist.

Ds. Van Dam begrijpt duidelijk dat “de ICRC een bron van meningsverschil” onder ons is. Toch heeft dit hem er niet van weerhouden, als overzeese deputaat, om een toespraak te gebruiken om de Synode 2024 in deze zaak te beïnvloeden, in plaats van de FRCA Synode 2024 zélf hierover zijn eigen mening te laten vormen. Hij vervolgt:

We waarderen uw input, en uw deelname zou ons met vreugde vervullen. We geloven ook dat uw deelname aan de ICRC een waardevolle ervaring zou zijn om veel andere trouwe gereformeerde kerken wereldwijd te leren kennen in veel verschillen contexten en situaties.

Lidmaatschap van de ICRC is gebaseerd op de gedachte van deelnemers dat lidkerken “trouwe gereformeerde kerken” zijn. Echter, alleen al als we ons beperken tot Australië, nemen we waar dat twee Australische kerkverbanden -de CRCA[2]en de PCEA[3]– kerkgemeenschappen zijn waarmee de FRCA, na onderzoek, niet tot een zusterkerkrelatie kon komen. We konden niet vaststellen dat zij voldoende getrouw waren. Hoe kunnen we dan op de ICRC naar hen verwijzen als “trouwe gereformeerde kerken”? En hoe kan de CanRC, bekend met onze beslissing in relatie tot deze kerken, hen beschouwen als trouwe gereformeerde kerken?

Ds. Van Dam vervolgt met te zeggen:

Er is zoveel wat we van elkaar kunnen leren. Als je spreekt met broeders uit Indië, Afrika, Europa en daarbuiten, verbreedt en verdiept dit je perspectief op Gods wereldwijde werk van vergadering van Zijn katholieke kerk.

Hier wordt dus ons “perspectief op Gods wereldwijde werk van vergadering van Zijn katholieke kerk” niet gebaseerd op criteria vanuit Gods Woord en onze belijdenis, maar vanuit onze ervaring. Door lid te worden van de ICRC ervaren we beter wat de Here doet in Zijn kerkvergaderend werk. In de Apostolische Geloofsbelijdenis geloven en belijden we ‘een heilige, algemene christelijke kerk’ en in de Heidelbergse Catechismus Zondag 21 en de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 27-32 geloven en belijden we meer specifiek wat de katholieke kerk betekent, maar klaarblijkelijk wordt in de ICRC ons perspectief ‘verbreedt en verdiept’ – niet op de basis van Gods Woord maar gebaseerd op de ervaring. De toespraak van ds. Van Dam zegt dat de lidkerken van de ICRC getrouw zijn. Ik heb er geen twijfel aan dat ze dat trachten te zijn. Ik zou verwachten dat de meeste, zo niet alle Christelijke kerken dat van zichzelf zouden zeggen. Maar zéggen en zíjn kunnen twee verschillende zaken zijn. En daarom vraag ik: waar is het bewijs dat laat zien dat de maatstaven van de katholieke kerk, waarvan we belijdenis doen in de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 29, zijn toegepast om de getrouwheid van lidkerken vast te stellen?

Ds. Van Dam voegt toe:

In onze tijd van wereldwijde contacten en verbindingen is het niet goed om op zichzelf te blijven. En reizen wordt steeds gemakkelijker. En deelname aan de ICRC zal u ook helpen om te gaan met personen die vanuit verschillende ICRC kerken komen.

Het is, aldus ds. Van Dam, “niet goed om op zichzelf te blijven”. Inderdaad, we moeten allen eenheid zoeken, maar het moet een eenheid zijn in de waarheid van Gods Woord. We moeten ons bewust zijn van het gevaar van valse eenheid. Groen van Prinsterer zei ooi dat “in het isolement onze kracht ligt”. Hij paste dat toe op de politiek, waarmee hij bedoelde dat het beter was om klein maar principieel te zijn dan verwaterd ten koste van de confessionele beginselen. Hoeveel te meer is dit van toepassing in kerkelijke contacten. De Schrift laat ons zien hoe de Here valse eenheid verwerpt. Het is veel beter om geïsoleerd te zijn in de waarheid, dan te schipperen met de waarheid voor een twijfelachtige eenheid.

