De verdediging van het gereformeerde kerkmodel (5, slot)

Door: M.R. Vermeer

 

In het voorgaande artikel werd een begin gemaakt met de bespreking van het boek De verdediging van het gereformeerde kerkmodel van Antoine Chandieu. We bespraken dat zijn bijdrage laat zien dat de geestelijke kerkregering een zaak is van de Schriftuurlijke leer, en ook het belang van de dienst van het Woord onderstreept. In dit laatste artikel wordt een derde ‘kernpunt’ besproken, namelijk de verhouding van gemeente en ambt.

 

Een mondige gemeente
Allereerst moet dan worden opgemerkt dat de gemeente een ‘mondige’ gemeente is. Zij heeft immers de zalving van de Geest ontvangen, zoals Johannes ook aangeeft wanneer hij de gemeente oproept om de nieuwe leer van dwaalleraars te weerstaan: “En wat u betreft, de zalving, die u van Hem hebt ontvangen, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u onderwijst” (1 Joh. 2:27a). De gemeente heeft een hoge positie als “een koninklijk priesterdom, een heilig volk” (1 Petr. 2:9).

We zouden de gereformeerde kerkregering (en het betoog van Chandieu) dan ook onrecht doen, wanneer wij zouden menen dat dit leidt tot een ‘uitschakeling’ van de gemeente. Integendeel, een geestelijke kerkregering activeert juist de gemeente, omdat zij onderwijzing ontvangt vanuit Gods Woord en dan ook kan toetsen naar ditzelfde Woord (1 Joh. 4:1). Een mondige gemeente dus, maar dan wel op de goede manier: levend uit, en toetsend aan, het Woord van God.[1]

 

Geen hiërarchie
De ambtsdragers vormen dan ook niet een soort ‘gewijde stand’ boven de ‘lekenstand’. We kunnen de Roomse Kerk (terecht) verwijten dat zij een paus heeft, maar moeten deze ene paus niet inruilen voor vele kleine pausen. Het ambtelijk gezag is niet ‘opgesloten’ in het ambt, komt niet met het ambt als zodanig mee, maar is een gezag wat gebonden is aan het Woord van God.

Chandieu verzet zich dan ook terecht tegen een roomse ambtsopvatting: een ononderbroken opvolging in het ambt is niet nodig om een roeping wettig te maken. De ware opvolging is gelegen in het voortdragen van de fakkel van het Evangelie!

Zelfs kan er een periode zijn van breed verval in de kerk, waarin de herders zelf nog het meest dwalen en het volk voorgaan in het kwaad. Chandieu merkt op dat in een dergelijke uitzonderlijke situatie de Here personen op een buitengewone manier kan roepen – hij dacht hierbij aan de reformatoren, die door de Roomse Kerk niet tot het ambt werden geroepen, maar de Here legde toch Zijn Woord in hun mond, en zij werden toch door Gods kinderen voor ware verkondigers van dat Woord gehouden.[2] In onze tijd kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat een ‘gemeente in oprichting’ (en zonder kerkverband) door vrije verkiezing ambtsdragers kiest, in plaats van door talstelling.[3] Een uitzonderlijke situatie dus, maar dan wel erop gericht om de verstoorde orde te herstellen.[4]

 

Geen democratie
Een mondige gemeente dus, met een ambtelijk gezag wat niet een ‘gegeven’ is. Maar dan toch wel met ambtelijk gezag. Een gemeente met de sleutelmacht van het koninkrijk der hemelen (HC Zondag 31), maar waarin dan toch de uitoefening van deze sleutelmacht niet is opgedragen aan het gehele lichaam, maar aan ambtsdragers (NBG art. 30-32).

Terecht wijst Chandieu erop dat de gemeente geen democratie is, een zichzelf besturend lichaam, met verkozen volksvertegenwoordigers die vooral ‘faciliterend’ bezig moeten zijn. De gemeente wordt geregeerd door ambtsdragers: “En hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (Ef. 4:11-12). Ambtsdragers die er voor dienen te waken dat de gemeente wordt heen en weer geslingerd door allerlei ‘wind van leer’ (Ef. 4:14). Ambtsdragers die waken over de zielen van de gemeenteleden en daar ook rekenschap over zullen moeten afleggen (Hebr. 13:17).

