Geloofsvermeerdering

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. M.B van ’t Veer.[1]


En de apostelen zeiden tegen de Heere: Vermeerder ons het geloof.
En de Heere zei: Als u een geloof had als een mosterdzaadje, zou u tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.

~ Luk. 17:5-6

 

We nemen graag deze bede van de apostelen over.

En de verzuchting hoort men meermalen slaken: “Och, Heere, vermeerder mijn geloof”.

Toch moet bij de overname van deze bede ons reeds tot voorzichtigheid manen, dat er geen enkele aanmoediging voor het opzenden daarvan tot ons komt uit het antwoord, dat Jezus daarop geeft. Integendeel, we kunnen wel direct constateren dat Christus deze bede om geloofsvermeerdering radicaal afwijst.

 

De vraag van de apostelen
Laat ons even zien, wat de apostelen vragen. Ze zijn door Jezus gesteld voor de allesomvattende eisen van het nieuwe leven. De Heiland heeft hun gezegd, hoe hun wandel en handel moet zijn ten opzichte van de ergernissen en in het stuk van de vergeving. Daarbij hebben de discipelen plotseling oog ontvangen voor het oneindige van de christelijke roeping. Want wat het eerste betreft: zelfs wie één van deze kleinen ergert, ware beter in de zee verdronken. Zó dus moeten ze wandelen in deze boze wereld , waar de één zich niet bekommert om de ziel van de ander, dat zij zelfs niet een kinderziel enige aanstoot voorwerpen. Nimmer iemand tot zonde verleiden, nooit, zelfs niet een kinderziel, verkrachten.

En wat het tweede betreft: van hen wordt wel zeer veel gevraagd ten opzichte van de broeder. Steeds maar weer vergeven: “Elke dag?”, zo vragen ze. En het antwoord luidt: Nee, niet maar elke dag, maar elke dag zevenmaal, als het voorkomt. Elke dag de vergeving vol, volkomen maken.

Ja, hier komt tot hen de eis van volmaakt zijn!

En dat in een wereld die geen mensenziel acht én die vergeving dwaas vindt en de beker van de wraak gretig aan de lippen zet. Wie zal dat vermogen? Een oneindige taak – en dat voor zo kleine krachten!

Wie dat vermag, moet toch wel veel geloof hebben, meer dan zij nu bezitten. Daarvoor is hun geloof niet toereikend. Zo komen ze tot de bede: “Heere, vermeerder ons geloof”.

 

Een gebed in strijd met de aard van het geloof
Waarom nu wijst Christus deze bede af?

Omdat zulk bidden geheel in strijd is met de aard van het geloof. Wie bidt om geloofsvermeerdering, zoals de discipelen dit hier doen, heeft vergeten wat het geloof is. Wat is toch de voorstelling van deze bidders? Zij vragen eigenlijk: “Heere, voeg er nog wat bij!” Ze zien dus het geloof als een zielskracht, waarvan men veel of weinig bezitten kan. In die zin alsof de één kon zeggen: ik heb veel geloof, en de ander: ik heb wat minder, en een derde: ik heb maar heel weinig. Een zielskracht kan men meten; magnetische kracht kan in meer of mindere mate aanwezig zijn. Zo zien ze ook het geloof als iets, dat met een bepaalde dosis kan worden toegediend.

Daarmee hangt de andere fout samen: zij verwachten het van hun geloof en zien dus enkel naar hun geloof. Zij zagen niet, dat “het geloof” op zichzelf niets is en ook nooit op zichzelf bestaan kan. Het geloof is alleen dat, wat het is, door zijn inhoud. Zij moeten niet geloven in hun geloof, maar in hun God, die zij door het geloof aangrijpen. Niet van hun geloof, maar van Hem moet het komen.

Maar dan zullen ze er ook van verlost zijn om de krachten te willen meten. Zo deden ze nu: ze zagen de oneindige taak en gingen toen hun krachten (hun geloof) daaraan meten en het resultaat was, dat door hun eindige kracht de oneindige taak niet kon worden verricht. Zo gaat het als “het geloof” “op zichzelf” wordt genomen, los van de inhoud en gelijkgesteld met een zielskracht.