Ds. Van Dam concludeert:

We hopen dat u onze oprechte en hartelijke oproep om weer deel te nemen aan de ICRC ter harte wilt nemen. U bent onze meest geliefde broeders. We missen u en willen u daar graag weer zien.

Wat ik mis in dit ‘hartelijk’ pleidooi, en de rest van zijn promotie van de ICRC, is een verwijzing naar Gods Woord en de belijdenis als de maatstaf voor al onze contacten. Ik heb op deze weblog eerder erover gesproken waarom we geen lidmaat van de ICRC kunnen zijn (zie De ICRC – heeft zij bestaansrecht?) en hoop oprecht dat de Synode duidelijk leiding zal geven vanuit de Schrift. Onze Here bad voor eenheid in de waarheid (Johannes 17). Laten we getrouw zijn aan die waarheid, in plaats van een compromis te sluiten ten gunste van een twijfelachtige eenheid zonder Gods zegen. Onze Here prees de kerk te Filadelfia omdat het weinig kracht had en toch Zijn Woord had bewaard (Openb. 3:8). “Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal nemen” (Openb. 3:11). De boodschap daarin voor ons is duidelijk en is ook van toepassing als antwoord op de uitgeoefende druk richting de FRCA om deel te nemen aan de ICRC.


[1] Zie https://semper-reformanda.nl/de-icrc-heeft-zij-bestaansrecht/.
[2] CRCA: Christian Reformed Churches of Australia, een van origine ‘immigrantenkerk’ voortkomend uit de ‘synodale’ Gereformeerde Kerken Nederland.
[3] PCEA: Presbyterian Church of Eastern Australia, een presbyteriaans kerkgenootschap.




‘Antithese of synthese?’ (5)

Samenvatting door: J. Bos

 

Internationale interkerkelijke bonden voor jeugdwerk.
‘Met name allerlei verbonden van jeugdverenigingen en organisaties, die ten doel hadden het werk onder de jeugd, hebben medegewerkt om alom “het oecumenisch besef” aan te wakkeren en om onder de jeugd oecumenische leiders te kweken. De ontwikkelingsgang, die we boven schetsten, is ook hier duidelijk te zien. Men sticht een algemeen-christelijke organisatie, geeft handjes over de kerkmuren heen, en gaat dan tenslotte pleiten voor opheffing van alle kerkmuren, de kwade en de goede: de muren tussen kerk en wereld. Vanzelfsprekend brengt dit met zich mede, dat het woord “christelijk” in de titel van allerlei bonden hoe langer hoe meer inhoudloos en misleidend is geworden.’ (p. 34-35)

(Als eerste wordt genoemd de World Council of Christian Education (Wereldraad voor Christelijke Opvoeding). Dit werd in 1947 tijdens een samenkomst in Birmingham, Engeland, de officiële naam van een raad die voortkwam uit een Associatie van Zondagsscholen die sinds 1889 op verschillende plaatsen in de wereld conferenties had gehouden.[1] Uit het rapport van de conferentie in Birmingham is op te maken waar de ontwikkelingsgang van deze organisatie toe heeft geleid.)

‘In een toespraak werd de Associatie van Zondagsscholen een der oudste oecumenische bewegingen genoemd en van haar werd getuigd: “Er kan gerust gezegd worden, dat de beweging, vertegenwoordigd in de Wereld-Zondagsschool-Associatie, méér dan enige andere beweging gedaan heeft om een christelijke gemeenschap (fellowship) te ontwikkelen, die de lijnen van natie, ras en kerk doorkruist. Door de vriendschap is een stevige grondslag gelegd voor de verdere ontwikkeling der christelijke eenheid”. (…) Wanneer we dit lezen bespeuren we wel een verlangen naar eenheid. Maar of deze christelijk is? En kan een Wereldraad, die propageert een doorbreking der kerkgrenzen en een brede samenwerking met kerken van allerlei kleur, wel geschikt geacht worden leiding te geven aan de christelijke opvoeding?

