Het contact met de Christelijke Gereformeerden (2)

Hieronder het tweede deel van een artikelenserie (uit 1951) over het contact met de Christelijke Gereformeerde Kerken.


Door de Christelijke Gereformeerde deputaten is aan onze deputaten gevraagd: Hoe denkt u over 1892? En in die vraag wordt dan alleen gedacht aan het laatste van de in 1892 tegen de voorgenomen vereniging ingebrachte bezwaren: het punt van de veronderstelde wedergeboorte (zie voorgaande artikel, MV). Dát punt speelt dus vandaag de hoofdrol, terwijl er in 1892 meer punten aan de orde waren.

Onze deputaten hebben hierop geantwoord, dat een verschillende beschouwing over een feit in het verleden (in casu: 1892) geen struikelblok mag zijn op de weg der vereniging. En voorts hebben zij erop gewezen, dat er in 1892 niet gebonden werd aan de leer der veronderstelde wedergeboorte, al waren er inderdaad voorgangers die haar voordroegen. Het was mogelijk om binnen de kerk die leer te bestrijden, zoals ook is gebeurd. Het zal altijd wel zo blijven dat we binnen de kerk bepaalde voorstellingen, die daar aanwezig zijn, moeten tegengaan.

Het komt mij voor, dat onze deputaten gelijk hebben dat het niet nodig is, om precies eender over een bepaalde kerkhistorisch feit uit het verleden te denken, ten einde te komen tot vereniging.

En ik denk, dat de Chr. Geref. deputaten er precies ook zo over zouden denken, wanneer beide partijen vandaag praktisch dezelfde leer waren toegedaan. Maar er is vandaag ten aanzien van verschillende punten een grote afstand, en dat zijn niet maar ondergeschikte punten in  de uitwerking van de leer, maar ze raken het meest fundamentele.

Heel het bezwaar van de Chr. Gereformeerden met betrekking tot 1892 hangt m.i. samen -om niet te zeggen: komt voort uit- hun bezwaar ten aanzien van de prediking in de Gereformeerde kerken. En datzelfde geldt met betrekking tot hun bezwaar t.a.v. 1905. In 1946 heeft de synode van Groningen uitgesproken, dat wij de uitspraak van 1905 niet meer voor onze rekening nemen. Volgens de Chr. Geref. is dat veel te zwak gezegd. Zij zagen graag dat de uitspraak werd teruggenomen. Door onze deputaten is daarop geantwoord dat wat geen bindende belijdenisformule is ook niet als zodanig kan worden teruggenomen. De uitspraak van 1905 was een compromisformule, gegeven om de consciëntiën (‘gewetens’, MV) gerust te stellen. Wie die uitspraak op de keper beschouwt, haar woord voor woord en onderdeel voor onderdeel kritisch bekijkt, die ontdekt al heel spoedig, dat zij leidt aan innerlijke tegenstrijdigheid. Terwijl immers in het rapport, dat door de desbetreffende commissie werd ingediend, gezegd wordt dat de synode over de in geding zijnde geschillen geen definitieve uitspraak kan of mag doen. De bedoeling is dus niet geweest een bindende belijdenisuitspraak te geven. De uitspraak is dan ook in de jaren na 1905 meer dan eens bestreden, zonder dat iemand daarover lastig gevallen werd. Ook was er reeds in 1907 een kandidaat die op zijn classicaal examen verklaarde het niet met 1905 eens te zijn en die niettemin werd toegelaten. De gemoederen zijn in 1905 tot rust gebracht en later hoorde men zelden of nooit van de toen gedane uitspraak. De synode van 1939/1942 heeft echter een onderdeeltje van 1905 naar voren gehaald en sterk geaccentueerd en dat als bindende leer opgelegd waaraan ieder zich had te houden. Op zijn minst moest beloofd worden dat men niets zou leren hetgeen o.a. daarmee in strijd kwam. Toen werd het dus officieel kerkelijke leer. In de vrijmaking is deze binding verworpen. En in 1946 heeft Groningen daaraan nog toegevoegd dat we ook 1905 niet meer voor onze rekening nemen, ook niet als pacificatieformule.