 

Een actuele zaak
Zo heeft Chandieu de Franse gereformeerde kerken de weg van een Schriftuurlijke kerkregering gewezen, en is hij indirect ook de Nederlandse kerken tot zegen geweest.[5] Een kerkregering die nog altijd van belang is voor de kerk, ook in de 21e eeuw. Een kerk die misschien klein zal worden, soms ook een andere ‘vorm’ zal krijgen dan in de voorafgaande decennia, maar alleen gezegend zal worden wanneer zij zich voortdurend ordent naar de ‘blijvende regels’ van deze kerkregering. Een kerkregering die ten diepste een zaak is van het tweede gebod: God dienen op geen andere wijze dan Hij in zijn Woord bevolen heeft (H.C. zondag 35, art. 32 NGB).

We hebben in het eerste artikel reeds aangegeven dat er ‘niets nieuws onder de zon is’. We kunnen hier denken aan de ontwikkelingen in veel kerken in de afgelopen decennia. Zo is het geen goed teken wanneer in de kerk allerlei ‘commissies’ of ‘werkgroepen’ worden ingesteld die het eigenlijke ambtswerk steeds meer gaan vervangen. We kunnen ook denken aan de discussies vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) over de ‘zegenende ouderling’ of het ‘zegenende gemeentelid’, waarin een vervlakking van het ambt naar voren kwam.

In het verleden is er met het oog op de zegenende ouderling (of het zegenende gemeentelid) op gewezen dat in de Gereformeerde Kerken een andere opvatting over het ambt ging heersen:

“Prediking is bediening der verzoening. Die bediening is door de Here toevertrouwd aan door de Here geroepen ambtsdragers! Niet zo maar aan broeders die capaciteiten hebben en aanvaardbaar zijn in de gemeente. Het opleggen van de zegen gebeurt namens de Here, en is nauw aan die bediening verbonden.

In de lijn van een andere opvatting van de prediking komt men ook tot een andere opvatting m.b.t. het opleggen van de zegen. Men acht die oplegging niet meer gebonden aan de geroepen ambtsdrager maar acht iedere belijdend gemeentelid bevoegd, dat volgens de kerkenraad capaciteiten heeft en aanvaard wordt in de gemeente. (…)

Toch is deze opvatting inzake prediking en zegen in strijd met de schriftuurlijke gereformeerde belijdenis inzake de leer van de drie ambten (dienaren van het Woord, ouderlingen en diakenen, NGB artikel 30 en 31), en inzake de bediening van de verzoening (2 Kor. 5:18-20; Rom. 10:14,15; DL hfdst. 1, artikel 3). (…)

Het gevolg van deze ontwikkeling is dat de ambtsopvatting wordt uitgehold en dat daardoor zelfs de weg gebaand kan worden voor het optreden van zusters in de eredienst.[6]

Het is deze ambtsuitholling die eigenlijk onderliggend is aan een ontwikkeling als ‘de vrouw in het ambt’. Laten wij dan ook hier voor (blijven) waken en ons blijven voegen onder het juk van Jezus Christus (art. 28 NGB).

 

[1] Gelet op de ‘mondigheid’ van de gemeente is het mijns inziens een goede zaak dat de Nederlandse gereformeerde kerken bij de roeping van ambtsdragers een grotere plaats geven aan de gemeente dan de Franse gereformeerde kerken voorstonden; de beroeping geschiedt immers ‘met medewerking van de gemeente’, waarbij de mannelijke leden van de gemeente verkiezen (art. 20 KO).
[2] Speelman, op. cit., p. 88.
[3] Zie hierover H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht (Kampen: J.H. Kok, 1928), p. 328, url: http://www.kerkrecht.nl/node/2641.
[4] Speelman, op. cit., p. 88.
[5] Overigens, hoezeer op hoofdlijnen is in te stemmen met het betoog van Chandieu wat de kerkregering betreft, een andere vraag is of zijn uitleg van een aantal aangevoerde Schriftplaatsen geheel juist is. Zo wordt het woord ‘kerk’ in de uitspraak van de Here Jezus: ‘Zeg het dan tegen de gemeente’ (Matth. 18:17), door hem opgevat als aanduiding van degenen die leiding geven [Speelman, op. cit., p. 204 e.v.]. Chandieu merkt zelf op dat deze tekst ook zo kan worden opgevat dat het woord ‘kerk’ op het volk als geheel slaat, en dat hier wordt aangeduid dat de tucht aan de kerk als geheel dient te worden bekendgemaakt. Laatstgenoemde uitleg lijkt mij juist.
[6] A.P. Bezemer et al., Laten wij ons bekeren. De gereformeerde kerken na “Zuidhorn”. Een oproep tot reformatie (brochure Landelijke Werkgroep Voorlichting Kerkelijke Ontwikkelingen, 2003).




