Het contact met de Christelijke Gereformeerden (5, slot)

Het laatste artikel uit een artikelenserie (uit 1951) over het contact met de Christelijke Gereformeerden.


Een tweede punt, waarop mijns inziens een confessioneel verschil bestaat tussen de Christelijke Gereformeerden en ons, is het stuk van de kerk. Ook dit verschil ligt niet in het hebben van verschillende belijdenisgeschriften. De Christelijke Gereformeerden belijden evenals wij de 12 artikelen en de andere twee confessies uit de eerste eeuwen van de christelijke kerk. Zij belijden evenals wij de drie formulieren van enigheid. Maar al deze formulieren mogen geen archiefstukken zijn. Ze moeten daadwerkelijk als belijdenis worden bewaard en gehandhaafd.

Door de grote genade van de Heere zijn we weer teruggebracht tot de belijdenis aangaande de kerk, zoals onze vaderen daarvan spraken in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, daarmee handhavende en bewarende hetgeen reeds beleden was in de 12 artikelen: Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk. Dit goud van de reformatie is in het verleden wel verdonkerd geworden, maar het heeft weer een nieuwe glans gekregen. We mochten weer gaan onderkennen de concrete kerk van Christus, die vergaderd wordt door de prediking van het Evangelie. We mochten weer opnieuw leren hanteren de onderscheiding der belijdenis  van de ware en valse kerk. We mochten weer komen tot de waarachtige toetsing aan de door de belijdenis opgesomde kenmerken van de ware kerk: de reine prediking van het Evangelie, de reine bediening van de sacramenten, de oefening van de kerkelijke tucht.

En nu zien we juist bij de Christelijke Gereformeerden dat zij deze belijdenis aangaande de kerk niet bewaren. Zij hebben in hun voorgeslacht van 1892 bezwaar gemaakt tegen de Dolerenden, dat deze niet ronduit de Nederlandse Hervormde Kerk valse kerk durfden noemen, dat deze heel sterk onderscheiden tussen de organisatie, die in 1816 was ingevoerd, én de kerk die onder deze organisatie was gebracht, dat dezen de benaming ‘vals’ wel wilden toepassen op die organisatie, maar niet op het concrete Hervormde instituut zoals dat reilde en zeilde.

Over het ‘kerkbegrip’ van de Doleantie is toen, en ook later nog, heel wat te doen geweest. In de Afscheiding was de concrete taal van de belijdenis helder nagesproken: de Hervormde Kerk is valse kerk, en het is het ambt van de gelovigen om zich van de valse kerk af te scheiden. In de Doleantie werd meer gesproken vanuit een kerktheorie, die niet het oordeel van de Schrift velde over het concrete Hervormde instituut, maar die onderscheidde tussen kerk en organisatie. Maar in de praktijk is het toch zo geworden dat er ook in de Doleantie afscheiding gekomen is van het concrete Hervormde instituut. En er zijn ook wel leidende figuren uit de Doleantiebeweging geweest, die de benaming van de belijdenis ‘valse kerk’ op het Hervormde instituut toepasten. Ik denk bijvoorbeeld aan Fabius[1], die in zijn ’Kerkelijk leven’ verwijst naar de belijdenis, wanneer hij spreekt over de Hervormde kerk. Fabius acht, dat de Hervormde kerk geen kerk is.

En wanneer wij nu vandaag aan de dag lezen wat door de Christelijke Gereformeerden te berde wordt gebracht over de kerk, dan moeten we constateren dat zij deze belijdenis der vaderen hebben losgelaten en dat zij hun 1892 overboord hebben gegooid. Want zij durven niet meer hanteren de onderscheiding van ware en valse kerk. Zij achten het grote hoogmoed wanneer door ons thans deze onderscheiding weer wordt gebruikt en concreet wordt toegepast. En in hun praktijk wijken zij ook wel heel sterk van deze belijdenis af. Hier in Apeldoorn bestaat een zgn. convent van orthodoxe predikanten, waarin Hervormde, synodalistische en Christelijke Gereformeerde predikanten zitting hebben. En op de tweede feestdagen worden zgn. conventsdiensten gehouden, waarbij men van kansel ruilt. In een gebouw van de Hervormde gemeente treden bijv. een synodalistische en een Christelijke Gereformeerde predikant op, en in het gebouw van de Christelijke Gereformeerde kerk treden een synodalistische en een Hervormd predikant op. In hoeverre de verschillende kerkenraden daar achter staan weet ik niet. Maar zij moeten toch op zekere hoogte daaraan hun goedkeuring hechten, want een predikant kan toch maar niet op zijn eigen houtje een kerkdienst beleggen. En toen onlangs hier een tweede Christelijke Gereformeerd predikant in het ambt werd bevestigd, werden daarbij uitgenodigd de predikanten van het convent, zoals bleek uit de pers, waarin stond dat die predikanten allen door ambtsbezigheden verhinderd waren geweest de dienst bij te wonen.