We lezen verder over mensen van verschillende visie, die gezamenlijk arbeiden in de naoorlogse opbouw. “Deze mensen hebben door hun trouw aan Christus en Zijn Kerk een nieuwe vorm van wereldbroederschap leren kennen, (…).” Wederom vragen wij: Wordt hier een broederschap in Christus, zoals de bijbel die leert, voorgestaan? Kunnen mensen van geheel verschillende confessie elkaar als broeders zien? Maar ons wordt toegevoegd, dat belijdenissen er ook niet toe doen. We leven immers in een eeuw, waarin het aankomt op de praktijk. “(…) Laat ons bedenken, dat Christus Zelf een intens praktisch man was; Hij was een timmerman; een man die dingen maken kon, een man van actie”. Hier wordt Christus dus op de meest platte wijze als een groot voorbeeld aangewezen. Is het eigenlijk nog wel nodig te geloven in Hem, in Zijn verzoening? Welneen, als er maar actie is! “Indien de christelijke mensen van elk land in de komende tien jaren (…) Hem eens gaan VOLGEN en waarachtig christen gaan worden, (…) zou dit uiteindelijk en onvermijdelijk de wereld redden”. We beluisteren hier het evangelie van de daad. De kerk heeft vandaag de taak, zo wordt verder beredeneerd, om een gemeenschap te vormen en gemeenschapsbesef bij te brengen. Een sociaal evangelie wordt dus voorgestaan. Niet het evangelie der Schriften, het Woord des kruises.

Het is een ontroerend feit: een Wereldraad die geen grondslag heeft en die voorstaat een “christelijke” opvoeding van kindertjes van alle landen, die in feite onchristelijk is. Ondanks de verlokkende naam van christelijke educatie, hebben we hier te maken met een moderne farao, die de jeugd des verbonds verdrinkt in de Nijl van dwaalleer.

Dat deze organisatie mede een pilaar is geweest voor de oecumenische beweging in de wereld, doet van deze laatste weinig goeds verwachten.’ (p. 35-37)

(Vervolgens worden in deze paragraaf ‘nog andere internationale jeugdverbanden, die mede het verlangen naar eenheid hebben aangewakkerd’ genoemd. Met name wordt de Y.M.C.A. behandeld (Wereld Alliantie van Christelijke Jongemannen Verenigingen). Deze federatie werd in 1855 opgericht. Verder is in 1894 is de Y.W.C.A. (the World’s Young Women’s Christian Association) gevormd.)

‘[Deze organisaties] hebben zich steeds geïnteresseerd voor zending en filantropie (…) Echter kwam ook hier het accent op daden, niet op geloofsbelijdenissen te liggen. En daarmee hebben beide bonden, ondanks machtig veel praktisch werk, een valse eenheid bevorderd en de prediking van een valse leer helpen steunen. Want de leuze: “daden en geen geloofsbelijdenissen” is eigenlijk óók een geloofsbelijdenis, een verkeerde. De grote vraag, wanneer zo dapper gezongen wordt: “Wij hebben een woord voor de wereld”, is steeds: Wordt dan het Woord bedoeld? Of slechts een humanistisch evangelie in christelijk gewaad?

Juist in het stamland der Y.M.C.A. heeft deze organisatie een geweldige invloed ondergaan van het modernisme, dat in radicale vorm op het eind der negentiende eeuw amerikaanse universiteiten en kerken binnendrong. Vanuit het land der onbegrensde mogelijkheden is de Y.M.C.A. overgeplant naar het zendingsterrein China. Deze chinese Y.M.C.A. is een der geschikste voertuigen geworden van het modernisme aldaar. (…)

Een enkele typering.

