De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij (8)

Hieronder het voorlaatste deel van de overdenking van ds. Doekes over ‘De Messias-Koning en zijn duizendjarige heerschappij’.[1]


De duizend jaren
Op dat geloof komt het ook aan bij het lezen van Openbaring 20, de openbaring van het duizendjarig koninkrijk van Christus. Daarin ziet Johannes een engel neerdalen uit de hemel, met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. Hij grijpt de draak, de satan en bindt hem duizend jaar. Bovendien werpt hij hem in de afgrond, de verblijfplaats van de duivelen vóór de jongste dag (Luc. 8:31, Openb. 9:1), de diepte waaruit ook het beest opkomt (Openb. 11:7). Ondanks zijn hevige tegenstand moet de satan daar blijven, totdat de duizend jaren voorbij zijn. Johannes ziet hoe de engel de afgrond boven hem afsluit en die ook verzegelt; elke mogelijkheid om uit te breken wordt dus vergrendeld. Daarmee wordt niet gezegd dat de satan al zijn macht verliest. Maar wèl wordt die macht begrensd en aan banden gelegd: ‘opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden’ tijdens de duizend jaren. Deze binding is dus van kracht voor een begrensde periode. Volgens Gods raad moet de satan daarna worden losgelaten voor een korte tijd. Hij kan niets doen zonder dat hem dit door God wordt mogelijk gemaakt.

Wat er dan gaat gebeuren na de duizend jaren, wanneer de satan wordt losgelaten – dat komt later, in Openb. 20:7-10, aan de orde. Eerst krijgen wij iets anders te zien. Terwijl de duivel in de afgrond blijft opgesloten opent zich voor Johannes het uitzicht op een aantal troonzetels. Die stoelen blijven niet leeg: hij ziet een aantal personen verschijnen die daarop plaats nemen. Zij ontvangen ook een bepaalde opdracht en bevoegdheid: het oordeel wordt hun gegeven. Zij hebben dus niet een ereplaats als toeschouwers of figuranten, maar krijgen een belangrijke taak. Volgens de aan hen gegeven opdracht moeten zij beslissingen nemen, samen een oordeel vormen waaraan ook uitvoering gegeven wordt, zoals een rechter het vonnis formuleert in een hem voorgelegde aangelegenheid.

Wie zijn deze geheimzinnige figuren? Ze blijven eerst anoniem. Maar direkt daarop volgend ziet Johannes de gestalten van hen die de marteldood gestorven waren om het getuigenis van Jezus en het Woord van God. Daarbij wordt ook nog van hen gezegd dat zij het beest en zijn beeld niet hadden aangebeden, en het merkteken van het beest niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden.

Het waren gestorvenen, die Johannes hier mocht zien: niet alle doden, maar alleen deze bepaalde groep uit de wereld van het dodenrijk. Zij hebben hun trouw aan Jezus en het Woord van God met hun leven moeten betalen, of in ieder geval hun leven er voor op het spel gezet. Dat laatste wordt concreet aangeduid in termen waarmee al vroeger, in Openb. 13-19, de bloedige strijd van de kerk is getekend. De macht van het beest, de mens der zonde, staat volledig in dienst van de satan. Tegenover de Drieëenheid van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest stelt zich het satanische triumviraat van de draak, het beest uit de zee en het beest uit de aarde. Na de troonsbestijging van Jezus Christus in zijn hemelvaart en de verpletterende nederlaag, die de duivel daarbij geleden heeft, mobiliseert deze satan zijn uiterste krachten tegen het zaad der vrouw dat nog op aarde leeft: dat zijn de heiligen die Gods geboden bewaren en het getuigenis van Jezus hebben. Het beest ontvangt macht om tegen die kerk oorlog te voeren en ze onder de voet te lopen. Het weet heel de wereldbevolking samen te brengen in de verleiding van zijn afgodische levenscultus. De universele gemeenschap van de rechten van de mèns maakt één front tegen allen die het Woord Gods bewaren en het Lam dienen als hun Koning en Heer. De propaganda is er op gericht, deze spelbrekers uit de weg te ruimen. Die propaganda heeft ook effect. Wie weigert mee te doen in de universele dienst van de zondige mens, wordt een getekende; in het sociale verkeer wordt hij uitgesloten van alle bestaansmogelijkheden en levenskansen. Het kenmerk van het beest en zijn codenummer worden onmisbaar voor het recht op leven, arbeid en inkomen in deze wereld (Openb. 13).