Men moet lezen hoe Fabius daartegen toornt, tegen het bijwonen van dergelijke diensten.

Ook hier speelt het subjectivisme de Christelijke Gereformeerden parten: waar maar ‘vrome’ mensen zijn, daar is de kerk. Maar de belijdenis der vaderen is vergeten.

En met al hun strijd tegen 1892 en 1905, waarin overeenkomsten liggen met de strijd, die wij in de achter ons liggende jaren gevoerd hebben, staan de Christelijke Gereformeerden veel en veel dichter bij de synodalisten dan bij ons.

Inzake doop en verbond heerst bij hen het subjectivisme en daarmee komen zij geheel in de lijn van de theorie die in 1942 en volgende jaren tot kerkleer is verheven. En inzake de kerk huldigen zij praktisch de ‘leer’ van de pluriformiteit.

Een ongedacht succes voor ‘Kuyper’.


[1] Prof. mr. D.P.D. Fabius (1851-1931), hoogleraar Staatsrecht, Wijsbegeerte en Canoniek Recht aan de Vrije Universiteit.




Lutherdag

In verband met Hervormingsdag (afgelopen dinsdag) hieronder een artikel van de hand van ds. I. de Wolf (1901-1976).[1]


In Jüterbrock werd feest gevierd.

De pauselijke commissaris Tetzel was in de stad gekomen. Bij de grens van de gemeente was hij opgewacht door een blijde menigte, die in jubel losbarstte toen het rijtuig, geëscorteerd door enkele geharnaste en zwaarbewapende ridders, in het zicht kwam. Na de gebruikelijke verwelkoming ging het in optocht naar de kerk. Voorop werd een fluwelen kussen gedragen, met goud omboord, waarop de pauselijke bul van de aflaat lag. Dan volgde het rijtuig van Tetzel, die ten teken van waardigheid een rood houten kruis in de hand hield. En daarachter volgden geestelijkheid, magistraten, de gilden met vaandels en wapperende vlaggen, schoolkinderen met wij-kaarsen en vele honderden toeschouwers.

In de kerk aangekomen werd het kruis voor het altaar geplaatst en met het pauselijke wapen omhangen, en na de gebruikelijke ceremoniën beklom Tetzel de kansel om met zijn bulderende stem de saamgestroomde menigte toe te spreken. Alle sluizen van welsprekendheid werden open gezet om… de mensen het geld uit de zakken te kloppen ten behoeve van de St. Pieterskerk te Rome. Men kon kwijtschelding van straf krijgen, vergeving van zonden, niet slechts voor zichzelf, maar ook voor een arme moeder, een gestorven kind, een oude vader, die in de vlammen van het vagevuur onder de folterende pijnen smeekten om toch door een enkele aalmoes hun zielen te redden! En zo’n rede sloeg in!

Als de preek klaar is, komen de aflaatbrieven voor de dag, die dan ten verkoop worden aangeboden. Naast het kruis in ’t koor van de kerk staat de geldkist. Twee dukaten voor vergeving van toverij, 8 voor een moord, 9 voor meineed en kerkroof, 6 voor ontucht en overspel! En met handen vol werd het geld geofferd. De rekening was dus betaald! De weg tussen God en de ziel weer geëffend! En er zullen er wel niet velen in Jüterbrock en omgeving geweest zijn, die niet in de volgende dagen, dat Tetzel zijn intrek hield, hun gaven voor allerlei zonden hebben geofferd.

