Opbouw

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van dr. M.B. van ‘t Veer (1904-1944).[1]


“Toen gaf ik hun antwoord en zei tegen hen: De God van de hemel, Hij zal ons doen slagen en wij, Zijn dienaren, zullen opstaan en gaan bouwen. Maar u hebt geen deel, geen recht, en geen herinnering in Jeruzalem.” ~ Neh. 2:20

 

Bij het lezen van dit vers moeten we wel voor ogen houden, dat de opbouw van Jeruzalems muren heel wat anders betekent dan bijvoorbeeld de herbouw van Rotterdam of Middelberg tijdens de Tweede Wereldoorlog. In beide gevallen moge men staan voor troosteloze ruïnen, die op aangrijpende wijze tonen, hoe het bloeiende leven door het overmachtig oorlogsgeweld is gebroken; in beide gevallen mogen de klaagzangen van de zwart geblakerde steenmassa’s de aanschouwers in een taal zonder woorden spreken van het leed, dat ze in zich bergen- toch mag dit ons oog niet sluiten voor het diepgaand verschil, waardoor de ruïnen van Jeruzalem een heel andere spraak doen horen dan van welke andere verwoeste stad ook. Wie dat verschil eenmaal gezien heeft, weet dat ook de opbouw in beide gevallen een andere betekenis draagt.

De ruïnen van Jeruzalem en de opbouw van die stad hebben een eigen spraak, omdat de Heere hen heeft opgenomen in de gang, dien zijn bijzondere openbaring in deze wereld heeft verkregen.

 

De Here bereidt Zichzelf een woning
’t Is dan ook allereerst een feit, van kerkhistorische betekenis, dat Nehemia van koning Artaxerxes verlof ontvangt naar Jeruzalem terug te keren om de opbouw van deze stad ter hand te nemen. Door deze opbouw zal toch de God van Israël weer een eigen stad en een eigen huis worden bereid. En het volk van de Heere zal juist als een volk dat de Heere dient, in deze dienst weer een eigen plaats onder de volken kunnen innemen. Er zal weer een centraal heiligdoom komen; de eredienst van de oude kerk zal weer als vroeger georganiseerd kunnen worden; de heilige feesten, ook nu wel gevierd, zullen door de herbouw toch weer het volk kunnen vergaderen voor de woning van de Heere, waarin de priesters dagelijks kunnen treden voor zijn aangezicht. In de opbouw van Jeruzalem bereidt de Heere weer Zichzelf de woning, die zolang verwoest was, en geeft aan Zijn volk weer de eer Hem te kunnen dienen naar de wetten, die Hij voor die dienst heeft gesteld.

De vrijheid die de bezettende macht aan Nehemia geeft om de stad te herbouwen, is tevens de vrijheid om de dienst van God in alle vrijheid te organiseren; het is de vrijheid van de hoogste instantie hem verzekerd om naar de daarvoor geldende voorschriften de Heere te dienen.

Daarin ziet Nehemia de zegenende hand van de Heere.

Hij heeft de versmaadheid van Zijn volk weggenomen, zoals die elke dag in de ruïnen luid verkondigd werd aan de volken van rondom.

Alle Israëlieten, die in het bezette gebied van Jeruzalem en omstreken wonen, moeten in de opbouwdienst worden ingelijfd.

 

Opbouwdienst roept tegenstand op
Maar dan ontwaakt ook de tegenstand.

Het bekende driemanschap van Sanballat, de Horoniet, van Tobia, Ammonitische slaaf, en van Gesem, de Arabier, treedt gezamenlijk op om de opbouw te verhinderen. Zij zeggen dat dit revolutie is tegen de bezettende overheid. Deze, zo zeggen ze, zal niet toelaten dat de heilige stad met de tempel wordt herbouwd en het volk van de Heere zijn vrijheid neemt om het leven in te richten naar de Wet, die hun God hun gegeven  heeft. Dat is rebellie tegen de staat, tegen de koning.

De tegenstand komt hier niet van de koning, die het veroverd gebied beheerst, wand deze had juist de verlofbrief tot vrijheid van godsdienst gegeven. Maar de bittere tegenkanting komt van hen, die in het bezette gebied zelf wonen; ze komt van hen, die hen als broeders van de verre bloedgemeenschap veel meer hadden moeten bijstaan. Zij maken de opbouwdienst zo moeilijk en pogen die te verijdelen.

De diepere ondergrond is, dat zij de dienst van Israëls God niet wensen. Dat zij het volk van de Heere zijn stad en tempel, d.w.z. zijn leven overeenkomstig de wetten van God niet willen toestaan. De opbouw van het leven naar de wet van de Heere en het bestaan van het volk van God in zijn eigen karakter en met zijn eigen levensstijl verwerkt hun haat. Straks zullen ze allerlei wegen zoeken om het werk te keren. Zelfs voor intriges en verraad bij de koning zullen ze niet terugschrikken.