 

Christus’ afwijzing van dit gebed
Nu wordt het ook duidelijk, waarom Jezus deze bede afwijst. Hij toont de dwaasheid er van aan, door te spreken van het geloof als een mosterdzaad. Daardoor gaat Jezus even in hun denkschema over en zegt: Ik zal, naar uw zienswijze gesproken, nu eens de kleinste korrel geloof nemen – wat gebeurt er dan? Wel, dan worden bomen ontworteld en bergen in de zee geplant, dat wil zeggen, dan gebeuren er ongelofelijke dingen, dingen, die ver boven menselijke bevatting en menselijk vermogen liggen. Het geloof is als een mosterdzaad, grijpt naar de oneindige krachten en doet het voor menselijk denken absurde! Maar wie vraagt er dan nog naar een grotere dosis geloof? Als “de kleinste hoeveelheid geloof” oneindige dingen doet, wie zal dan nog vragen, wat “meer” geloof dan wel vermag? Kan er iets meer gebeuren dan het bovenmenselijk kunnen?

Zo toont Jezus de dwaasheid van hun bede aan! Het ligt niet aan meer of minder geloof en we mogen niet bidden, of God er wat aan zal toevoegen. Evenmin als een landman, wanneer een zaadkorrel niet goed groeit, er meer zaadkorrels bij legt! Nee, hij zal trachten de groeikracht te vermeerderen.

 

Handelen in geloof
Maar daarmee wijs Jezus ook op wat zij wel moeten doen: Wanneer u een geloof had als een mosterdzaad, dat wil zeggen, als u maar gelooft en geen ijdele vragen stelt, of dat nu veel of weinig geloof is, nee, als u gelooft (dat is het beslissende) en u zegt dan tot deze boom: word in de zee geplant: het zal geschieden. Het komt er dus op aan, dat iemand door het geloof werkt. De eerste vraag is of een mens gelooft, – maar dan of hij nu ook door het geloof zegt, dat wil zeggen, of hij nu door de kracht van dat geloof handelt. Daarop komt het aan! En iemand, die door het geloof spreekt en werkt, vermag alle dingen, ook het ongelofelijke; maar iemand, die, ook als kind van de Heere, op dat ogenblik niet door het geloof handelt, kan niets. Dat ligt er dan niet aan of we veel of weinig geloof hebben, maar of we wel of niet door het geloof handelen.

Want het geloof heeft tot inhoud onze God en Vader door Jezus Christus.

Wie gelooft, heeft de almachtige God.

Wie niet gelooft, staat alleen met zijn zwakke menselijke krachten.

Maar als ik God heb, mijn Vader, Die de inhoud van mijn geloof is, dan spring ik over muren en dring ik door benden. Door hem Alleen, Die mijn kracht is.

 

Onze roeping
Zo staan we als kinderen van God voor de oneindige taak: want Gods gebod is zeer wijd.

Zo staan we allen voor onze roeping, waarmee wij geroepen zijn.

Die roeping weegt zwaar. Wie zal haar kunnen volbrengen? Gaat dat niet heel ver onze menselijke krachten te boven? O, dan denken we vaak als de discipelen, dat er wat meer geloof moet komen. Hoe zullen we anders bergen kunnen verzetten? Maar Christus ziet ons aan en zegt, dat hier geen kwestie is van geloofsvermeerdering, maar van geloven en geloofsoefening. Hij wijst er ons weer op, dat een ieder die gelooft, zijn God aan zijn zijde heeft. En zo God voor ons, wie zal tegen ons zijn? Nu komt het er op aan, dat ik enkel zal geloven.

En alleen door het geloof zal handelen.

Want ik vermag alle dingen door Jezus Christus, Die mij krachten geeft.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 35-37. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.

 




Deputatenbericht (2)

Door: J. Bos

 

Eind april 2021 is door de deputaatschappen ACOBB van DGK en EGB van de GKN een gezamenlijk bericht gepubliceerd, waarin de deputaten verslag doen van de voortgang van hun werkzaamheden.[1] Naar aanleiding daarvan zijn we begonnen met het schrijven van een serie artikelen waarin we aandacht willen besteden aan dat bericht. Daarbij betrekken we ook de eind mei 2021 verschenen Acta GS GKN Harderwijk 3 oktober 2020[2]. Het eerste artikel, dat twee weken geleden op deze website is geplaatst, bevat een aantal opmerkingen vooraf.[3] Vanaf dit tweede artikel willen we enkele passages uit het bericht bij langsgaan.