Dat mocht dus voor de Chr. Gereformeerden wel voldoende zijn. Toch zijn zij daarmee niet tevreden. En daarom geloof ik, dat de bezwaren draaien om hoe en wat vandaag praktisch geleerd wordt. Ds. Doornbos heeft gelijk, wanneer hij zegt, dat we niet maar moeten vragen: wat zijn uw belijdenisgeschriften? doch dat we ook hierop moeten letten of er praktisch is bewaring van de belijdenis. Ook de Hervormde Kerk heeft de drie formulieren van enigheid als belijdenis, maar praktisch hebben die formulieren daar geen geldende betekenis. En nu kunnen we ten opzichte van de Chr. Gereformeerden wel zeggen: We hebben dezelfde belijdenis, maar dat wil nog niet zeggen dat we ook waarachtig één zijn.

Een zeer belangrijk verschil tussen de Chr. Gereformeerden en ons ligt in de prediking. Deze zaak is in het contact tussen wederzijdse deputaten ook aan de orde geweest. In het kort verslag van de tweede samenspreking staat: In Chr. Geref. kringen is men niet rustig t.a.v. de voorstelling, die in de prediking gegeven wordt over de toeëigening des heils. Men is bevreesd, dat daarbij, zonder dat men het wil, het Remonstrantisme wordt binnengehaald. Er wordt bezwaar gemaakt tegen deze voorstelling: hier is het Woord van God, zondaar, neem dat Woord aan, en klaar is Kees Zo wordt tekort gedaan aan het soevereine werk van Gods genade en ’t werk van de Heilige Geest uitgeschakeld.

Door onze deputaten is naar voren gebracht, dat een voorstelling als door de Chr. Gereformeerden gewraakt, bij ons in de prediking niet gegeven wordt, en is gewezen op Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, waar gesproken wordt van aannemen van de weldaden van Christus.

En dan komen de Chr. Geref. met de vraag: Hoe is naar uw gevoelen de gang, geloof-wedergeboorte of wedergeboorte-geloof? Zij voegen daaraan toe: De eis van geloof moet worden gepredikt, maar dat is niet het eerste.

Hieruit kan m.i. afgeleid worden dat de Chr. Geref. de volgorde aldus stellen: eerst wedergeboorte en dan geloof. Waaruit dan natuurlijk voortkomt dat zij de eis van het geloof verzwakken door te zeggen: voordat u kunt geloven, moet u eerst wedergeboren worden en dat is een daad van de Heilige Geest. En dan ligt de conclusie voor de hand: Ik kan de eis van het geloof rustig naast mij neerleggen totdat het de Heilige Geest believen mag mij te wederbaren.

Hier treedt m.i. naar voren een confessioneel verschil met de Chr. Geref., want art. 24 van de NGB zegt: Wij geloven, dat dit waarachtig geloof, in de mens gewerkt zijnde door het gehoor van het Woord van God en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens. Dus eerst geloof en dan wedergeboorte.

Met al hun strijd tegen het zgn. Kuyperianisme zitten de Chr. Gereformeerden heel sterk vast aan één van de opvattingen van Kuyper, die we nu juist niet moeten vasthouden.




Opgewacht! (13)

Nieuwe aangepaste strategie

Is zijn eerste opzet mislukt, hij volgt een nieuwe taktiek. Lukt het niet direkt, dan met een indirekte methode. Hij zal de woestijn neutraliseren, spuwt water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten meesleuren. Verwacht de vrouw het van bóven, hij zal haar laten zien: benéden is alles voorhanden. Geen water door wonder van boven. Ze behoeft niet van God afhankelijk te zijn. Zondag 10 kan uit de Heidelbergse Catechismus en art. 13 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden geschrapt. Alles is voorhanden. De kerk zal een goede zaak doen als ze Marx met Christus verbindt; als ze liever niet van Christus maar van Jezus van Nazareth spreekt. Die Jezus met zijn messiaanse beweging mag een verlosser heten, als maar niet van Hem als eeuwige Zoon van God gesproken wordt. Geen goddelijkheid van Hem, maar wel de menselijkheid van God; echt god en niet meer God. Diakenen behoeven niet langer in gezinnen en bij geteisterden te komen. De humanisten laten wel naastenliefde zien en de staat zorgt wel. En de slang laat het woord van God ontmythiseren. Hij laat met God ook de engelen en zichzelf wegverklaren uit de bijbel en uit het aardse leven. De voorstelling van de hemelse hofhouding zou een stuk theologisch denken zijn dat mee door veranderde politieke omstandigheden na de ballingschap opgekomen is. Men had in vroegere omstandigheden duivels en engelen nodig, en ook de voorzienigheid van God, om het onbegrepene begrijpelijk voor te stellen. Van die voorstelling moet de kerk nu af. Er is een andere tijd gekomen, een ‘na-metafysisch tijdperk’.