Johannes heeft dit alles met de kerk van zijn tijd doorleefd. De macht van het beest heeft hij met de andere apostelen van Christus ondervonden. Maar ook de overige kerkleden hebben die demonische macht leren kennen. Boycot, mishandeling, gevangenschap en marteldood zijn de christenen in die tijd niet bespaard. Het beest weet van geen ophouden, zolang er nog een kerk overblijft die standvastig het compromis afwijst om niet ontrouw te worden aan het getuigenis van Jezus.

Johannes wist, hoe zijn broeders en zusters met hem te lijden hadden onder de macht van het beest. Het leven werd hen onmogelijk gemaakt, wanneer zij Christus trouw bleven. Als slachtschapen werden ze mishandeld en de dood ingejaagd. Voor het oog der mensen was Christus een machteloze koning, die zijn kerk in de nood niet beschermen en redden kon.

De mens ziet aan wat voor ogen is. Maar Gods openbaring geeft licht en uitzicht over leven en dood, over heden en toekomst. Johannes mocht de zielen zien van hen die om het getuigenis van Jezus het leven hadden verloren. Hij zag ze weer levend worden: ze stonden op uit de doden. Zij werden gekroond met heerlijkheid, want ze ontvingen macht om met Christus als koningen te heersen, duizend jaren lang.

‘Dit is de eerste opstanding’, zegt Johannes. Wanneer vindt die plaats? In ieder geval vóór de grote dag waarop àlle doden op de stem van de Mensenzoon zullen opstaan uit het massagraf, om door Hem te worden geoordeeld (Joh. 5:28-29). Op die dag zullen alle ongelovigen, lafhartigen, moordenaars, ontuchtigen, afgodendienaars en alle leugenaars worden geworpen in de eeuwige vuurpoel: dit is de tweede dood (Openb. 20:15, 21:8). Daar is dan ook voor altijd de plaats waar de duivel en zijn engelen hun eeuwige straf zullen ondergaan.

De Schrift plaatst de eerste opstanding vóór de voleinding, de grote dag waarop God zal zeggen: Het is geschied! Elke poging om het duizendjarig rijk van Openb. 20 totaal of voor een deel te plaatsen in de situatie van de voleinding, de eeuwige heerlijkheid, loopt vast op het getuigenis van Openb. 20:7-10: na de duizend jaar zal de satan worden losgelaten om de naties in de uithoeken der wereld massaal te verleiden en ze te mobiliseren in een laatste offensief tegen de levende God en zijn kerk op aarde. Eerst wanneer deze uiterste stormloop van satan definitief is neergeslagen en hijzelf voorgoed in de vuurpoel is neergeworpen, komen hemel en aarde eindelijk tot rust in een eeuwige vrede.

Maar wanneer komen de gestorven gelovigen dan tot leven, om met Christus te heersen? Daarover heeft Christus al iets geopenbaard, toen Hij nog op aarde was. Niemand uit de mensen weet uit zichzelf, hoe het na de dood zal zijn. Maar Christus heeft ons verzekerd dat de God van Abraham, Izaäk en Jakob niet een God is van doden maar van levenden, ‘want voor Hem leven zij allen’ (Lucas 20:38). De stervende moordenaar aan het kruis, die in Hem gelooft, gaat niet ten onder in de dood, maar mag op zijn sterfdag ingaan met Christus in het hemelse paradijs. De arme Lazarus wordt na zijn dood door engelen overgebracht in de schoot van Abraham, om daar vertroosting te ontvangen. De martelaar Stefanus ziet in zijn doodsuur de hemel geopend, en Christus staat klaar om hem te ontvangen.