Onder het kopje ‘Inleiding’ is na de eerste alinea het volgende te lezen.

‘In een eerder document dat de deputaten van DGK en GKN gezamenlijk hebben vastgesteld staat:

‘Daarom is het goed, dat we hebben uitgesproken dankbaar te zijn. Dankbaar over wat de HERE doet en geeft. Het is een groot werk van God in deze tijd, dat we broeders en zusters van hetzelfde huis mogen kennen. Met alle pijn die we kunnen hebben en in alle verscheurdheid die er is, blijkt er een macht te zijn die samenbindt, heelt en bemoedigt. Dat is niet de macht van onze gesprekken en kerkelijke afspraken. Dat is de macht van Jezus Christus. Wat dat betreft moet de volgende vraag dan ook zijn: wat wil Hij nu, dat we vervolgens doen? Dan blijven we namelijk dichtbij Hem, in plaats van dichtbij instructies en spitsvondige redeneringen over herkennen en erkennen. We bouwen samen de zaak niet of wel. We mogen samen bouwen aan de zaak van Jezus Christus. Dat doen we niet naar onze orde. Dat doen we naar Zijn orde. Hij heeft in de Schrift toch duidelijk aanwijzingen gegeven, hoe Hij wil dat het in Zijn huis toegaat.’

We zeggen hier ook nu van harte amen op.’

Het was ons aanvankelijk niet bekend welk ‘eerder document’ bedoeld werd. Uit de hierboven genoemde acta van de synode van de GKN werd echter duidelijk wat de herkomst ervan is. Het blijkt een gedeelte te zijn van de rapportage van het deputaatschap EGB, namelijk Bijlage 1, met de titel ‘Vertrekpunt’ (p. 11-13). Later hopen we uitgebreider over deze bijlage te schrijven. In eerste instantie beperken we ons tot het bovengenoemde citaat en het deputatenbericht zelf. We noemen in dit artikel het volgende.

Het is opmerkelijk dat in dit citaat met betrekking tot het resultaat van de gesprekken zo stellig geschreven wordt over ‘wat de HERE doet en geeft’, ‘een groot werk van God in deze tijd’ en ‘de macht van Jezus Christus’. Ook verderop in het bericht wordt in die zin geschreven: ‘de Heere die onze wegen weer heeft samengebracht’, ‘deze vereniging als werk van de verhoogde Zaligmaker’.

In verband daarmee brengen we nog weer eens de Vrijmaking van 2003 in herinnering. Dat is niet zo vreemd als het wellicht lijkt. Aangezien we enkele fundamentele vragen willen stellen, moeten we bij het begin beginnen.

In het deputatenbericht wordt aangaande de ‘scheuringen en schorsingen’ gezegd: ‘De grond om uit elkaar te gaan en van elkaar weg te groeien lag niet in een verschillend omgaan met Schrift en belijdenis.’ Of dat klopt, valt nog te bezien, maar het gaat ons nu om iets anders. Voordat de scheuringen en schorsingen plaatsvonden was er immers ook al sprake van een ‘uit elkaar gaan en van elkaar weggroeien’, namelijk als gevolg van de Vrijmaking van 2003. Kernvraag daarbij was, en is nu nog, de vraag naar de rechtmatigheid van de Vrijmaking als het werk van de Here. Bij de beantwoording ervan is beslist een verschillend omgaan met Schrift en belijdenis in het geding.