De amerikaanse Y.M.C.A.-secretaris te Peking schreef in het blad Sheng Meng, dat o.a. door Y.M.C.A. collega’s geredigeerd werd:

“Ofschoon ik aandacht vestig op de onvolkomenheden van het denken van Jezus, is het toch verre van mijn bedoeling te beweren, dat de christelijke beweging een fout heeft begaan, door hem de plaats van leider toe te kennen. Ik geloof dat het menselijk geslacht geen enkele figuur heeft voortgebracht, die door zijn karakter en leer meer recht had om de ethische en geestelijke aspiraties der mensheid te symboliseren, dan Jezus … Jezus was niet zoo geheel uniek als wij vroeger wel verondersteld hebben, … het is niet langer te handhaven, dat wij in Jezus een algehele en volmaakte openbaring hebben van alle denkbare ethische en godsdienstige waarheden (…).”

We horen hier de radicaal-vrijzinnige stem, die luide verkondigt, dat het “christendom” slechts een trap in de ontwikkelingsfase der mensheid is. Jezus is een godsdienststichter. Hij staat op één lijn met Boeddha, Lao-tse, ja met Lenin en den chinesen christen-revolutionair Sun-Yat-Sen.’ (p. 37-39)

(Op uitnodiging van het Chinese nationale comité van de Y.M.C.A. hield begin jaren dertig dr. G. Sherwood Eddy, voormalig landelijk secretaris van de Y.M.C.A. in Voor-Indië, een evangelisatiecampagne, in samenwerking met dr. John R. Mott.[2])

‘… dr Eddy gebruikte de “evangelisatiecampagne” om het geloof in de bijbel te ondermijnen, de apostolische belijdenis te verloochenen en de christelijke zede te vernietigen. Hij predikte een evangelie, waarvan alle heidenen wèl spreken, en betoogde, dat het christendom in het geheel niet in strijd is met de moderne natuurwetenschappen. De maagdelijke geboorte, de verzoening door het bloed, de opstanding van Christus waren volgens hem verouderde en betwistbare leerstukken. Als men christen wilde worden, hoefde men dat alles niet te geloven. Het “christendom” ontwikkelt zich immers steeds en brengt ontwikkeling. (…)

Gezien het feit, dat de leiding van de internationale en interkerkelijke bonden van Y.M.C.A. en Y.W.C.A. een dergelijk “christendom” – los – van – de – belijdenis – der -apostolische – kerk voorstond, is het niet te verwonderen, dat deze jeugdorganisaties steeds vurig gepleit hebben voor de grootst mogelijke samenwerking tussen de kerken van allerlei kleur en, liever nog, een éénheid van al die kerken.’ (p. 39-40)[3]


[1] In januari 1972 heeft de WCCE opgehouden te bestaan, toen deze organisatie is opgegaan in de Wereldraad van Kerken. Zie: https://uia.org/s/or/en/1100057950
[2] De methodist John R. Mott (1865-1955) was voor de oecumenische beweging een zeer belangrijke persoon, die verderop nog herhaaldelijk genoemd wordt.
[3] Actuele informatie over YMCA en YWCA in Nederland is te vinden op: https://ymca.nl/ resp. https://ywca.nl/




De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (9, slot)

Hieronder het laatste deel van de overdenking van ds. Doekes over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


Het hemelse Jeruzalem
Het Oude Testament roemt Jeruzalem als de stad van God, die een grote toekomst heeft. Jeremia kondigt de grote toekomst aan, waarin de verbondsark in de tempel niet meer zal bestaan, maar Jeruzalem zal genoemd worden de troon des Heren, waarheen alle naties zich verzamelen tot een nieuw leven (Jer. 3:17). Micha en Jesaja zien de toekomst, waarin de berg Zion boven alles verhoogd wordt, en waarheen de naties toestromen om de weg van Jakobs God te leren kennen. Zijn Woord zal uitgaan uit Jeruzalem, en Hij zal recht spreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun oorlogswapenen omsmeden tot ploegscharen en snoeimessen, en de oorlog niet meer leren (Micha 4, Jesaja 2). Wanneer worden die beloften vervuld? Wacht de troon van David in de stad Jeruzalem niet op de komst en het zichtbare vrederijk van de Messias?