Hemelkolonisten

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus. ~ Fil. 3:20

Misschien vragen wij ons af wat de apostel met deze woorden bedoelt, maar de Filippenzen hebben hem direct begrepen. Filippi was immers een Romeinse kolonie. Lucas schrijft in Hand. 16:12, dat Paulus met de zijnen van Klein-Azië overstak naar Macedonië, en dat hij eerst kwam te Samothrake en Neapolis, en vandaar te Filippi, “de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie”. Hier woonden veel Romeinse veteranen, oudgedienden met hun verwanten. Zij woonden in een vreemd land, ver verwijderd van hun moederland, waar zij geboren en getogen waren. Maar hoewel ‘in den vreemde’ verkerend, hadden zij het privilege ontvangen heel hun levenswijze in te mogen richten naar het Romeinse staatsrecht en de Romeinse gewoonten en zeden. Zo bezaten zij in Filippi de Romeinse bestuursinrichting. Zij spraken op Romeinse wijze recht. Zij bewaarden de taal van hun moederland. Zij hadden hun feesten en feestdagen overeenkomstig de feesten thuis. Zij konden dus zeggen: “De staat, waarvan wij burgers zijn, is te Rome”. En wie Filippi bezocht, zag daar een stuk Romeins leven in een Griekse omgeving. Zij waren ver van huis, maar bleven door hun burgerrecht en levenswijze aan huis verbonden. En dat heeft de apostel blijkbaar aanleiding gegeven om in zijn brief aan de Filippenzen te spreken van “ons burgerschap in de hemelen”, of, zoals prof. Greijdanus vertaalt, “de staat, waarvan wij burgers zijn, is in de hemelen”.

Paulus ziet de gemeente van Christus als een hemelkolonie. Onze stad is in de hemel, het hemelse Sion. Onze regering zetelt hierboven. Onze bevelen ontvangen wij uit deze hemelstad. Wij zijn wel ver van huis, en verkeren ‘in den vreemde’, maar door ons burgerrecht blijven wij aan huis verbonden, en in ons leven vertonen wij de levenswijze van onze moederstand, die ons gebaard heeft, en die ons als haar burgers proclameert. Want Christus is in de hemel. En Die spreekt ons vanuit de hemel aan. Die legt ons vanuit Zijn residentie Zijn bevelen op. Die stort in ons vanuit de hemel zijn hemelse gaven uit. Die legt ons vanuit het hemelse Sion de unio mystica (geestelijke vereniging met Christus, red.) in ons hart, waardoor Hij als het hoofd de leden aan Zich verbindt. Zo hebben wij ons te richten naar onze regering in het moederland hierboven. Van daaruit gezien zijn wij hemelkolonisten.

En door de gemeente als hemelkolonie te zien beschrijft de apostel de heerlijkheid van de verlossing in Jezus Christus. Toen hij met het evangelie te Filippi kwam, toen kwam de moederstad zelf met haar levensglorie te Filippi, om ook daar haar kinderen te baren door de levenwekkende kracht van het Woord van God. Toen kwam Christus Zelf, de grote Koning, naar Filippi om Zich ook daar onderdanen te formeren als kinderen van het licht. Zij waren vroeger zonder God in deze wereld, gevangen in de banden van Satan, hun ellende, terwijl zij hun rampzaligheid niet eens kenden. En nu zijn zij wedergeboren tot een levende hoop, kinderen geworden van de hemelstad, met de heerlijkste beloften voor de toekomst. Zij zijn door deze moederstad getrokken uit de duisternis tot haar wonderbaar licht. En nu vormen zij een hemelkolonie, nog wel ver van huis, maar reeds in haar levenswijze de glorie van de hemel openbarend.

Zo kent het geloof zichzelf in deze wereld en ziet de gelovige de heerlijkheid van het verloste leven. Door het geloof kent hij de band met zijn moederstad, kent hij zijn Koning in Zijn residentie, richt hij zich naar Zijn bevelen, leeft hij uit de bronnen, die hierboven stromen.