Ook uit Wittenberg, dat maar enkele kilometers verder lag, de stad van Luther, waren er velen gekomen. Luther bemerkte dat al gauw, doordat menigeen in de biechtstoel de aflaat vertoonde, het bewijsstuk van de paus zelf, dat de zonden vergeven waren!

Fel was Luthers verontwaardiging. Hij wist ervan, dat Tetzel met zijn schandelijke praktijken het land doortrok. Maar nu het kwaad zo dichtbij was, kon hij zich niet langer meer inhouden. Al sinds enkele jaren was in hem gerijpt, dat God de vergeving uit genade schenkt, en zijn prediking en onderwijs aan de studenten hadden al sinds enige tijd een reformatorische inslag vertoond. Maar was er zo vlakbij gebeurde, noodzaakte hem om openlijk en rechtstreeks tegen zo’n zwendel op te treden. Luther gaf een preek in het licht, waarin hij onder meer schreef: “Het is een grote dwaling, zo iemand meent, dat hij voor zijn zonden zou kunnen genoegdoen, daar God ze toch steeds om niet, uit onuitputtelijke genade vergeeft, en daarvoor niets beheert dan een volgend heilig leven.”

Toen Tetzel er van hoorde was hij woedend. In zijn preken bulderde hij op de augustijner monnik los en dreigde hij met alle straffen, die zijn aflaat krachteloos wilde maken. Zelfs liet hij nu en dan op de markt een brandstapel in vuur zetten om te laten zien wat er met ketters zou gebeuren, die hem in zijn verkoop zouden tegenstaan.

Toen greep Luther, die intussen al vergeefs geschreven had naar de aartsbisschop van Mainz en de bisschop van Brandenburg om de zwendel te beteugelen, naar een ander wapen.

Het was de gewoonte, dat op de avond voor een feestdag vanwege de hogescholen openbare disputen werden gehouden, en dat de stellingen werden aangeslagen aan een of ander gebouw. En Luther nam het plan op, om ditmaal in Wittenberg, waar Allerheiligen (1 november) voor de deur stond, de aflaat te kraken. Zo werden dan op 31 oktober 95 stellingen aangeplakt aan de deur van de slotkapel.

Enkele luidden als volgt:

(1) “Daar onze Heer en Meester Jezus Christus zegt: Doet boete! eist hij, dat het gehele leven van zijn gelovigen op aarde, een gestadige en voortdurende boete zij.”

(20) “De paus verstaat door deze woorden: “volkomen vergeving van alle zonden”, geen opheffing van elke straf, maar alleen van die straf, welke hij zelf heeft opgelegd”.

(32) “Zij zullen met hun meesters naar de duivel varen, die menen door aflaatbrieven van hun zaligheid verzekerd te zijn.”

(36) “Ieder christen, die waarlijk berouw en leed over zijn zonden gevoelt, heeft volle vergeving van pijn en schuld, welke hem ook zonder aflaatbrieven is toegezegd.”

(43) “Men moet de christenen leren, dat wie de armen geeft, of de behoeftigen leent, beter handelt dan wie een aflaatbrief koopt.”

(52) “Door aflaatbrieven vol vertrouwen zijn zaligheid te verwachten, is een nietig en leugenachtig iets, al wilde de aflaatprediker, ja de paus zijn ziel daarvoor verpanden.”

(62) “De rechte waarachtig schat der kerk is het heilig Evangelie der heerlijkheid en genade Gods.”

(71) “Wie tegen de waarheid van de pauselijke aflaat predikt, zij vervloekt en vermaledijd.”

(86) “Waarom bouwt de paus thans niet liever de St. Pieterskerk van zijn eigen geld op dan voor het geld van de arme christenen?”

Hieruit ziet men, dat Luther er van overtuigd was, dat de pauselijke aflaat niet bevrijdde van de goddelijke straffen, doch alleen van de pauselijke. En dat laatste aanvaardde hij, blijkens stelling 71, al achtte hij wel beter, dat de paus uit eigen middelen bekostigde.