De wetenschappen gingen bloeien. Vooral de natuurwetenschappen. De techniek kwam op. Er is kunstmest gekomen. Er is een medische macht ontstaan. Ekonomische wetten verklaren en helpen voor de toekomst. Biddag en dankdag voor gewas en arbeid zijn onzindelijke zaken geworden. God zendt geen regens en stuurt geen bliksems. De mondige mens is niet afhankelijk van machten boven hem. De verantwoordelijkheid voor deze wereld ligt bij de mondige mens. De vrouw, het volk van God op aarde, wordt mee opgenomen in de sekularisatie. Zij gaat zich daarbij zelfs voorhoede van gods revolutie noemen. Ze is eindelijk geëmancipeerd. En het door de duivel bedoelde effekt van deze emancipatie?

Ze verliest de beschikking over zichzelf en wordt meegesleurd in de stroom. Geld en goed worden niet, zoals men vroeger dacht, van bòven ontvangen, maar benéden opgeraapt. En het bedoelde gevolg? Als het geld niet van boven wordt ontvangen, komt het beneden niet als een offer van dankbaarheid op het altaar. Het leven zal horizontaal zijn. Naastenliefde zonder meer. Met aktie en bewogenheid.

De duivel kent zijn tijd. Weet aangepaste methodieken op te stellen. Maar weer is hij met al zijn macht opnieuw machteloos.


Overgenomen uit: Komende in de wereld, diverse auteurs, onder redactie van ds. G. Zomer, Oosterbaan & Le Cointre B.V. – 1975, pag. 233-256




Het contact met de Christelijke Gereformeerden (1)

Hieronder het begin van een artikelenserie uit 1951 over het contact met de Christelijke Gereformeerden.


In “De Reformatie” van 9 dec. 1950 is gepubliceerd de correspondentie, gevoerd tussen deputaten van de Gereformeerde kerken en deputaten van de Chr. Gereformeerde Kerken, alsmede een kort verslag van de gehouden mondelinge samensprekingen.

De voornaamste punten die in correspondentie en samenspreking aan de orde zijn geweest zijn: 1892, 1905, 1944 en de prediking.

In 1892 vond plaats de vereniging tussen de kerken uit de Afscheiding en die uit de Doleantie. Een deel van de Afgescheidenen kon hierin echter niet meegaan en vormde de Chr. Geref. Kerk (thanks Chr. Geref. kerken). De bezwaren, die zij tegen vereniging hadden, waren de volgende:

1. Nooit is de kerkenraad verzocht of opgedragen, de vergadering van manslidmaten in elke gemeente op te roepen, teneinde al of niet toe te stemmen in de voorwaarden van Leeuwaren (de synode van Leeuwarden ’s jaars tevoren gehouden, waar de voorwaarden voor vereniging werden vastgesteld, BJ) en de verklaring, daarvan gegeven, hetgeen toch het onvervreemdbaar recht der gemeente mag gerekend worden, omdat de vereniging alle gemeenten met de kerken in de Doleantie samenbindt. Wij achten daardoor de rechten der gemeente verkort.

Hierover oordeelde de synode, dat aangezien het geldt de vereniging van kerkengroepen, de gemeenteleden in hun rechten niet zijn verkort.

2. In de strijd der laatste jaren bleken de beginselen van Afscheiding en Doleantie met elkander in strijd, vooral in de beschouwing der Hervormde kerk. Indien dan niet één der twee beginselen in de verenigde kerken aan het ander zal opgeofferd worden, waarvan kan hun samenvoeging dan anders oorzaak zijn dan van twist en eindeloze verwarring?

Hierop antwoordde de synode: a. dat er verschillende wegen tot reformatie zijn; b. dat er geen grond is voor de bewering, dat eventuele vereniging oorzaak zal zijn van twist en eindeloze verwarring, vooral wanneer het gebed om de vrede van Jeruzalem toenemende is, wijl Scheiding en Doleantie, hoewel in sommige opzichten verschillende, toch hierin overeengekomen zijn, dat verbreking van de kerkelijke gemeenschap met bestuur en leden van het Ned. Herv. kerkgenootschap noodzakelijk is.

Het derde bezwaarde luidt als volgt:

3. Bezwaarlijk valt het ons, broeders! om voetstoots alle kerken in Doleantie, hoe ook ontstaan, zonder enig onderscheid voor zuivere Geref. kerken naar belijdenis en kerkorde te erkennen, ja, zelfs te erkennen al hare lidmaten, die zonder enig kerkelijk onderzoek zich in het duplicaatboek (ledenregister, MV) lieten inschrijven (dit bezwaar hangt samen met het feit dat de Dolerende kerken, aanvankelijk alle leden der Herv. kerk beschouwden als haar leden, BJ).