Hemelkolonisten, geen emigranten. Emigranten gaan naar een vreemd land toe, om zich tenslotte in dat vreemde land geheel op te lossen door zijn gewoonte en zeden aan te nemen. Zo kennen wij Hollandse emigranten, die in Amerika ‘veramerikaanst’ zijn, en de band met het moederland geheel verloren hebben. Maar wij kunnen geen emigranten worden, want dat betekent voor ons wereldgelijkvormig worden. Deze wereldgelijkvormigheid krijgt juist haar verschrikkelijk karakter in het licht van hemelkolonisten te zijn. Uit onze werken, uit onze levenswijze blijkt dan, dat wij geen moederstad meer in de hemel hebben, die straks met haar glorie heel de wereld overwinnen zal, en al haar burgers tot zich trekken zal. Juist door onze levenswijze moeten wij ons geloof bewijzen in onze levensglorie, kolonist te zijn van de stad van God hierboven.

Laten wij dan volharden in het geloof hemelkolonisten te zijn. Wij leven dan in een overgangsstadium. Want deze moederstad daalt straks op aarde neer. Alles wordt, wanneer Christus wederkomt, door het moederland in bezit genomen. De akker, waarop ik sta en werk als hemelkolonist, wordt straks moederland. De keuken, waar het dienstmeisje de kopjes wast, werkend in gehoorzaamheid aan Christus haar Heer, wordt straks moederland. Een hemelkolonie is het begin, de moederstad zelf, die neerdaalt uit de hemel, dat is het einde.

Zo hebben wij ons houvast. Wel ver van huis, een kolonie, maar nooit los van huis. De moederstad voedt ons reeds, bekwaamt ons reeds als haar burgers te leven, en daalt straks neer om het alles in haar levensglorie samen te trekken.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).




De verberging een rijk geschenk

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


En toen de zeven donderslagen hun stemmen hadden laten horen, stond ik op het punt ze op te schrijven. Maar ik hoorde een stem uit de hemel tegen mij zeggen: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf dat niet op.~ Openb. 10:4

Johannes op Patmos, de zoon van de donder, heeft de zeven donderslagen gehoord, die gesproken hebben van Gods gerichtshandelingen op de aarde in de loop van de wereldgeschiedenis. Als Johannes dit gehoord heeft dan weet hij alle dingen, dan heeft hij gezien op welke wijze God tot zijn triomf komt over zonde en dood en Satan, dan kent hij het majestueuze systeem van de werken van God, waarnaar de Heere bezig is Zichzelf het danklied van alle verlosten voor te bereiden, een danklied op Zijn wegen, op Zijn gangen, zo vol eer. Het gordijn is nu voor hem weggeschoven en Johannes kent, evenals zijn Meester in de hemel, de wegen van de goddelijke gerechtigheid in al het wereldgebeuren. Want deze zeven donderslagen leren ons in visionaire taal, dat er bij God een systeem van werken is, waarnaar Hij de wereld van Zijn eeuwig welbehagen opbouwt in al het wereldgebeuren en Zijn Naam heerlijk maakt in heel de wereldgeschiedenis. En tegelijk leren zij ons, dat de mens dit systeem niet kent, dat hij er achteraf iets van ziet en misschien iets van verstaat, maar dat hem de schoonheid en de volmaaktheid ervan volkomen ontgaat. Het systeem is op de aarde niet. De afgrond zegt: ‘Het is bij mij niet’. De zee zegt: ‘Het is in mij niet’. Het is verborgen voor de ogen van alle levenden.

Waarom worden ons de stemmen van de zeven donderslagen verborgen? Waarom mag Johannes ons hun geheim niet meedelen? Wel, deze verberging van het goddelijk systeem is een rijk geschenk van de Vader van alle barmhartigheid. Immers, stel U voor, dat wij het kenden, evenals Johannes op Patmos het heeft moeten kennen, het zou ons verbijsteren. Het zou ons verpletteren. Het zou ons oud maken en ten grave doen dalen. Het zou ons niet verblijden alles te weten, de détails te kennen. Dat kunnen wij nog niet aan. Dat is voor ons nog te groot, te geweldig, het systeem van Gods gerichtshandelingen. Wij leven nog bij de dag. En de Heiland zei: ‘Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad’. Het moet ons genoeg zijn te weten, dat de Heere het systeem kent, en naar dit systeem werkt. Wij moeten ons verblijden in dit systeem te zijn opgenomen. Zo moeten wij door het geloof leven, dat de Heere in al het wereldgebeuren, in alles wat er geschiedt, werkt aan de glorie van Zijn volk, en aan het danklied, waarmee wij Hem straks zullen prijzen voor al Zijn wegen, zullen roemen voor dat grote, machtige werk, dat Hij heeft getriomfeerd in Zijn oordelen, en ons door alle verschrikkingen heen toebereid heeft voor eeuwige zaligheid.

