Gebod of gebed? (6)

In onderstaand artikel gaat prof. H.J. Schilder verder erop in dat Christus in Joh. 17:21 pleit op de eenheid van de kerk.


Christus’ pleit op de (zichtbare) eenheid
“…Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn”.

Het waren deze woorden uit Christus’ gebed in Joh. 17, waaraan we reeds de vorige maal onze bijzondere aandacht schonken.

We stelden toen reeds, dat de Schrift ons in deze woorden te doen geeft niet maar met een vergelijking, doch met veel meer dan dat, namelijk een pleitgrond. Niet slechts vergelijking: zoals het een, zo ook het ander, doch: indien het een, dan ook het ander.

Om dit nader te onderscheiden, zo duidden we reeds aan, is het van doorslaggevende betekenis, dat we hier toch vooral de MIDDELAAR horen spreken.

Het is Calvijn die er namelijk op gewezen heeft dat het in deze woorden niet gaat om het Goddelijk wezen van de Vader en de Zoon maar dat Christus hier spreekt van Zijn Middelaarschap.

Het dilemma waarom het hier gaat, is niet dat van de triniteit, de drie-eenheid Gods en de handhaving daarvan, maar: de gehoorzaamheid van de Middelaar. Wie het woord op de eerste manier verstaat, betrekt het op de eeuwigheid, althans, hij laat het woord daar beginnen. Hij ziet hier gesproken van de goddelijke eenheid tussen eerste en tweede persoon van God zelf- en dan is het inderdaad maar één stap, doch een heel gevaarlijke nu, om te zeggen dat dus de “eenheid” der kerk een weerklank of weerkaatsing moet zijn van die preëxistente en intertrinitarische eenheid daarboven bij God. Hij echter moge luisteren naar de waarschuwing van Calvijn, dat het er verre vandaan is, dat Christus ons met dit woord zou voeren tot een blote beschouwing van Zijn verborgen goddelijkheid. Integendeel, zo zegt hij, moet gij ten zeerste op uw hoede zijn, “dat gij de Christus niet ontdoet van Zijn MIDDELAARS-persoon” doch Hem beschouwt gelijk Hij is “het Hoofd der kerk” en Hem in dit Zijn bidden verbonden weet aan “Zijn leden”.

We menen, dat op deze woorden alles aankomt. Want nu worden wij door Christus zelf verhinderd om bij Zijn woorden te gaan speculeren over de eeuwigheid en de eeuwige verhouding van Vader en Zoon, en worden wij gedwongen ons te concentreren op de tijd en hetgeen in de tijd daar aan de orde is tussen die beide. Want wie hier opeens van de goddelijke en hemelse en eeuwige eenheid wil gesproken zien, verstaat eigenlijk van heel dit gebed niets meer. Voortdurend immers sprak Christus over hetgeen Hij in Zijn leven op aarde namens en voor de Vader gedaan heeft. En zojuist heeft Hij verklaard dat hij zich heiligt voor hen. Van Zijn gehoorzame arbeid in de tijd spreekt Hij, de arbeid in het vlees, en zulks in het aangezicht van Zijn Lijden en Dood. En slechts in zulk verband en in die door Christus zelf duidelijk uitgesproken zin willen ook deze woorden zijn verstaan. Gij Vader in Mij en Ik in U: daar spreekt niet de “blote” Zoon naar Zijn “verborgen” “onzichtbare” goddelijkheid, doch hier spreekt de Knecht des Heeren, de Zoon die vlees werd om als een dienaar de wil des Vaders te volbrengen, het werk te volvoeren dat Hij Hem opgedragen had. Dat is toch het alles beheersende in dit gebed: de Knecht brengt Zijn Opdrachtgever rapport uit van wat Hij gedaan heeft. Welnu, daarop wijst thans de Knecht de Heere, die Zoon de Vader, wanneer Hij vraagt om bewaring voor de Zijnen en pleit voor hun één-zijn altezamen.