Hierop antwoordde de synode dat wat geschied is krachtens de methode van Doleantie niet ongedaan kan worden gemaakt, en dat eventuele moeilijkheden ten allen tijde kunnen worden gebracht op de meerdere vergaderingen, en dat in de besluiten van Leeuwarden en ’s-Gravenhage (synodes der Afgescheidenen en der Dolerende kerken, BJ) een uitgangspunt is verkregen om tot beslissing te komen.

Het vierde bezwaar luidt als volgt:

4. Een ander bezwaar is niet ons geringste. Het is onze vaste overtuiging dat de wederkerige liefde, die toch bij elk huwelijk, ook bij dat van deze kerkengroepen, een allereerste vereiste is, maar al te veel wordt gemist, en zodanig huwelijk noodwendig bron van betreurenswaardige verwarring en tweedracht zal worden.

Hierover oordeelt de synode, dat het beeld van een huwelijk minder juist is gekozen; ten tweede dat de synode op grond van algemene en persoonlijke ervaringen de overtuiging, dat de wederkerige liefde maar al te zeer wordt gemist, niet deelt; en dat zij niet twijfelt, of de liefde zal wederzijds aanmerkelijk toenemen bij meerdere oefening van de gemeenschap der heiligen.

Tenslotte het vijfde bezwaar:

5. En eindelijk is het ons een overwegend bezwaar voor gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der dolerende kerken in de laatste tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent de wedergeboorte en de Heilige Doop.

Hierover spreekt de synode uit, dat, aangezien de vereniging geschiedt op de grondslag van eenheid in Geref. belijdenis en kerkorde, bezwaren tegen gevoelens betrekkelijk het een of ander stuk der leer steeds op bevoegde kerkelijke vergaderingen kunnen worden gebracht om aldaar beoordeeld te worden.

Aan het slot van beoordeling der bezwaren sprake de synode nog uit: Weshalve de synode, op grond van al het bovengenoemde besluit, geen gevolg te geven aan het verzoek der voornoemde broeders om thans nog niet definitief te sluiten de naar hun mening door zovelen gevreesde vereniging, maar voort te gaan met de behandeling van de zaak der vereniging, wijl men geen kerkelijke vereniging mag weigeren om redenen, waarom men een kerkelijke vereniging niet zou mogen verbreken.

Dit alles is geciteerd uit de Acta van de Syn. der Christelijke Gereformeerde Kerk 7-17 juni 1892, welke synode op 17 juni overging in de Generale synode van de Gereformeerde kerken, waarmee de vereniging een feit werd.

In het huidig contact met de Chr. Geref. kerken is van al deze bezwaren slechts het laatstgenoemde naar voren gekomen, en daarbij speciaal de verklaring die in 1905 werd opgesteld, die wij sinds de synode van Groningen 1946 uitgesproken niet meer voor onze rekening nemen en die dus verdwenen is als kerkelijk stuk.




Kerkelijke eenheid

Kerkelijke eenheid is ‘hot en happening’. De GKv en de NGK zijn inmiddels samengegaan, DGK en GKN zijn bijna verenigd en de ‘nieuwe vrijgemaakten’ (Urk, Vroomshoop…) hebben de blikrichting naar DGK/GKN en de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK).

 

Eenheid als credo
Wat opvalt is dat van een principieel, echt fundamenteel verzet tegen deze ontwikkelingen niet of nauwelijks sprake lijkt te zijn. In DGK wijst een enkeling nog op benodigde ‘zorgvuldigheid’, bijvoorbeeld in contact met de ‘nieuwe vrijgemaakten’ (die niet zijn meegegaan met de fusie tussen GKv/NGK). Toch lijkt het daarbij vooral te gaan om een verschil in tempo en modus. Over de gehele linie is het credo, ondanks enig zwak protest: op naar eenheid, weg met verdeeldheid.

Een eenheidsactivisme waarbij men zich dan steeds weer beroept op de Schrift (in het bijzonder Johannes 17) en de kerkgeschiedenis. Zijn in 1892 niet de afgescheidenen en dolerenden verenigd? Na de Vrijmaking van 1944 hebben de kerken toch ook ijverig contact gezocht met de christelijke gereformeerden?