Dat is wel de gedachte van het joodse volk, dat Jezus van Nazareth niet als de gekruisigde en verhoogde Messias erkent. Maar de Schrift leert ons, dat het tegenwoordige Jeruzalem, het Israël naar het vlees, met zijn kinderen in slavernij leeft, en daarom Christus en zijn koninkrijk tegenstaat. De beloften, die de Verbondsgod door Jesaja en Hosea vanouds aan Jeruzalem gegeven heeft, gaan in vervulling binnen de polis, de stadgemeenschap, die in het Nieuwe Testament het hemelse Jeruzalem wordt genoemd. De belofte van de grote kinder-rijkdom van de berooide stad gaat in vervulling aan de kerk uit alle naties (Gal. 4:26-27). Het zaad van Abraham, dat zijn allen die één zijn in Christus Jezus (Gal. 3:28-29). Tot de gemeente van het Nieuwe Testament wordt gezegd: Gij zijt genaderd tot de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem (Hebr. 12:22), de stad die neerdaalt uit de hemel, waarin de troon is van God en van het Lam. Zij is de stad van de toekomst, waarin Gods dienaars Hem zullen vereren. Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. De Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.

Het Nieuwe Testament openbaart ons het koninklijk regiment van Jezus als het hoofd van zijn kerk. Van een duizendjarige vredes-heerschappij in het aardse Jeruzalem over Israël als natie wordt met geen woord gesproken. Ieder die in Christus gelooft, en volhardt in de gemeenschap van zijn lijden, zal ook met Hem delen in zijn koninklijke heerlijkheid. Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen: die belofte is van kracht voor allen zonder onderscheid, zowel voor Joden als voor heidenen (2 Tim. 2:12, Rom. 8:17).

In het laatste Bijbelboek bevestigt Gods Zoon de vastheid van deze belofte aan de zeven gemeenten in Klein-Azië, en daarmee ook aan héél zijn kerk op alle plaatsen en onder alle naties. De apostel Johannes brengt ons de zegengroet over van Hem, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde: Hij heeft ons gemaakt tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader! Dat geldt niet alleen voor de gelovige Joden, maar ook voor de gemeenteleden van heidense afkomst. Zij zijn geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2:11-19). Tot hen allen doet Christus deze belofte uitgaan: wie overwint, hem zal ik geven met mij te zitten op mijn troon (Openb. 3:21). Daarom ontvangt Hij ook de lof en de eer en heerlijkheid: want Gij zijt geslacht, en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit èlke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.




De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (8)

Hieronder het voorlaatste deel van de overdenking van ds. Doekes over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


De duizend jaren
Op dat geloof komt het ook aan bij het lezen van Openbaring 20, de openbaring van het duizendjarig koninkrijk van Christus. Daarin ziet Johannes een engel neerdalen uit de hemel, met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. Hij grijpt de draak, de satan en bindt hem duizend jaar. Bovendien werpt hij hem in de afgrond, de verblijfplaats van de duivelen vóór de jongste dag (Luc. 8:31, Openb. 9:1), de diepte waaruit ook het beest opkomt (Openb. 11:7). Ondanks zijn hevige tegenstand moet de satan daar blijven, totdat de duizend jaren voorbij zijn. Johannes ziet hoe de engel de afgrond boven hem afsluit en die ook verzegelt; elke mogelijkheid om uit te breken wordt dus vergrendeld. Daarmee wordt niet gezegd dat de satan al zijn macht verliest. Maar wèl wordt die macht begrensd en aan banden gelegd: ‘opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden’ tijdens de duizend jaren. Deze binding is dus van kracht voor een begrensde periode. Volgens Gods raad moet de satan daarna worden losgelaten voor een korte tijd. Hij kan niets doen zonder dat hem dit door God wordt mogelijk gemaakt.