Evenzo wordt in de Openbaring aan Johannes getoond, wat de verhoogde Christus doet in de opening van het vijfde zegel. De martelaren, die hun leven in zijn dienst hebben geofferd, en roepen om de dag van Gods oordeel, ontvangen ieder een wit gewaad, het feestkleed van Gods heil (vgl. Jes. 61:10). Zij moeten nog een korte tijd rusten, en wachten op de komst van hun broeders, die evenals zij gedood zullen worden (Openb. 6:11). Maar in die rust mogen zij al delen in de rijkdom van de zaligheid door Christus, en rusten van hun moeiten (Openb. 14:13).

De inhoud van Openb. 20:4-6 sluit zich hier geheel bij aan. Zalig de doden die in de Here sterven. Hun levenswerk, hun strijd gaat met hen in tot die zaligheid. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, heel de eeuwenlange tijd waarin Christus zijn sterke vijand in bedwang houdt om zijn kerk te vergaderen.

Deze openbaring van de eerste opstanding kan alleen tot troost zijn voor wie Gods Woord gelooft. Op deze aarde zien wij alle dagen een stervende kerk en een groeiende satansheerschappij. Maar ons is het Lam geopenbaard, staande op de berg Zion, en met Hem allen die het beest niet aanbidden, omdat zij het Lam steeds volgen. Hun leven is Christus, en hun sterven winst: zij nemen hun toevlucht tot de gekruisigde Christus, en leren het vlees hoe langer hoe meer te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren (Dordtse Leerregels V, 2).


[1] Dit artikel is van de hand van prof. dr. L. Doekes en overgenomen uit: Komende in heerlijkheid (onder redactie van ds. G. Zomer) Oosterbaan & Le Cointre B.V. – Goes – 1979, pag. 187-205.




‘Antithese of synthese?’ (4)

Samenvatting door: J. Bos

 

De Evangelische Alliantie.
‘Bovengeschetste vlucht voor reformatie èn noodlottige ontwikkelingsgang als gevolg daarvan, zien we sterk uitkomen bij de Evangelische Alliantie (Evangelical Alliance).
(…) deze organisatie [werd] in 1846 te Londen (…) in het leven geroepen. (…) De bedoeling van deze federatie van evangelische protestanten was een samenbundeling der afzonderlijke krachten te vormen, een Christelijke Internationale. De Evangelische Alliantie was geen verbond van kerken, maar van christenen, om in allerlei gemeenschappelijke zaken gezamenlijk op te treden (…)
Te Londen werd (…) ook een ‘basis-formule’ aangenomen. Het is opvallend, dat deze wel een orthodox karakter droeg, doch over de kerk zich zeer vaag uitte, enkel zei, dat er een kerkelijk ambt en bediening van sacramenten moest zijn, niet hoe de kerk zich moest institueren. Door deze grondslag werden zij, die in de kerk compromissen aangingen met modernen, en een institutaire eenheid met hen propageerden, of althans niet bestreden, als “broeders” en als “evangelischen” binnengehaald.
(…)
De nederlandse afdeling besloot (…) “met erkenning van het Evangelisch karakter der in ’t buitenland aangenomen formules, ons als Nederlanders te plaatsen op den bodem van de belijdenis der Ned. Hervormde Kerk, onze gehechtheid aan die belijdenis uitsprekend in haar nationaal en historisch karakter”.
(…) Aan het verlangen van sommigen om de Nederlandse Geloofsbelijdenis te noemen, werd toegegeven. Maar tevens werd door te spreken van de bodem der belijdenis – een ook heden nog gebezigde uitdrukking! – in plaats van de belijdenis zelf, enkel aangeduid, dat men deze koos als eerbiedwaardig historisch, nationaal en traditioneel uitgangspunt, van waaruit allerlei ethische of liberale escapades mogelijk waren.