 

Historisch reliëf
Men vergeet dan gemakkelijk dat over bijv. Johannes 17 toch meer is te zeggen, meer móet gezegd worden, dan met een myopische eenheidsblik eruit te halen valt (zie bijv. de artikelen van ds. H.J. Schilder hierover op deze website[i]).

Maar wat moeten we dan over de kerkgeschiedenis denken? Is niet Abraham (Kuyper) de geweldige onze vader? Onze vaderen hebben toch rijpe eenheidsdruiven gegeten, waarom zouden wij dan onze tanden er niet op scherpen?

Alsof het verleden één simpel geheel is, zonder reliëf, eenvoudig navolging vereisend. Een verleden met historische momenten die in een enkele kernboodschap als met één pennenstreek zijn samen te vatten. Een verleden leidend en dwingend tot het eenheidslied; zoals de vaderen zongen, piepen de jongen!

 

Verleden: leren en voortgaan
Wat bij een dergelijke (nogal ‘drijvende’, zelotische) zienswijze ontbreekt, is een leerbare houding.

In de eerste plaats, is het verleden niet (ook) om er van te leren? Een aardige illustratie hierbij: we herinneren ons hoe in het verleden binnen DGK bezwaren zijn ingediend tegen de Vereniging van 1892 (door een zuster uit de gemeente te Zwolle). Ongeacht hoe men over deze bezwaren denkt, zelfs de kerkenraad van DGK Zwolle moest toen nog (in 2011) toegeven: “Wel is ook de kerkenraad van mening dat de fout die gemaakt is bij de Vereniging in 1892 niet moet worden verdoezeld”. Waarvan akte!

In de tweede plaats, men kan op afzonderlijke momenten een identieke handeling verrichten, die toch een heel andere intentie, doel en uitwerking hebben – context doet ertoe. Zo waren de vrijgemaakten die na 1944 contact zochten met de christelijke gereformeerden uit ‘een ander hout gesneden’ dan hedendaagse eenheidsepigonen. Velen gingen confrontatie niet uit de weg, wisten van ‘verbond’ en ‘kerk’, waren bewust en stevig gereformeerd. Toch een totaal andere intentie en houding dan zoals in bijv. DGK of GKN, waar eenheid wordt gezocht vanuit ‘vertrouwen’ en ‘verbinding’; indien niet in de kerkelijke weg, dan toch alvast op interkerkelijke conferenties en door alternatieve vormen van samenwerking.[ii]

In de derde plaats, eenheidsactivisten bekommeren zich nogal om het verleden. Vooral als het hun uitkomt, welteverstaan. Vaak blijkt dan bij nadere beschouwing dat in het verleden ook andere stemmen hebben geklonken. Soms zwak, niet altijd goed hoorbaar, overstemd door de decibellen van het eenheidslied. Maar toch waren ze er.

We vonden in dit verband onlangs een aardige artikelenserie m.b.t. de periode direct na de Vrijmaking van 1944, toen contact werd gezocht met de Christelijke Gereformeerde Kerken. We hopen de komende periode deze artikelen te plaatsen.[iii] Had wellicht de geschiedenis anders kunnen verlopen indien beter naar deze stem was geluisterd? Laten we proberen er naar te luisteren – hopelijk tot onze lering.

MV

[i] Zie https://semper-reformanda.nl/gebod-of-gebed-8-slot/ (en voorgaande artikelen). Helaas is de schrijfstijl van ds. H.J. Schilder soms wat moeilijk (en langdradig), maar inhoudelijk is zijn artikelenserie toch het lezen waard.
[ii] Wat ‘verbinding’ en ‘vertrouwen’ betreft, zie hierover het volgende artikel: https://semper-reformanda.nl/deputatenbericht-4/.
[iii] Eerder verschenen in: Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel en Groningen (1951), geschreven door ds. B. Jongeling.




Opgewacht! (12)

Machteloze strategie

Bij wat nu volgt komen we namelijk bekende uitdrukkingen tegen uit de vroegere strijdperiode. Er is sprake van vervolging, van de woestijn, van de vleugels van de grote arend, van het feit dat de vrouw wordt onderhouden in de woestijn. Uit de vorige periode (waar het eerste tafereel heenwees) is dit alles bekend. Als Israël uit Egypte is bevrijd achter het bloed van het Lam wordt het vervolgd (Exodus 14:8,9,23). Hoe wordt Israël behouden en onderhouden? De HERE heeft zijn volk op árendsvleugelen gedragen. Dit wordt ons meegedeeld in een tekstverband waarin uitdrukkelijk sprake is van de woestijn, waar ze zijn gekomen (Exodus 19:4 na 19:1-3; verg. Deut. 32:11,12).