Luther was op die 31ste oktober dus nog rooms en erkende ten volle het pauselijke gezag. Hij dacht er toen nog  niet aan, om de band met de kerk te breken. Hij wilde slechts de aflaat in rechte banen leiden en het misbruik tegen gaan, alsof deze kwijtschelding van goddelijke straf zou zijn en recht geven op de zaligheid.

De paus zelf dacht aanvankelijk dan ook niet anders dan dat hij slechts te doen had met een monnikenruzie, zoals die zich wel meer voordeed. En zo dachten velen er over.

Maar wat Luther deed was uit God. En het zou de stoot worden tot een beweging, die tot afschudding van het pauselijk juk zou leiden. Zeker, er waren er meer, die, om zo te zeggen, een bijbelse richting voorstonden. En er waren vele “bezwaarden”. Luther was de enige niet. Maar we vinden bij Luther die volhardende houding, die desnoods een breuk met de moederkerk riskeerde. Langzamerhand werd in hem de reformator geboren. En toen na allerlei verwikkelingen eindelijk een dreigbul kwam, waarin hij 60 dagen beraad kreeg om zich geheel aan de paus te onderwerpen op straffe van excommunicatie, heeft Luther de moed getoond om die bul openlijk te verbranden, waarmee de breuk met Rome een voldongen feit was geworden: 10 december 1520, de datum van de verlating van de roomse kerk!

Dat wij niet de 10de december maar de 31ste oktober vieren, zal wel daarmee samenhangen, dat Luther tóen zijn eerste openlijke en geruchtmakende daad stelde, waaruit al het volgende is voortgekomen. En inderdaad was die daad reformatorisch. Want reformatie is niet anders dan terugkeer naar het Woord. Wel was dat Woord nog niet in alles een open boek voor Luther. De Heilige Geest werkt procesmatig, leidt al dieper in de waarheid in. Veel was er op die 31ste oktober nog, dat Luther heel verkeerd zag. En we kunnen er wel aan toevoegen, dat hij nooit geheel vrij gebleven is van dwaling: men denke slechts aan zijn avondmaalsbeschouwing. Dat klare, heldere inzicht in de Schriften, dat we bij Calvijn vinden, heeft Luther nooit gekend. Maar de inzet van zijn strijd was de prediking van Gods genade en de afwijzing van de verdienste der goede werken, en daarin bracht bij velen terug naar het Woord. En dat is reformatorisch. Dat is weer de kerk terug roepen naar de Schrift. Dat is weer kerkvergaderend tot de Heere Christus.

Helaas heeft Luther de consequenties niet getrokken. Hij bleef staan bij de uitzuivering van de ergste dwalingen, maar veel van de roomse zuurdesem is gebleven, zoals ook de kerkdiensten in velerlei opzicht aan de roomse liturgie herinnerden, en Luther zich in de verhouding van kerk en staat kind van zijn tijd bleef betonen. Daarbij kregen verschillende overgebleven dwalingen al vrij spoedig een geprononceerd karakter. De lutherse kerk werd innerlijk verdeeld door leertwisten en is nooit gekomen tot die machtige invloed op heel het leven als de gereformeerde kerken. Van deze laatste hebben de luthersen zich welbewust gedistantieerd, ze hebben ze zelfs vervolgd. En zo zijn de luthersen maar al te spoedig in de sektarische hoek gekomen. Als kerkreformatie is de lutherse feitelijk een mislukking geworden. En we zien daarin nawerken en doorweren de kracht van de zonde en dwaling, waardoor Gods werk, zo mooi in zijn aanvang, bedorven werd.

Anders was dat inzake het werk van Calvijn en zijn geestverwanten, die het reformatorische werk van Luther hebben gezuiverd en voortgezet. Calvijn, die begenadigd was met een helder en scherp inzicht in de schriften, is de man geweest van de voortgaande reformatie, waardoor hij héél het leven wilde brengen onder de tucht van het Woord, kerkelijk, maar ook politiek en maatschappelijk, – en die daarbij helder en duidelijk uit de Schriften Gods wil heeft verstaan.

Toch pleegt men de kerkhervorming te herdenken op de 31ste oktober, de dag van Luthers eerste publieke en geruchtmakende optreden, dat de stoot gegeven heeft tot al wat er toen op gevolgd is.