Wat er dan gaat gebeuren na de duizend jaren, wanneer de satan wordt losgelaten – dat komt later, in Openb. 20:7-10, aan de orde. Eerst krijgen wij iets anders te zien. Terwijl de duivel in de afgrond blijft opgesloten opent zich voor Johannes het uitzicht op een aantal troonzetels. Die stoelen blijven niet leeg: hij ziet een aantal personen verschijnen die daarop plaats nemen. Zij ontvangen ook een bepaalde opdracht en bevoegdheid: het oordeel wordt hun gegeven. Zij hebben dus niet een ereplaats als toeschouwers of figuranten, maar krijgen een belangrijke taak. Volgens de aan hen gegeven opdracht moeten zij beslissingen nemen, samen een oordeel vormen waaraan ook uitvoering gegeven wordt, zoals een rechter het vonnis formuleert in een hem voorgelegde aangelegenheid.

Wie zijn deze geheimzinnige figuren? Ze blijven eerst anoniem. Maar direkt daarop volgend ziet Johannes de gestalten van hen die de marteldood gestorven waren om het getuigenis van Jezus en het Woord van God. Daarbij wordt ook nog van hen gezegd dat zij het beest en zijn beeld niet hadden aangebeden, en het merkteken van het beest niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden.

Het waren gestorvenen, die Johannes hier mocht zien: niet alle doden, maar alleen deze bepaalde groep uit de wereld van het dodenrijk. Zij hebben hun trouw aan Jezus en het Woord van God met hun leven moeten betalen, of in ieder geval hun leven er voor op het spel gezet. Dat laatste wordt concreet aangeduid in termen waarmee al vroeger, in Openb. 13-19, de bloedige strijd van de kerk is getekend. De macht van het beest, de mens der zonde, staat volledig in dienst van de satan. Tegenover de Drieëenheid van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest stelt zich het satanische triumviraat van de draak, het beest uit de zee en het beest uit de aarde. Na de troonsbestijging van Jezus Christus in zijn hemelvaart en de verpletterende nederlaag, die de duivel daarbij geleden heeft, mobiliseert deze satan zijn uiterste krachten tegen het zaad der vrouw dat nog op aarde leeft: dat zijn de heiligen die Gods geboden bewaren en het getuigenis van Jezus hebben. Het beest ontvangt macht om tegen die kerk oorlog te voeren en ze onder de voet te lopen. Het weet heel de wereldbevolking samen te brengen in de verleiding van zijn afgodische levenscultus. De universele gemeenschap van de rechten van de mèns maakt één front tegen allen die het Woord Gods bewaren en het Lam dienen als hun Koning en Heer. De propaganda is er op gericht, deze spelbrekers uit de weg te ruimen. Die propaganda heeft ook effect. Wie weigert mee te doen in de universele dienst van de zondige mens, wordt een getekende; in het sociale verkeer wordt hij uitgesloten van alle bestaansmogelijkheden en levenskansen. Het kenmerk van het beest en zijn codenummer worden onmisbaar voor het recht op leven, arbeid en inkomen in deze wereld (Openb. 13).

Johannes heeft dit alles met de kerk van zijn tijd doorleefd. De macht van het beest heeft hij met de andere apostelen van Christus ondervonden. Maar ook de overige kerkleden hebben die demonische macht leren kennen. Boycot, mishandeling, gevangenschap en marteldood zijn de christenen in die tijd niet bespaard. Het beest weet van geen ophouden, zolang er nog een kerk overblijft die standvastig het compromis afwijst om niet ontrouw te worden aan het getuigenis van Jezus.

Johannes wist, hoe zijn broeders en zusters met hem te lijden hadden onder de macht van het beest. Het leven werd hen onmogelijk gemaakt, wanneer zij Christus trouw bleven. Als slachtschapen werden ze mishandeld en de dood ingejaagd. Voor het oog der mensen was Christus een machteloze koning, die zijn kerk in de nood niet beschermen en redden kon.

De mens ziet aan wat voor ogen is. Maar Gods openbaring geeft licht en uitzicht over leven en dood, over heden en toekomst. Johannes mocht de zielen zien van hen die om het getuigenis van Jezus het leven hadden verloren. Hij zag ze weer levend worden: ze stonden op uit de doden. Zij werden gekroond met heerlijkheid, want ze ontvingen macht om met Christus als koningen te heersen, duizend jaren lang.