Het verschil van deze beide zij als volgt geïllustreerd. Een kroonprins in een land kan niet over ’s konings onderdanen zeggen: zij moeten onderling één zijn op de manier waarop wij samen, vader en zoon, koning en prins, één zijn. Het ware dwaasheid, want tussen die tweeën is een paleisverhouding, die onzichtbaar is voor de onderdanen en door hen niet te imiteren. Maar veronderstel nu, dat die kroonprins in de oorlog officier wordt en dapper vecht en vervolgens, na een bepaalde operatie, weer naar het paleis zich begeeft; dan kan hij de koning zeggen: ik heb hen achtergelaten om de strijd voort te zetten en zulks te doen in eenzelfde trouw en gehoorzaamheid als waarmee ik U in de strijd heb gediend. Dit laatste kan wèl, want nú spreekt hij niet in zijn “blote” kwaliteit van zoon-van-die-paleis-vader, doch als zoon, die een uniform aantrok, dezelfde uniform als van de soldaten.

Aldus ligt hier het verschil. De eenheid van de Vader en de Zoon van eeuwigheid is een paleiszaak van die beide, door ons onderdanen, wel te roemen en te geloven, maar door ons nooit op welke wijze ook na te volgen; dit laatste ware hoogmoed, overmoed, een als-God-willen-zijn, onze eerste en altijd weer doorbrekende zonde. Doch ziet nu, die Zoon werd vlees, trok “onze uniform” aan en betoonde daarin zich trouw en gehoorzaam Prins-soldaat, of in bijbelse woorden: Knecht des Heeren. Daarvan kan Hij zeggen: aldus ook zij. De gehoorzaamheid die Ik toonde, kunnen zij nu ook gaan tonen. De trouw die ik bewees, kunnen zij nu ook bewijzen. Wat bij Mij zichtbaar was, kan ook bij hen zichtbaar zijn. Het kan, en moet, en zal.

Misschien stelt hier een aandachtig lezer de vraag: zijt ge met dit laatste voorbeeld toch weer niet aangeland bij hetgeen gij eerst te gering bevond, namelijk de “blote” vergelijking: “zoals ik, zo ook zij”, en zijn wij dus toch niet weer uitgekomen bij het gebod in plaats van het gebed?

Doch dan zij herinnerd aan de woorden van Calvijn: hier spreekt Christus in kwaliteit van MIDDELAAR EN HOOFD DER ZIJNEN. En hierin gaat dit gebed het geval van die Prins-soldaat verre te boven, want de gehoorzaamheid die Christus bewees in “onze uniform”, ons vlees, geschiedde tevens IN ONZE PLAATS. Die kroonprins geeft wel leiding aan de strijd en geeft wel een voorbeeld, maar geenszins strijden de soldaten “in hem”. Doch aldus wel hier. Toen Christus Vaders werk volbracht, was Hij tweede Adam, Borg, was Hij degeen die de Zijnen zich verdiende, in wiens gehoorzaamheid de Vader zag en wilde zien de gehoorzaamheid van al Zijn volk.

En nu gaan we des te dieper en met uitbundige vreugde verstaan hoezeer en hoe volkomen het een gebed is dat Christus hier voor ons opzendt. Aan de Vader vragen om bewaring, en daarin pleitend voor hun één-zijn, pleit Hij tevens OP hetgeen reeds zichtbaar aanwezig is in Hemzelf. Vader, die eenheid, die IK bepleit als een zaak van Uw bewaring. ZIJ IS TOCH EIGENLIJK AL EEN FEIT GEBLEKEN.

Toen ik Uw opdracht volvoerde, al die tijd, toen deed toch immers Mijn volk het in Mij. De eenheid van die ganse wereldkerk is toch al aan de dag gekomen in deze Mijn gehoorzaamheid? Welnu, Vader, daarop pleit ik; indien dit reeds het geval was, dan moet ook het vervolg komen, dan moet ook komen de uitwerking van wat in Mijn werk reeds besloten lag; het MOET nu, want het WAS er al en wanneer Ik mij aanstonds tot de dood toe heilig voor hen, dan zal het er des te meer en gans volkomen blijken te zijn.