De GS Emmen 2009-2010 van DGK heeft besloten om uit te spreken: ‘Dat zij gelooft dat overeenkomstig art. 28 NGB en Zondag 21 HC de Vrijmaking van 2003 het werk van de Here Christus was en dat het Schriftuurlijk en confessioneel bestaansrecht van De Gereformeerde Kerken vaststaat (…)’.[4] Die uitspraak is begin 2013 door DGK zélf gerelativeerd door het aanvaarden van een formulering van de GK Dalfsen (dolerend): ‘Wij hebben er geen moeite mee om in de vrijmaking van 2003 ook de hand van de Here te zien.’[5]

De gevolgen van deze relativering komen hoe langer hoe meer aan het licht. Inmiddels lijkt de vraag naar de rechtmatigheid helemaal niet meer gesteld te worden. Rond de gesprekstafel van de deputaatschappen ACOBB en EGB zat een gevarieerd gezelschap van mannen die de Vrijmaking van 2003 het werk van de Here hebben genoemd, die dat slechts ‘tot op zekere hoogte’ hebben gedaan, en die de Vrijmaking hebben afgewezen of genegeerd. Daar komt bij dat de oorspronkelijk door de GS Groningen 2013-2014 als fundamentele zaak betitelde bespreking van de ‘rechtmatigheid van de vrijmaking van 2003 als het werk van de Here’ na de GS Lansingerland 2017-2018 ineens uit de instructie van deputaten ACOBB bleek te zijn verdwenen, zonder dat duidelijk was waarom.[6]

De klemmende vraag blijft: ‘Was de Vrijmaking van 2003 het werk van de Here, of niet? Welke macht was toen werkzaam?’ De deputaten hebben voorheen getoond daarover niet eenstemmig te zijn, en men laat dat maar zo. Daarmee geeft men ‘als groep’ in feite te kennen: ‘Wij weten het niet’. Maar als men niet in staat is het werk van Jezus Christus te onderscheiden in de Vrijmaking van 2003, op grond waarvan zou het dan geloofwaardig moeten zijn dat men nú ‘de macht van Jezus Christus’ en het ‘werk van de verhoogde Zaligmaker’ wél zo precies meent te kunnen aanwijzen?

Uit wat tot nog toe door de deputaten naar buiten is gebracht, kunnen we opmaken dat zij hun uitgangspunt nemen in een geestelijke eenheid die ze onderling ervaren. Daarover hopen we een volgende keer meer te schrijven.

 

[1] https://www.dgkh.nl/van-herkenning-naar-erkenning/
https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/2021/05/01/voortgang-gesprekken-dgk-en-gkn/
http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=12&item=2028
[2] als pdf te downloaden via: https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/generale-synode/acta/
[3] https://semper-reformanda.nl/deputatenbericht-1/
[4] Acta van de Generale Synode Emmen 2009-2010, pag. 105, https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/acta_generale_synode_emmen_2009.pdf
[5] https://semper-reformanda.nl/het-bestaansrecht-van-dgk-3/
[6] https://semper-reformanda.nl/groeiende-verandering-2/




Deputatenbericht (1)

Door: J. Bos

 

In enkele series artikelen die vanaf begin december 2017 tot eind november 2019 op deze website zijn gepubliceerd, hebben we aangetoond dat het kerkverband van De Gereformeerde Kerken (hersteld) (DGK) principieel van koers is veranderd (via de zogenaamde ‘katholieke afslag’) en hebben we deze koerswijziging gemotiveerd afgewezen als zijnde in strijd met art. 27-29 NGB. In een artikel met een samenvatting van een van de series schreven we aan het slot het volgende:[1]

De DGK-gemeenten konden al niet meer met recht ware kerken worden genoemd, vanwege hun instemming met de besluiten van de GS van Lansingerland waarmee DGK Mariënberg (De Ark) onrecht is aangedaan. Dat was de grond waarop wij ons hebben vrijgemaakt.
Nu zouden wij best bereid zijn om de ‘zaak-Mariënberg’ als incident ‘op zich’ te beschouwen. Het laat zich immers denken (moeilijk, maar toch) dat het onrecht op de een of andere manier ongedaan zou kunnen worden gemaakt. Maar dan zou nog de leer van DGK over de kerk en de koers die op basis daarvan wordt gevolgd, een verhindering zijn om terug te gaan. Want wij mogen ons niet laten meeslepen op een vals-oecumenisch dwaalspoor.