‘Dit is de eerste opstanding’, zegt Johannes. Wanneer vindt die plaats? In ieder geval vóór de grote dag waarop àlle doden op de stem van de Mensenzoon zullen opstaan uit het massagraf, om door Hem te worden geoordeeld (Joh. 5:28-29). Op die dag zullen alle ongelovigen, lafhartigen, moordenaars, ontuchtigen, afgodendienaars en alle leugenaars worden geworpen in de eeuwige vuurpoel: dit is de tweede dood (Openb. 20:15, 21:8). Daar is dan ook voor altijd de plaats waar de duivel en zijn engelen hun eeuwige straf zullen ondergaan.

De Schrift plaatst de eerste opstanding vóór de voleinding, de grote dag waarop God zal zeggen: Het is geschied! Elke poging om het duizendjarig rijk van Openb. 20 totaal of voor een deel te plaatsen in de situatie van de voleinding, de eeuwige heerlijkheid, loopt vast op het getuigenis van Openb. 20:7-10: na de duizend jaar zal de satan worden losgelaten om de naties in de uithoeken der wereld massaal te verleiden en ze te mobiliseren in een laatste offensief tegen de levende God en zijn kerk op aarde. Eerst wanneer deze uiterste stormloop van satan definitief is neergeslagen en hijzelf voorgoed in de vuurpoel is neergeworpen, komen hemel en aarde eindelijk tot rust in een eeuwige vrede.

Maar wanneer komen de gestorven gelovigen dan tot leven, om met Christus te heersen? Daarover heeft Christus al iets geopenbaard, toen Hij nog op aarde was. Niemand uit de mensen weet uit zichzelf, hoe het na de dood zal zijn. Maar Christus heeft ons verzekerd dat de God van Abraham, Izaäk en Jakob niet een God is van doden maar van levenden, ‘want voor Hem leven zij allen’ (Lucas 20:38). De stervende moordenaar aan het kruis, die in Hem gelooft, gaat niet ten onder in de dood, maar mag op zijn sterfdag ingaan met Christus in het hemelse paradijs. De arme Lazarus wordt na zijn dood door engelen overgebracht in de schoot van Abraham, om daar vertroosting te ontvangen. De martelaar Stefanus ziet in zijn doodsuur de hemel geopend, en Christus staat klaar om hem te ontvangen.

Evenzo wordt in de Openbaring aan Johannes getoond, wat de verhoogde Christus doet in de opening van het vijfde zegel. De martelaren, die hun leven in zijn dienst hebben geofferd, en roepen om de dag van Gods oordeel, ontvangen ieder een wit gewaad, het feestkleed van Gods heil (vgl. Jes. 61:10). Zij moeten nog een korte tijd rusten, en wachten op de komst van hun broeders, die evenals zij gedood zullen worden (Openb. 6:11). Maar in die rust mogen zij al delen in de rijkdom van de zaligheid door Christus, en rusten van hun moeiten (Openb. 14:13).

De inhoud van Openb. 20:4-6 sluit zich hier geheel bij aan. Zalig de doden die in de Here sterven. Hun levenswerk, hun strijd gaat met hen in tot die zaligheid. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, heel de eeuwenlange tijd waarin Christus zijn sterke vijand in bedwang houdt om zijn kerk te vergaderen.

Deze openbaring van de eerste opstanding kan alleen tot troost zijn voor wie Gods Woord gelooft. Op deze aarde zien wij alle dagen een stervende kerk en een groeiende satansheerschappij. Maar ons is het Lam geopenbaard, staande op de berg Zion, en met Hem allen die het beest niet aanbidden, omdat zij het Lam steeds volgen. Hun leven is Christus, en hun sterven winst: zij nemen hun toevlucht tot de gekruisigde Christus, en leren het vlees hoe langer hoe meer te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren (Dordtse Leerregels V, 2).


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.