Verstaat ge de consequentie hiervan? Ze zal minstens deze zijn dat we niet meer zullen zeggen, dat hier de nadruk valt op “de geestelijke eenheid” terwijl de “bloot uitwendige” bij de wortel zou afgesneden zijn. Zo zou het inderdaad wezen, indien het eerste juist ware, dat we hier zouden horen een “weerkaatsing” van de eenheid tussen Vader en Zoon. Op die lijn zouden we wel heel ver van huis komen. Zij zou mij kunnen voeren tot iets als de Wereldraad van Kerken en in het algemeen tot theorie en praktijk dergenen die verkondigen, dat ge “over de zichtbare kerkmuren heen” elkaar geestelijk de hand moet reiken. Op deze manier kan ik komen tot verachting zelfs van “het instituut” en mystieke geestdrijverij. Want aldus wordt “de eenheid” iets boven de zichtbare werkelijkheid uit en een imitatie van de band tussen de Vader en de Zoon in de eeuwige heerlijkheid. Maar op die lijn doorgaande zou ik dan ook God zelf aanranden. En inderdaad geloven wij, dat veel, ja het meeste eenheidsstreven deze weg volgt en niet anders is dan een gecamoufleerde herhaling van de eerste paradijszonde om “als God te willen zijn”.

Maar Christus’ gedachten bewogen zich al biddend blijkbaar op een volmaakt andere weg. Hij had juist zich ontledigd en gans vernederd en was bezig gehoorzaam te worden tot de dood, ja de doods des kruises (Filipp. 2). Wee mij, indien ik daarin Hem zou miskennen door mijn verdwaalde eenheidshaast. Want Hij komt nu juist zo allernadrukkelijkst rapporteren hetgeen Hij geleverd heeft aan ZICHTBARE gehoorzaamheidseenheid HIER OP AARDE in MENSELIJK VLEES en MENSELIJKE VERHOUDINGEN met de Vader en Wetgever en volkomen Souverein. En nu zegt Hij maar niet, dat ik dat moet navolgen, maar oneindig meer. Hij zegt aan God, dat IK HET GEDAAN HEB, namelijk in HEM. Mijn kerkeenheid lag al zichtbaar in Hem, toen Hij gehoorzaamde, van begin tot eind.

Zichtbaar- dat is nog iets anders dan: gezien. Die twee worden doorgaans slecht onderscheiden wanneer men maar slordig spreekt over een “onzichtbare” kerk die je ware zou zijn. Iets kan zichtbaar zijn, zonder dat iemand het ziet. Christus kon zichtbaar voor elks oog de Vader gehoorzamen, en toch door de mensen daarin ongezien, hetzij omdat zij op een bepaald ogenblik er niet bij waren, hetzij omdat zij zich verhardden en de ogen sloten, in blindheid niet wilden zien. En zo kan het vandaag met Zijn kerk zijn, want de dienstknecht is niet meerder dan zijn Heer, en als ze in Hem de eenheid met de Vader-Wetgever niet wilden zien, dan zullen de duizenden ook vandaag in de gehoorzame kerk niet ontdekken de werkelijke en zichtbare eenheid van Gods volk. Deze smaad moet ik en wil ik dan ook dragen met Mijn Heere. De smaad, dat men mij zegt: uw daad van vrijmaking was een zoveelste streep door de eenheid van Johannes 17. De smaad, dat men klaagt: dit gebed is blijkbaar niet verhoord, want zie maar de verscheurde christenheid. Tegenover dit alles weet ik mij getroost door het gebed van mijn Heiland, want nu zie ik elke daad van kerkelijke gehoorzaamheid als een vrucht en verhoring van dit gebed. En ik weet: daar waar de kerk concreet gehoorzaam is door te treden in kracht des Geestes op het pad van Gods geboden, daar IS WEER DE EENHEID, die geestelijke, ZICHTBAAR EN HOORBAAR EN BESCHRIJFBAAR AANWEZIG IN DEZE WERELD, deze wereld waarin mijn Heiland volbracht al deze gehoorzaamheid. Nu weet ik, dat ALLES ER OP AANKOMT, dat het “geestelijke” zichtbaar wil worden. Ware het anders, mijn Heere had niet zichtbaar hoeven te gehoorzamen en sterven, noch ook op te staan. Maar dat Hij voor mij zo reëel gehoorzaamd en geleden heeft, moet mij verhinderen om op enige onzichtbaarheid mij terug te trekken. Of men het ziet, is een tweede, maar dat men het kan zien, als men de geloofsogen maar open doet, dat staat vast.