God was weer wat nieuws begonnen, al zien we zeker niet voorbij het menselijk-zondige en onvolkomene. Zoals God meermalen weer een nieuw begin in de geschiedenis van zijn kerk heeft gegeven, telkens klein begonnen, maar met ontzaglijke gevolgen voor kerk en volk, omdat het immers zijn eigen werk was.

En dit predikt ons de trouw van de opperste Herder onzer zielen, die zijn Kerk telkens weer uit haar vervallen staat opricht. En het stelt ons voor de roeping om steeds diegenen te volgen, die met afschudding van alle menselijke banden alleen Zijn Woord weer prediken.

Want reformatie van de Kerk is nooit iets anders dan terugkeer naar het Woord.


[1] Eerder gepubliceerd in: Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel en Gelderland (31 oktober 1951).




Het contact met de Christelijke Gereformeerden (4)

We vervolgen hieronder de artikelenserie (uit 1951) over het contact met de Christelijke Gereformeerden.


Nu schijnen de Dordtse Leerregels te weerspreken wat staat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 24. We zagen dat dit artikel zei: Het geloof wederbaart de mens. Maar in de Dordtse Leerregels (III/IV, 12 -en daar hebben de Christelijke Gereformeerde deputaten dan ook naar verwezen- ) lezen we: “Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de dood en levendmaking, waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt. (…) Daardoor worden allen bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven.”

Daar wordt het dus, zouden we zeggen, zo gesteld, dat de wedergeboorte aan het geloof voorafgaat. We moeten echter goed verstaan in welk verband de Dordtse Leerregels spreken. De Dordtse Leerregels wijzen af de dwalingen van de Remonstranten. Ook deze dwaling: “De door de zonde ontaarde, nog niet bekeerde mens kan de algemene genade – daaronder verstaan zij het licht der natuur – of de gaven die na de zondeval nog in hem overgebleven zijn, zo goed gebruiken, dat hij daardoor langzamerhand en stap voor stap een grotere genade kan verwerven, namelijk de evangelische of reddende genade en uiteindelijk de redding zelf” (Verwerping van dwalingen III/IV, 5). En deze dwaling: “Wanneer de mens zich metterdaad bekeert, kunnen door God geen nieuwe kwaliteiten, krachten of gaven aan de wil geschonken worden. Het geloof – waarmee onze bekering begint en waaraan wij de naam gelovigen danken – is dan ook niet een kwaliteit of gave die God schenkt, maar alleen een daad van de mens” (Verwerping… III/IV, 6).

De Remonstranten zeggen dat de natuurlijke mens, op basis en uit kracht van zijn natuurlijke gaven, kan komen tot het zaligmakend geloof, waardoor Christus omhelsd wordt, dat ’t leven van het geloof en van de gehoorzaamheid slechts een hogere trap is van het leven in ‘burgerlijk goed doen’.

Dáártegenover plaatsen nu onze vaderen van Dordt de belijdenis, dat we hier te doen hebben met een nieuwe schepping, een herschepping, een opwekking uit de doden, in haar kracht niet minder of geringer dan de schepping. Dat ziet dus op het geheel van de omzetting van de natuurlijke mens in een geestelijke mens, ’t totaal van de verlossingsarbeid die de Heere aan de mens wil verrichten in genade. En dan is het krachtens dat vernieuwend ingrijpen van God dat de mens geloof, en zich bekeert.