Deze drie mannen, die zich plotseling opwerpen als bewakers van het grote rijk tegenover hun ‘medebroeders’, hebben vele en voorname relaties aan het hof, waardoor zij het werk van deze bouwers kunnen verhinderen.

 

Het geloofswoord van Nehemia
Tegenover deze lage tegenwerking spreekt nu Nehemia dit forse geloofswoord. God zal het hun doen gelukken – en zij, zijn knechten zullen bouwen. Hij zal door hun tegenstand zich niet laten afhouden.

Het woord van de koning heeft hem de vrije opbouw van stad en tempel, en dus de organisatie van de vrije dienst van God, verzekerd en aan dit woord houdt hij zich. Juist daarin betoont Jeremia te willen zijn de gehoorzame onderdaan, die het woord van de vreemde koning, waaraan Israël onderworpen is, ernstig neemt en daarnaar handelt.

En Sanballat met zijn twee geallieerde broeders, die geen vertrouwen hebben in de toezegging van de koning en de bouwers willen verhinderen, blijken dus noch vaderlandslievend, noch getrouwe onderdanen, noch dienaren Gods te willen zijn.

Daartegenover gaat Nehemia werken. Zonder uitstel.

Nu is het de tijd, die hem gegeven is. Hij weet niet of het straks deze drie intriganten niet gelukken zal de koning van gedachten te doen veranderen. Daarom grijp hij de tijd, die God hem gegeven heeft om te bouwen. Al het volk wordt gemobiliseerd (zie maar in het volgende hoofdstuk); de zaak gedoogt geen uitstel.

En hij begint in het geloof; God van de hemel zal het ons doen gelukken. Hij weet, dat hij werkt voor Gods zaak, voor Gods koninkrijk.

Daarom zal het slagen.

 

De Heere laat het werk van Zijn handen niet varen
Want de Heere zal de opbouw van Zijn werk niet laten breken door welke macht ook. Het kan gaan door veel tegenstand; het zal moeten door veel strijd, niet het minst strijd tegen de valse broeders met hun verraderswerk; straks zullen zelfs de bouwers om beurten het zwaard en het houweel moeten hanteren- maar Nehemia weet, dat de Heere het werk van Zijn handen niet zal laten varen.

Maar dit werk van Zijn hand is dan ook teven het werk van hun hand.

Het komt er alleen door hun gelovige, actieve arbeid.

Daarom wordt nacht en dag benut; wordt elk ogenblik uitgebuit om te bouwen, te bouwen de ganse bouwtijd, die de Heere geven zal.

Juist dat vaste weten, dat hij in de weg van de Heere is, verhoogt de activiteit.

Het zegt maar niet, dat de Heere het toch doen moet en ons werk niets te betekenen heeft. Hij houdt niet de redenering van sommigen, die men nu horen kan, dat het toch maar hoogmoed is te menen, dat wij zouden kunnen bouwen, daar toch al ons menselijk werk onder het oordeel ligt.

Niet van dat alles.

Hij neemt gelovig de dag, die de Heere geeft en gaat werken en zet aan het werk, omdat zij dienstknechten zijn van de Heere. Daarom werken zij voort te midden van alle bestrijding, dankbaar voor elke dag, dat zij werken kunnen. Dat is de enige taak van het volk Gods in de opbouwdienst van Gods Koninkrijk.

 

Opbouw in het geloof
Zo is het een opbouw in het geloof.

Daarom associeert Nehemia zich ook niet met deze afgevallen halfbroeders.

“Nehemia en de zijnen denken er dan ook niet aan om een poging te doen Sanballat en de zijnen aan hun zijde te brengen door hen tot medewerking uit de nodigen (Ezra 4:3)” (Noordtzij). Zijn kunnen nimmer samen bouwen aan het huis en de stad van God. Ze zijn van een andere geest, zij, die de vrije cultus van de levende God haten en willen verhinderen, zullen in de opbouw voor de Heere nimmer de bouwers vinden. Hier is geen samenwerking. Zij hebben geen deel in Jeruzalem.

Dus zal het volk, dat tot deze opbouw gehoorzaam is, daarin alleen moeten staan. Maar het zal ook  niet anders moeten willen dan alleen staan. Een fusie met hen, die geen deel hebben in Jeruzalem zal juist de kracht breken. Hier kan alleen het volk staan, dat in geloof wil bouwen, vertrouwend, dat de Heere het hun zal doen gelukken.

“De God van de hemel, Hij zal ons doen slagen en wij, Zijn dienaren, zullen opstaan en gaan bouwen. Maar u hebt geen deel, geen recht, en geen herinnering in Jeruzalem.”

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: M.B. van ’t Veer, Het rijke woord (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.), pp. 122-125. Voor de leesbaarheid zijn ook tussenkopjes toegevoegd.