En rustig dus zeggen wij, belijden wij, dat Christus’ gebed verhoord wordt en altijd reeds verhoord is in de kerk, die ZIJN WOORD BELIJDT EN GEHOORZAAMT, die zich bewaard weet en laat bewaren bij de Naam des Vaders en Zijn Woord, door Christus haar toebetrouwd. Bij de kerk is elk schuldig zich te voegen teneinde te onderhouden, te “conserveren” (art. 28) de enigheid der kerk in de zichtbare onderwerping aan haar onderwijzing en tucht, en wat daar verder volgt.

Dat is Christus’ gebod. En de gehoorzaamheid daaraan geschiedt òp Christus’ gebed. Want ge leeft maar niet “in het klimaat” van dit gebed, doch uit kracht van Zijn verhoring.




Gebod of gebed? (5)

In onderstaand artikel (in de vervolgserie van prof. H.J. Schilder) wordt dieper erop ingegaan wat de zinsnede “gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U” (Joh. 17:21) inhoudt.


Niet slechts een pleit voor, doch ook een pleit op het een-zijn.
De vorige maal herinnerden wij eraan dat wij ons door de Vader bewaard moeten weten. Want, zo zeiden we, Christus neemt alles voor Zijn rekening, ook hetgeen waartoe Zijn bevel mij dringt.

Het zou zeer oneerbiedig zijn, dit slordig voorbij te zien, daar toch onze Heiland juist hierop in die gebedswoorden zo duidelijk gewezen heeft. Toch vrezen we, dat ook deze slordigheid velen parten speelt wanneer zij met zevenmijlslaarzen het pad der eenheids-“deugd” betreden. Die laarzen vertrappen zo licht een ontroerend en aangrijpend moment van Christus’ gebed, namelijk wanneer Hij niet slechts de Vader vraagt om bewaring voor Zijn ganse kerk, en daardoor niet slechts het pleit voert voor het één-zijn van al Zijn gelovigen (zie het vorige artikel), doch ook Zijn gebedswoorden volle kracht verleent opdat de Vader toch maar horen zou, gelijk Hij de Zoon altijd hoort -wanneer Hij in die pleitrede een grond aanvoert, bestaande in een reeds aanwezige, geconstateerde, zichtbaar geregistreerde, eenheid, namelijk tussen Hemzelf en de Vader.

Want, zo spreekt Jezus Christus in de nacht waarin Hij Zich voor ons geheiligd heeft, zich schikkend tot de laatste offergang, toen Hij de woorden sprak: “opdat zij allen één zijn, GELIJKERWIJS GIJ VADER IN MIJ EN IK IN U, dat ook zij in Ons zijn”.

Het kan misschien iemand reeds verwonderd hebben, toen we in het bovenstaande van deze woorden als een “pleitgrond” spraken -gelijk we nu ook verder nadrukkelijk willen doen. Hij zal bij zijn schriftlezing mogelijk hebben gedacht, dat deze woorden toch duidelijk een vergelijking bevatten. Zoals ik in de winkel kan zeggen, dat ik een kostuum wil hebben van dezelfde kwaliteit als het pak dat mijn buurman heeft gekocht, kan men zich hier voorstellen dat de bedoeling zou zijn een één-zijn te bepleiten van eenzelfde kwaliteit als het één-zijn van Vader en Zoon, even volkomen, even zuiver, even hecht, even onverbrekelijk, even schriftmatig, kortom evengelijk. Nu willen we dadelijk toegeven, dat dit element ook metterdaad besloten ligt in deze woorden en mede in rekening wordt gebracht wanneer we hier van een “pleitgrond” spreken. Maar we menen daarbij dan ook, dat we deze woorden geen recht doen door hier slechts van een vergelijking te spreken.