De historie van de Evangelische Alliantie heeft bewezen, dat er van een handhaven der grondslag allerminst sprake is geweest, ja, dat de Alliantie medegewerkt heeft om valse profetie ingang te doen vinden.

We ontkennen niet, dat de Alliantie zich verdienstelijk heeft gemaakt voor het opkomen voor Zondagsheiliging, sociale zorg, zending en godsdienstvrijheid. Dankbaar moeten we ook memoreren de woorden, die Groen van Prinsterer op de vergadering te Amsterdam-1867 uitsprak. Hij wees er op, dat hij wèl veel lof gehoord had over de vrijheidsstrijd van Nederland, maar dat hij de vermelding van de geloofsstrijd, waaruit de nederlandse natie geboren was, veelal gemist had. (…)

Met waarlijk profetische scherpte schilderde hij de toenmalige liberale afval, die de naties wilde losrukken van het geloof, dat de eenheid schiep, om vervolgens hiervoor in de plaats te stellen het bloed, de bodem, de taal, die eenheid schept. Op deze wijze, zo riep Groen de filosofen en staatslieden van het moderne Europa toe, krijgt ge kleurloze volken, verzamelingen van atomen, rebellen heden, slaven morgen, een nieuwe barbarie te midden van een geraffineerde samenleving. Tegenover deze stroom van systematische goddeloosheid moet de werkelijk christelijke nationaliteit onder de volken versterkt. (…)’ (p. 29-31)

‘Hoewel de vergadering hem na afloop van zijn rede toezong, bleek Groen ook hier weer door zijn “vrienden” verlaten. Het zaad, dat hij zaaide, werd verstikt door het onkruid van valse ideeën over staat en kerk, dat door anderen uitgestrooid werd. Verschillenden verdedigden immers de liberale, neutrale staat en verklaarden zich een fèl tegenstander van de christelijke. (…) [Er] werd een “doorbraak” gepropageerd en een dolkstoot gegeven in de rug van hen, die de kerk opriepen om tegen de revolutionaire vrijheidsidealen te getuigen. Neen, de kerk moest “waardering” hebben voor de geest van de eeuw der vrijheid.

Ook over de kerk als zodanig werden gedachten verkondigd, die vloekten met het reformatorisch beginsel. Zo werd de stelling verdedigd door professor van Oosterzee, dat de evangelische kerk “in haar tegenwoordig overgangstijdperk niet met dictatoriaal gezag uit haar gemeenschap heeft te werpen, wat toch van zelf de zaden der ontbinding reeds in zich draagt”. De kerk is geduldig, omdat zij eeuwig is. Professor Brummelkamp merkte hiertegenover op, dat op de akker der wereld het onkruid moet rijpen, maar dat in de kerk uitgeroeid moet worden wat zich onverbeterlijk toont. Doch hij ontving van niemand bijval.’ (…) Een andere spreker verdedigde de stelling, dat “de belijdenissen van het verleden niet definitief zijn”, en dat “de band aan de kerk gevormd moet worden door een christelijk gevoel, en niet door een theologische formule”. Voorts werd geponeerd, dat daarom het vrijheidsbeginsel, niet alleen in de staat, maar ook in de kerk diende toegepast. Met beroep op de “toon” in verschillende vergaderingen der Evangelische Alliantie werd betoogd, dat de vorming van één evangelische kerk met enige fundamentele ideeën als basis, mogelijk was. Geen enkel “offer” hoefde gebracht. Als men elkaar wederzijds maar vrijheid liet. Schisma’s zouden zo voorkomen worden en herenigingen bewerkt. (…) “(…) Door die grote verwachting te verwerkelijken, zal de Alliantie krachtig bijdragen het christendom een positie te verlenen, die het dreigt te verliezen”.