De koerswijziging maakte het mogelijk de binnen DGK heersende hunkering naar eenwording met de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) concreet te maken. Het deputaatschap ACOBB van DGK is in dat proces voortvarend te werk gegaan, echter op een dubieuze manier. Ook daarover hebben we reeds het een en ander geschreven.[2][3]

De buitengewone GS Lutten 2019 heeft deputaten groen licht gegeven voor de verdere realisering van het beoogde doel, waaraan ze vervolgens samen met het deputaatschap EGB van de GKN verder hebben gewerkt. Over de voortgang van deze werkzaamheden hebben de deputaatschappen eind april jl. een gezamenlijk bericht gepubliceerd.[4]

De komende tijd hopen we in enkele artikelen aandacht aan dat bericht te besteden. Daarbij betrekken we ook een gedeelte van de onlangs verschenen Acta GS GKN Harderwijk 3 oktober 2020,[5] namelijk het verslag van de behandeling van het rapport van hun deputaten EGB tijdens de eerste zitting van deze synode in Ermelo (pag. 9 t/m 19).

Vooraf noemen we echter eerst iets uit de acta van de buitengewone GS Lutten 2019 van DGK.[6] In het verslag van de bespreking van de rapporten van het deputaatschap ACOBB staat onder meer het volgende:

Gevraagd wordt hoe het kan dat de gesprekken met deputaten van de GKN in 2019 vlotter gingen dan daarvoor. Het lijkt erop dat er een verandering in houding is gekomen. Hoe zien deputaten dat? Deputaten zien dat als gebedsverhoring van de Heere. We hebben daar samen jaren voor gebeden. Er is over en weer wantrouwen geweest. We zien het als verhoring van gebeden dat de Heere het zo geleid heeft dat harten zijn geneigd en dat we op een goede en inhoudelijke manier met elkaar als broeders konden samenspreken. Dan hoef je niet na te speuren wie veranderd is, DGK of GKN, maar mag je verwonderd constateren dat de Heere gebeden verhoort. De Heere heeft gegeven dat we op basis van Schrift en belijdenis elkaar echt gevonden hebben. Daarvan zijn deputaten overtuigd en daar zijn we dankbaar voor. (p.14)

We hebben gebeden of de Heere dit wilde geven. Het verbaast me om te horen dat er gevraagd wordt ‘hoe kan dit’? Bij wonderen moet je niet vragen hoe dat kan. De Heere kan alles. Hij zorgde voor verandering van inzicht. We moeten ons realiseren dat die verandering van inzicht ook bij ons kan gebeuren. Hij werkt ook in ons hart. Dat moeten we beleven en vorm geven. (p.16)

Hiermee werd gesuggereerd dat er aan beide kanten verandering van inzicht heeft plaatsgevonden. Deputaten EGB van de GKN zien dat echter blijkbaar toch anders. In de acta van de GS Harderwijk staat in het verslag van de bespreking van hun rapport het volgende:

Ook deputaten hebben in het verleden DGK leren kennen als kerken die binden boven Schrift en belijdenis uit. Dat was reden om zich bij GKN aan te sluiten. Deputaten roepen op DGK niet veroordelen om wat zij waren. Er is best veel gebeurd. Dat staat niet in de officiële stukken. Er heeft een mooie ontwikkeling bij de DGK plaats gevonden. Beoordeel DGK en onze gesprekken met hen niet op basis van het verleden. Vier jaar geleden begonnen de gesprekken met het spreken met tegenstanders. Zo beleefde de woordvoeder van deputaten dat. Allemaal er voor oppassen om wel de zelfde mening te verkondigen. Dat is radicaal veranderd in een gezelschap van broeders die hetzelfde beogen. In blijdschap en ontspanning werken aan eenheid. (p.16)

De geest van boven Schriftuurlijk binden treffen wij niet meer aan. Het werk van Christus kunnen wij niet nameten. Wij kunnen plaatselijk kerken aan wijzen als kerken van Christus en realiseren ons dat buiten ons gezichtsveld er ook kerken van Christus zijn. Dat besef, die ontspanning is ook bij DGK aanwezig. (p.17)