Maar daarmee ontkennen de Dordtse vaderen geenszins dat de prediking van het Evangelie het van God verordende middel is waardoor de vernieuwing gewerkt wordt. Reeds werd in I,3 beleden dat de Heere in Zijn goedheid verkondigers van de blijde boodschap zendt, en dat door hun dienst de mensen geroepen worden tot bekering en tot het geloof in Christus. Reeds werd in II,5 beleden dat ’t Evangelie moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof. En in het derde en vierde hoofdstuk lezen we: “De almachtige werking van God waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt en in stand houdt, sluit het gebruik van middelen niet uit, maar vereist die juist1. Daarmee heeft God immers naar zijn oneindige wijsheid en goedheid zijn kracht willen uitoefenen. Zo is het ook met de bovennatuurlijke werking van God waardoor Hij ons opnieuw geboren doet worden: deze sluit niet uit en neemt evenmin weg het gebruik van het evangelie, dat de wijze God tot zaad van de wedergeboorte en voedsel voor de ziel bestemd heeft2. De apostelen en de leraars die hen hebben nagevolgd, hebben het volk over deze genade van God eerbiedig onderwezen om God te eren en alle menselijke hoogmoed neer te drukken. Intussen hebben zij toch niet nagelaten, de mensen met het heilig onderwijs van het evangelie te houden onder de bediening van het Woord, van de sacramenten en van de kerkelijke tucht.

Daarom moeten ook nu zij die in de gemeente onderwijzen of onderwezen worden, het beslist niet wagen God te verzoeken, door te scheiden wat Hij naar zijn welbehagen voor altijd heeft willen samenvoegen. Want door al dat onderwijs wordt de genade geschonken en hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort” (III/IV, 17).

Wanneer het Evangelie uitgaat en wanneer gehoord wordt de oproep om dat Evangelie gelovig aan te nemen, dan spreekt daarin de Heere. Dan is dat niet op Remonstrantse trant een aanrading tot de natuurlijke mens. En het is ook niet een aanrading, waarbij dan gezegd wordt: u kunt het zelf niet, maar God moet het u geven. Maar dan wordt het zwaard van de Geest gehanteerd.

De Remonstranten zeggen: Het is een aanrading, en u hebt de krachten om die aanrading op te volgen.

De Christelijke Gereformeerden zeggen: Het is een aanrading, en u hebt de kracht niet om die aanrading op te volgen.

Maar onze Dordtse vaderen zeiden: Dit is het van God verordineerde middel waardoor de Heere het welbehagen van Zijn hand gelukkig voortgang wil doen vinden, alzó werkende het geloof en de bekering.

En wat nu art. 24 van de Geloofsbelijdenis betreft, waar gezegd wordt dat het geloof ons wederbaart – dit moet zo verstaan worden, dat alle weldaden en schatten van het heil liggen in de Heere Jezus Christus, onze enige Zaligmaker en Verlosser. En al die schatten en weldaden, ook de vernieuwing van ons leven, waardoor wij wandelen in de nieuwheid van het leven, eigenen wij ons toe door het geloof. Het geloof is de band aan Christus (HC Zondag 7) en als het ware door dat kanaal komen alle weldaden tot ons.

En daarom is er eerst het geloof dat Christus omhelst, en voorts zijn er door dat geloof alle weldaden die Christus voor Zijn volk verworven heeft.




Opgewacht! (15, slot)

Nieuwe aanpassing

De vijand komt tot het uiterste. Hoe verder Christus komt met zijn heil en met de vergadering van zijn kerk, hoe meer de satan zich duivel bewijst.

Wéér weet hij zich aan te passen in knappe strategie. Het Kind is verheerlijkt. De vrouw wordt beschermd. De tijd is kort. Die korte tijd ook nog verdeeld. Het gebied beperkt. En op dat beperkte gebied zijn de mogelijkheden geringer. De laatste mogelijkheden zullen geraffineerd worden benut. Hij zal dat ene Kind en de vrouw nu treffen waar hij nòg kan: in ‘de overigen van het nageslacht van haar’.

Niet slechts de kerk als geheel, elk lid afzonderlijk zoekt hij. Hij zal ze meeslepen de jongens en meisjes uit de kerkgezinnen. Hij zal trachten terug te winnen hier één en daar één, persoonlijk stuk voor stuk, die op het zendingsveld uit de duisternis zijn geroepen tot het ‘wonderbaar licht’. Hij inspireert de mens op de kansel, achter de docententafel en op de katheder.