Het oecumenisch verlangen dat vandaag gerealiseerd wordt, kwam dus in de Evangelische Alliantie reeds krachtig naar voren en wenste zich van haar te bedienen. Een “Unirte Kirche”. En zo de wereld winnen. Op de vergadering van New-York-1873 werden dergelijke klanken gehoord. Met een beroep op de verschillen van flora en fauna werd de pluriformiteit der kerk en haar eenheid desondanks verdedigd. (…) “(…) Onze Alliantie is profetie en waarborg van deze gouden eeuw, die niet achter, die vóór ons ligt, vóór ons reeds in de naaste toekomst. Dan zal de spraakverwarring der Babelverstrooiing en verwoesting overgaan in de gemeenschappelijke taal van de vrije gedachte der menschheid, en de Schibbolethsdialecten van godsdienstige geschillen wijken voor de nieuwe Pinkstertaal van het ééne geloof in Jezus Christus, den Heer”.

Aldus kwam de begeerte naar de éne Wereldstaat, de éne Wereldkerk, en de Gouden Eeuw, waarin deze gerealiseerd zouden worden, duidelijk tot uiting. De spreuken, waarvan de Evangelische Alliantie zich placht te bedienen, wezen in dezelfde richting: verschillend als de golven, één als de zee; één kudde en één Herder; één lichaam zijn we in Christus. Binnen de Evangelische Alliantie werd – al bleef deze een zeker conservatief karakter bewaren – samenwerking en verdoezeling der confessionele verschillen geléérd. Klaagzangen klonken over de stipte handhaving der belijdenis sinds de “davidische” strijd der Reformatie, het verlangen naar een “salomonische” eeuw van confessionele vrede. Zodoende werd de “evangelische” basis al meer ondermijnd door deze – in wezen onreformatorische en vrijzinnige – idealen.

Het modernisme kon daarom omstreeks de eeuwwisseling gemakkelijk de buit binnen halen. Enige tegen-organisaties werden in Amerika opgericht, waaruit tenslotte de Federale Raad in 1908 ontstond. De meeste Amerikaanse kerken sloten zich hierbij aan. De kracht der Evangelische Alliantie was nu gebroken, omdat zij slechts een organisatie van persónen, niet van kèrken was. De Federale Raad, die zich overigens het evangelie der libertijnen nooit geschaamd heeft, nam de werkzaamheden der amerikaanse afdeling der Alliantie feitelijk over. De orthodoxe cocon der Alliantie heeft zo de geboorte van de vrijzinnige eenheids-vlinder bevorderd. Het orthodoxe basis-omhulsel werd weggeworpen. Het had zijn dienst volbracht: aankweken der eenheid en bundelen van allerlei protestantse actie op het gebied van zending, barmhartigheid, enz.

Tegen haar oorspronkelijke opzet in is zo de Alliantie een der wortels geworden van de synthese-beweging: Evangelische Alliantie – Federale Raad van Kerken van Christus in Amerika – Wereldraad van Kerken. De wetten Gods betreffende de kerk en haar reformatie kunnen niet straffeloos uitgeschakeld worden. Wie niet vóór handhaving van deze wetten is, steunt de toleranten, die er tegen zijn.’ (p. 32-34)[1])


[1] De EA is tegenwoordig nog actief. De Nederlandse afdeling is in 1979 (her)opgericht. Deze is in 2013 gefuseerd met de Evangelische Zendingsalliantie. In 2015 werd de naam: MissieNederland. Website: https://www.missienederland.nl
Op de volgende internetpagina’s staat de geschiedenis vanuit het gezichtspunt van MN beschreven:
https://www.missienederland.nl/actueel/nieuwsartikel/2024/02/26/Aan-de-wieg-van-de-Evangelische-Alliantie
https://www.missienederland.nl/over/historie