Al zijn de ontwikkelingen in de DGK niet af te meten aan allerlei synode uitspraken, in b.v. een artikel van ds. Sneep waarin hij over de kerk schrijft blijkt het heel duidelijk. En als het b.v. gaat over het verschil in de praktijk van het wel of niet stemmen van zusters, dan hoor je nu zeggen dat dat een middelmatige zaak betreft. In het spreken merk je een andere gezindheid dan er was. (p.18)

Tot slot, over het algemeen kan men juist van een partij die veranderd is een opmerking verwachten als: ‘Dan hoef je niet na te speuren wie veranderd is’. Dat hier een wonder is gebeurd, geloven wij eenvoudigweg niet. Er is van meet af aan door het deputaatschap ACOBB toegewerkt naar dit resultaat. Als dat per se een wonder moet heten, zullen we het maar ‘een zorgvuldig georganiseerd wonder’ noemen. Verandering van inzicht aan de kant van de GKN? Ja, maar dan alleen als wordt bedoeld dat men daar tot het inzicht is gekomen dat er bij DGK verandering van inzicht heeft plaatsgevonden.

[1] https://semper-reformanda.nl/gespreksdocument-10-slot/
[2] https://semper-reformanda.nl/het-bestaansrecht-van-dgk-2/
[3] https://semper-reformanda.nl/deputatocratie/
[4] https://www.dgkh.nl/van-herkenning-naar-erkenning/
https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/2021/05/01/voortgang-gesprekken-dgk-en-gkn/ http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=12&item=2028
[5] als pdf te downloaden via: https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/generale-synode/acta/
[6] https://www.dgkh.nl/wp-content/uploads/2020/07/2019-10-08-_Pro_Acta_en_Acta_buitengew_GS_Lutten-2019.pdf




Het legitimatiebewijs

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. M.B van ’t Veer.[1]


Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Een verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet.

~Matth. 12:39

 

Het was wel de handigste zet van het afvallige Israël om een legitimatiebewijs te vragen van Jezus Christus. Er was geen beter middel om de schijn van goede trouw te bewaren en de verdenking van ontrouw op Hem te werpen, Die genoopt werd de echtheid van Zijn credentiebrief te bewijzen. Daarom vragen zij een teken.

 

Een teken uit de hemel
Elders wordt dit verduidelijkt door de bijvoeging “uit de hemel.” Daarop kwam het aan. Jezus deed vele tekenen, zó, dat de menigte zich ontzette en velen tot geloof kwamen. Maar dat was de menigte, die de thora (de wet) niet kende. Geen van de Schriftgeleerden zou in Hem geloven. Want zij werden door dié tekenen niet overwonnen. Ze gaven dadelijk het antwoord, dat dit nog evengoed een bewijs kon zijn, dat Hij van Beëlzebul gezonden was. Naar hun Joodse Messiaanse theologie moest de Messias zich legitimeren door een teken uit de hemel. De hemel moest getuigenis geven en dan zouden zij geloven.

Zo komen ze dan tot Jezus om een teken te verzoeken. Ze kunnen toch maar niet ieder, die zegt gezonden te zijn van de Vader, aannemen. Alleen langs de weg van de tekenen en op grond van de bewijzen zullen zij tot het geloof komen. Maar dan tekenen en bewijzen, die voor hen geen twijfel meer mogelijk maken. Ze moeten zéker zijn, dat de profeet wettig gezonden is en de Vader door hem spreekt. Want het is hun toch om Zijn stem te doen. Niemand anders dan de Heere willen ze horen. O, hoe bang is dat ‘getrouw’ Israël, dat het verleid zal worden van de Heere af te buigen.

 

Schijnvroomheid
Jezus oordeelt dit vragen om een legitimatiebewijs en verscheurt de waan van valse vroomheid. ’t Is een verdorven en overspelig geslacht. En dit teken-vragen bewijst het overspelig hart. De schijn van trouw kan het bewijs van ontrouw niet te niet doen. Wil een overspelige vrouw de schijn van huwelijkstrouw bewaren, dan moet ze trachten de man vóór te zijn. Immers, hij kon eens aan haar gaan twijfelen en een teken van haar eisen. Vraagt zij nu echter een teken van zijn huwelijkstrouw, dan is deze aanval de beste verdediging en wordt de bewijslast op de onschuldige partij gelegd.