Het kan zijn nut hebben, dit verschil duidelijk te maken door een verwijzing naar een ander gebed, namelijk het Onze Vader, en wel naar de vijfde bede.

Indien wij hierin de Vader zouden vragen of Hij ons vergeven wil, op dezelfde wijze als wij onze schuldenaren vergeven; wat zou er dan van ons, armen, terecht komen? De Catechismus is hier dan ook wel uitermate eerlijk en bescheiden wanner hij naar de Schriften ons niet hiermee laat zeggen dat onze vergeving model en bestek en maatstaf moet zijn voor de goddelijke, doch ons doet gewagen van een “voornemen”, doch dan ook een “gans” voornemen om onze naaste van harte te vergeven. En als wij dan door Christus ons genoopt weten, deze woorden aan de vergevingsvraag toe te voegen, is er maar één mogelijkheid, namelijk dat wij met die woorden pleiten op de reeds ontvangen genade, zoals het de Catechismus zo verrukkelijk schoon zegt “gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat…”. Met deze door Christus ons voorgezegde woorden wijzen wij dus wel allerminst op een norm ten opzichte van ons voor de goddelijke vergeving, doch wij wijzen de Vader op HETGEEN REEDS AANWEZIG IS, namelijk door Zijn genadekracht; wij zeggen met die woorden: Vader, wij vragen om vergeving, en dat doen we niet zo maar, doch we leveren in onze vraag het bewijs, dat we van U geleerd hebben hoe ontzaglijk zwaar dat werk is; wij hebben het voor ons deel in beginsel van U al geleerd, en dus, niet op onze vergevingsprestatie, maar op Uw les en Uw wederbarend werk tot verstand van die les pleiten wij; wij komen U zeggen, dat wij ons door Uw vergevingsbevel gedrongen weten en voelen tot vergevingsdaden uit de grond van ons hart.

Zo liggen de verhoudingen, naar wij menen, in het door Christus ons geleerde gebed. En van daaruit kan ons duidelijker voor ogen komen te staan hoe zij liggen in het door ons uit Zijn mond gehoorde gebed. Om dan ook te zeggen: als Christus Zelf de Vader in Joh. 17:21 zijn “gelijkerwijs” voordraagt, is het veel meer dan een vergelijking, het is een pleitgrond. Het is een wijzen van de Vader op hetgeen reeds aan eenheid concreet, reëel, zichtbaar en registreerbaar aanwezig is, opdat OP DIE GROND VAN HET BESTAANDE MIDDELAARSWERK EN DE REEDS BETOONDE MIDDELAARSGEHOORZAAMHEID de Vader nu ook uitkere het bewaringsgoed, dat voor de ganse toekomst door het HOOFD voor Zijn LICHAAM wordt gezocht.

In dat laatste geval dient de vergelijking altijd een verder doel, zij wil op het bestaande wijzen, teneinde dan te verlangen “indien het een, dan ook het ander, dat er in ligt en er op gebouwd wordt”, m.a.w. er wordt niet maar gezegd: “zoals A, zo ook B”, doch: “indien A gezegd is, dan moet ook B gezegd worden”. Zo nu loopt de Heiland de Vader aan, om Hem te bewegen van Christus’ A te komen tot het B der kerk. En wie het zó Hem zeggen hoort, weet bij voorbaat dat ook die B al weer van de Christus zelf alleen maar wezen kan, van Hem, het HOOFD der KERK, en MIDDELAAR GODS EN DER MENSEN.

Want als zodanig wil Hij hier door de Vader en ons zijn gekend als pleiter voor de zaak der kerk. Gelijk wij een volgend maal, ter voltooiing van dit artikel, nader samen willen zien.