Hij weet het te brengen tot kategoriale kerkdiensten waardoor de gemeenten worden uiteengesleurd en de gemeenschap van de heiligen tot groepsverbondenheid verwordt. Door esthetische kultuurgenietingen aan te bieden weet hij te gewennen aan wetteloosheid. Hij leert ‘genuanceerd’ denken door terminologieën uit vreemde woordenboeken in te voeren. Want hij heeft zijn zeven hoofden en op die hoofden zeven diademen. Hij gaat mensen bezetten en hun bezeten-zijn zal worden aangepast aan tijd en omstandigheid. Was de bezetenheid door de duivel in de dagen van de vleeswording van Gods Zoon op aarde aan de gang van de heilshistorie aangepast, in de dagen van de verhoging van Christus is ze het niet minder. Bij al zijn initiatieven moet hij de grote Initiatiefnemer volgen. Ook als hij progressief doet is hij reaktiefiguur.

Bezetenen lopen nu overal rond, al schijnen ze normaal te zijn. Bezetenen zullen leiding krijgen bij de meest belangrijke kommunikatiemiddelen en op schijnbaar onbelangrijke posten. Bezetenen zullen hermeneutieken ontwikkelen tot uitlegging van de bijbel. Bezetenen zullen bezield en bezielend leren dat er verzoening is en verzoening komen moet en bewogen aan verzoening werken; een verzoening wel met ‘martelaarsbloed’, maar zonder betálend bloed van Christus. Want wel werkt satan met geweld als de tegenstander van God, zijn geweld dient de verleiding. Het is zelfs opgenomen in de leer van de geweldloosheid. Hij is het die verleidt. Die oekumenisch verleidt, maar wiens oekumenische beweging zal gaan om de christenen afzonderlijk. Hij komt met ‘persoonlijke zielszorg’, zìjn ziels-zorg wel te verstaan. Hij gaat zielen ‘winnen’.

Tegen wie immers gaat precies nu de oorlog? Evenals we van de draak een nadere omschrijving hebben ontvangen, krijgen we die ook van de ‘overigen van het nageslacht van de vrouw’.Het gaat om hen, ‘die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben’. In een wereld van situatie-ethiek zijn zij het, die ‘met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige maar naar alle geboden van God beginnen te leven’ (Zondag 44 Heidelbergse Catechismus).

In een wereld van onmythisering houden zij vast aan het getuigenis van Jezus dat zij hebben ontvangen. Tegen hèn de oorlog dus. Een nieuwe ethiek wordt opgedrongen. Een nieuw denken wordt ingevoerd. Door rythme, muziek en schilderkunst wordt hier een lid van de kerk en daar een lid van de kerk van binnen kapot gemaakt. Jeugd wordt aangegrepen. Het ene Kind van de vrouw, dat van bóven zijn zielszorg uitoefent heeft eens gezegd, dat Hij van alles wat de Vader Hem gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het opwekt op de jongste dag (Joh. 6:37-40). Maar toen Hìj kwam, kwam de tégenstander met tegen-zielszorg. Dit is de felle worsteling, die zich nu heeft ingezet. Dat betekent voor de ambtsdragers in de kerk: persoonlijke zielszorg. Dat betekent voor de gelovigen: persoonlijk bewust lid van de kerk te zijn, persoonlijke nauwgezetheid, persoonlijke zelfbeproeving, persoonlijk bijbelonderzoek. Dat betekent voor de leden van de kerk onderling: elkaar liefhebben en helpen tot persoonlijke bekering en persoonlijke volharding: de zorg telkens weer om het ene schaap van de kudde (Matth. 18:12-22, zondag 31 Heidelbergse Catechismus). Zielszorgers staan op de beslissende plaats van ’t oekumenische oorlogsfront. Want de draak heeft nog heel wat in petto. Hij gaat staan op het zand van de zee; gaat de volkerenwereld mobiliseren. Er kòmt wat uit die zee (hoofdstuk 13)!

De kerk en elk lid persoonlijk zullen Psalm 2, met al de liederen van bevrijding, moeten leren repeteren en zingen; aan de jeugd léren zingen. Op die zang op aarde, één met de ‘luide stem in de hemel’, loopt de verleider dood.

Intussen is hij knáp verleider.

Hij blijft ‘de oude slang’.


Overgenomen uit: Komende in de wereld, diverse auteurs, onder redactie van ds. G. Zomer, Oosterbaan & Le Cointre B.V. – 1975, pag. 233-256