Zo wil Israël door het eisen van een legitimatiebewijs alle verdenking van zichzelf afschudden en op de trouwe partij afwentelen. Zo kan ze het best haar eigen verbondsbreuk verbergen.

Maar Jezus tekent deze tactiek als het duivels spel van een overspelige vrouw. Juist het eisen van een teken bewijst reeds, dat de liefde geweken is. De liefde vraagt geen apart en opvallend teken, maar ziet óveral de tekenen opgestapeld. Wie twijfelt aan de liefde van de echtgenoot, wordt door de duurzaamste geschenken van die liefde niet overtuigd. Maar wie in de liefde leeft en van de liefde van de andere partij overtuigd is, ziet in alle gesprekken en daden, in elk gebaar en in het kleinste geschenk, het bewijs van die liefde.

Alleen het overspelig hart vraagt bewijzen, omdat het zelf het bewijs van de liefde niet bezit. Wie in de liefde leeft, heeft geen aparte bewijzen nodig, omdat dan alles bewijs wordt.

De mens komt niet door het aanschouwen van tekenen tot het geloof, omdat de tekenen alleen bewijzen zijn voor hem, die gelooft. Al wie tot Christus komt en eerst een teken verzoekt, eerst door ‘bewijzen’ van Zijn waarachtigheid wil overtuigd worden, bewijst alleen zijn onbekeerlijkheid en ontrouw. Waar we dit teken dan ook begeren te ontvangen, hetzij in de vorm van een wonder, hetzij in één of andere ervaring of zielsbevinding, waarin Christus Zich eerst moet legitimeren – het is alles bewijs van geschonden trouw en van weigering tot geloof. Dit teken-eisen verwerpt Hem en Zijn Woord.

’t Is dan ook schijnvroomheid, misschien ook zelfbedrog, wanneer het geloof van welk teken ook maar afhankelijk wordt gemaakt. Bevestiging (teken) is er alleen voor hen, die de betekende zaak (geloof) bezitten.

 

Het teken van Jona de profeet
Dit overspelig geslacht ontvangt tóch een teken.

Het teken van Jona de profeet.

De omschrijving door Lukas geeft verduidelijking: “Want zoals Jona voor de inwoners van Ninevé een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht.”

Dan komt de vraag op, in wélke zin Jona een teken kon zijn voor Ninevé.

In tegenstelling tot vele andere profeten heeft Jona zijn prediking niet ‘bewezen’ door tekenen en wonderen. Het enige, wat we van hem weten, is dat hij te Ninevé predikte. En de Ninevieten moesten het doen alleen met het gepredikte woord. Geen teken uit de hemel legitimeerde de zending van deze prediker. En toch hebben de Ninevieten een teken ontvangen. Niet een teken dat hij voor hun ogen dóet, maar het teken, dat God van hemzelf gemáákt had. Hij dóet geen teken, maar is een teken. Hij is dit in zijn komen, zijn verschijning, zijn prediken. Hoe zal hij een duidelijker en vaster legitimatiebewijs aan zijn hoorders kunnen verstrekken, dan te wijzen op zichzelf?

Is Jona in zijn predikend doortrekken door de straten van Ninevé niet een duidelijk bewijs van Goddelijke zending? Slechts Goddelijke kracht kon hem bewegen zijn profetisch woord aan deze stad te brengen. Slechts doordat met Goddelijk alvermogen alle koppige weerstand was gebroken, werd de weg van de profetische prediking naar Ninevé gebaand. Nee, Jona behoeft geen teken te dóen: hij is zelf het krachtigste bewijs, dat God hem gezonden heeft. De weg naar Ninevé kon alleen door de Heere zelf gebaand worden. Die weg is er gekomen, niettegenstaande het taai verzet van Jona zelf, niettegenstaande zijn vlucht van Ninevé af, niettegenstaande de storm, het in-zee-geworpen-worden; de grote opslokkende vis, het drie-dagen-lange graf in het binnenste van het monster. Zó heeft de Heere Zijn knecht naar Ninevé doen gaan! Wat zullen zij nog voor een teken vragen? Hij zelf in z’n verschijning is het grote wonder, het levendigste legimitatiebewijs.