Die woestijn is niet de plaats van de wereldmijding of van de kultuurverachting. Gods woord komt niet met zichzelf in strijd, door ons dit voor te houden. De kerk is juist in de wereld: ‘Gaat heen, maakt dan alle volken tot mijn leerlingen…’ (Matth. 28:19). En de leden van de kerk zijn geen mensen die uit de wereld wegvluchten, maar het zout der aarde, het licht der wereld (Matth. 5:14-16). Zij zijn het, die juist ‘temidden van een ontaard en verkeerd geslacht’ als sterren moeten schitteren (Fil. 2:14-16, verg. Openb. 11:3-6). Neen, de woestijn is de plaats waar Israël totaal op God is aangewezen. Gods volk heeft dáár geleerd ‘dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HERE uitgaat’. Hun kleren en schoenen zijn in de veertigjarige woestijntijd niet versleten; de HERE gaf brood uit de hemel, water uit de rots (Deut. 8:3,4; 29:5,6; Psalm 105:40,41). Dit was uniek. De vrouw is van alles en ieder ónafhankelijk, omdat ze van haar God àfhankelijk is. Ze vlucht naar de woestijn, naar de plaats waar Hij haar laat verzorgen. Ook dat vluchten is van Hem: Hij geeft haar de twee vleugels van de grote arend. Hij geeft haar zichzelf (Deut. 32:11,12). Hij werkt en sterkt het geloof om ‘van een andere god’ (idem) af te zien.

De slang kan haar niet bereiken. Ook als er geen mogelijkheden zijn, ontvangt zij wat ze nodig heeft. De haat van de satan is het begin (‘de oude slang’) tegen de Schepper. Die Schepper stelt zijn maaksel in dienst van de vrouw, die liefheeft naar het eerste gebod en de wet van Hem (antw. 94 Heid. Catechismus). De nieuwtestamentische tijd van voortdurende strijd is vertroúwenstijd! De dúúr wordt ook aangegeven. De periode van twaalfhonderdzestig dagen (eerste tafereel) die zo láng duurt, de korte tijd (tweede tafereel) die satan alles op alles doet zetten, wordt nu gekarakteriseerd door een derde aanduiding: een tijd (een periode), tijden (een nog langere periode) en een halve tijd (een laatste periode die halverwege plotseling wordt afgebroken).

De draak heeft nog wisselende gelegenheden met een abrupt einde. Maar ook die gelegenheden spreken van zijn gebonden zijn. Ook zijn ‘korte tijd’ kan voor hem geen eenheid zijn. Uit de profetieën van Daniël (7:26, 27) kennen we deze tijdsaanduiding, die bemoedigend zegt hoe de vijand midden in zijn krachtwerk wordt geoordeeld en voor Gods volk de verlossing komt.

De lange bange tijd van uiterste haat, is dus vol te houden.

Terwille van de uitverkorenen zullen de dagen worden ingekort.

En al die tijd wordt de kerk onderhouden. Paulus wordt tot zijn dienst verzorgd door de gemeenten, die het niet zouden kunnen doen. De afgescheidenen gaven, na de hoge boetes, ook nog hun geld voor kerk en school, terwijl ieder denken moest dat dit nù wel was uitgesloten. Een ondergrondse kerk, beroofd en bedreigd, ontvangt langs nieuwe kanalen leven. Overheden geven subsidies, soms uit vreemde motieven, maar ze géven ze en christenen kunnen voortgaan. In een wereld van vijandschap en van materialistische bazen en bonzen ontvangen christenen hun salaris, zodat kerk en zending en school door het wonder van boven voortgaan. Er worden akademies onderhouden waar men eerbied heeft voor het Woord. Een prediking kan doorgaan, waardoor levens worden vernieuwd. De ‘image’ van de kerk zal ook anders zijn dan de duivel met kracht wil tonen, en er worden mensen voor Christus gewonnen. Zijn aangepaste strategie haalt het niet tegen God en zijn Christus. Het blijft de tijd van de zang van Psalm 2. Er is uitzicht op het einde: een tijd, tijden en een halve tijd. Vertroúwenstijd is volhàrdingstijd! Maar onder het vonnis van God gaat de tegenstander verder.


Overgenomen uit: Komende in de wereld, diverse auteurs, onder redactie van ds. G. Zomer, Oosterbaan & Le Cointre B.V. – 1975, pag. 233-256