Hier komt dan ook het teken op zijn plaats.

Het doet zijn werking aan hen, die geloven. De Ninevieten, die Jona’s prediking niet geloofden, en niet aanmerkten als het Woord van de waarachtige God, hebben ook dat wonderverhaal van zijn ‘fantastische’ reis niet geloofd. En indien het nog waar zou zijn, kon ieder ander het dan niet evenzo zijn overkomen?

Maar wie zijn woord als het Woord van de Heere aannamen, zagen in Jona’s wedervaren het helderste bewijs, dat hij werkelijk door de Heere gezonden was. Het bewijs daarvan hadden zij in Jona zelf.

 

Jezus is het teken
Zo zal nu ook aan het overspelig geslacht uit Jezus’ dagen geen ander bewijs gegeven worden dan de Ninevieten in Jona ontvingen. Jezus zal geen teken dóen, maar zelf voor hen het teken zijn. De Heere zal Hem tot een teken maken.

Zo zal Hij zelf een bevestiging zijn van Zijn Goddelijke zending. Een bevestiging van alles, wat Hij geleerd, verkondigd heeft. Dat zal Hij gemaakt worden en zijn in Zijn dood en begrafenis. Allen, die Zijn Woord geloofd hebben, zullen daarin  het Goddelijk legitimatiebewijs ontvangen. En het zal hun genoeg zijn. Meer dan alle tekenen, die Hij voor hun ogen zou verrichten. Hier komt het teken weer op zijn plaats. Niet als de weg tot het geloof, want wie Zijn woorden niet geloofd heeft, zal dit legitimatiebewijs van Zijn dood en begrafenis (en opstanding) niet toereikend achten. Het teken kan nimmer de weg zijn, die het ongeloof in geloof doet overgaan.

Toch ontvangt dit overspelig geslacht geen ander teken.

Zij vragen om iets, dat bij het Woord zou bijkomen en bewijskracht zou hebben in zichzelf. Ze ontvangen alleen bevestiging van het Woord, waardoor hun ongeloof zal worden verzwaard.

Maar wie aan het Woord, de prediking van Christus genoeg heeft – die heeft ook aan het teken van Jezus genoeg. Zijn geloof wordt er door bevestigd.

Hij heeft dan ook in Christus eerst geloofd omwille van Zijn Woord en ontvangt nu in Christus Zelf het legitimatiebewijs.

 

Genoeg aan het Woord
Zo zegt Christus tegen dit geslacht, dat het genoeg moet hebben aan Zijn Woord. Alleen het overspelig geslacht verlangt meer. Maar de trouwe bruid heeft genoeg aan de betuiging, aan het Woord van de Bruidegom. Of anders: de schapen kennen de stem van de Herder. Het geloof is te voornaam, dan dat het zou steunen op de zwakke draagbalken van de tekenen.

Zo zullen we nu als trouwe bruid aan het Woord van onze Heere genoeg moeten hebben. Meer hebben we niet nodig in deze wereld; in geen enkele omstandigheid, waarin we kunnen komen.

Alleen wie aan Zijn Woord genoeg heeft, zal straks in de grote ergernis van de eind-tekenen blijven staan.

Want tekenen komen er nog. Maar bij de anti-christ.

Straks is er een gemeente zonder uitwendige tekenen en alleen met de armoede van het Woord van de Heere. En tegenover haar is de anti-kerk waarin verblindende tekenen het overspelig geslacht tot zich zullen trekken. De ergernis zal groot zijn. Onze tekenen zijn ons ontnomen en het teken-loze zal voor velen bewijs zijn van het onbetekenende van de gemeente. De glans van het teken aan de overzijde zal voor velen betekenisvol zijn. In die verzoeking zal het openbaar worden of wij genoeg hebben aan het Woord van de Christus, bevestigd in het teken van Jezus.

Wie daaraan genoeg heeft, zal in de teken-loze openbaring van Christus’ kerk juist het teken zien van haar waarachtigheid – want ook dit is bewijs van het autarke (genoeg-zijnde, red.) Woord van de Heere.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 31-34. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.