Daarom zullen wij ook geen berekeningen maken. Ook niet zeggen: ‘Dit is het einde’. Nu wij het systeem niet kennen zullen wij ook de grenzen eerbiedigen, die de Heere voor ons weten gesteld heeft. Nu zullen wij ook niet vragen: ‘Wordt dit jaar misschien mijn sterfjaar?’ Ook niet: ‘Breekt dit jaar een wereldoorlog uit?’ Ook niet: ‘Komt nu misschien de Antichrist?’ Wij weten niet wat komen kan. De geschiedenis is niet onze rekensom, maar het wonderwerk van de Heere. Nee, wij zullen bij de dag leven. Elke dag opnieuw vragen naar Zijn goede en welbehagelijke wil. Wij zullen de dag plukken door te werken uit een waar geloof, naar de wet van God, tot eer van Hem. Wij zullen niet wandelen in de dingen, die ons te hoog en te wonderlijk zijn. Zijn Woord is ons genoeg, en Zijn Raad zal bestaan. En straks zullen wij er achter staan, achter het goddelijk systeem van de zeven donderslagen. Dàn zullen wij het ook aan kunnen, en het kunnen prijzen in zijn alpha en omega. Dan zien wij de grote lijnen en de fijne détails. Dan ontdekken wij de veelkleurige wijsheid van God en zingen wij in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen: ‘Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de heiligen!’

Iemand schreef nog niet zo lang geleden met het oog op deze verwarde en ondoorzichtige tijd: ‘Wij weten niet, wat God wil. God verbergt Zich voor ons.Dat is niet evangelisch gedacht. God heeft Zich niet voor ons verborgen. Hij heeft ons Zijn aangezicht getoond in Jezus Christus, Zijn aangezicht in gunst tot ons gewend. Maar Hij heeft ons Zijn systeem verborgen. Dat mocht Hij doen als de soevereine God. En dat deed Hij, omdat Hij zeer barmhartig is. En terwijl Hij Zijn Raad voor ons verborgen heeft, maakt Hij Zijn goedertierenheid elke dag nieuw. Zo geeft Hij ons de kracht om bij de dag te leven. En Hij schenkt ons de belofte straks alle dagen te zullen zien in het licht van Zijn gunst in Jezus Christus.

Zo is de verberging van de zeven donderslagen een rijk geschenk.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).




De verdediging van het gereformeerde kerkmodel (4)

Door: M.R. Vermeer

 

In het woelige Frankrijk van de 16e eeuw wees de jonge predikant Antoine de la Roche Chandieu de pas gereformeerde kerken de weg van een Bijbels genormeerde kerkregering. In de voorgaande drie artikelen is hierbij stilgestaan. In twee afsluitende artikelen wil ik de balans opmaken: wat heeft zijn bijdrage ons te zeggen? Een aantal ‘kernpunten’ in zijn boek wil ik dan ook langsgaan, soms met enige kanttekeningen.

 

De ‘kerkorde’ als fundament van de kerk
Het is allereerst opmerkelijk dat Chandieu de gereformeerde kerkregering beschouwt als onderdeel van de Schriftuurlijke leer.[1] Om daadwerkelijk gereformeerde kerk te zijn en te blijven, is de geestelijke kerkregering niet optioneel, maar een wezenlijke zaak!

We mogen dankbaar zijn dat ook de gereformeerde kerken in ons land in dit spoor zijn verder gegaan. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis is de geestelijke kerkregering (art. 30-32 NGB) vastgelegd als onderdeel van de leer over de kerk (art. 27-32 NGB). Dat er predikanten, ouderlingen en diakenen moeten zijn (art. 30 NGB), de noodzaak van wettige roeping en het gezag van de ambten (art. 31 NGB), de orde en tucht in de kerk (art. 32 NGB) – dit alles behoort tot de ‘leer naar de Schriften’.

Deze ‘kerkorde’ behoort dan ook tot het historisch fundament van de kerk, niet minder dan de overige geloofsartikelen. Ook van déze artikelen geldt dat zij ‘in alle delen geheel in overeenstemming zijn met Gods Woord’ (om het met de woorden van het ‘ondertekeningsformulier voor ambtsdragers’ te zeggen). Kort gezegd: niet alleen wát en wáár de kerk is (art. 27-29 NGB), maar ook hóe zij kerk dient te zijn (art. 30-32 NGB) behoort tot de gereformeerde leer.

Soms is er de neiging om bij de ‘kerkorde’ te denken aan de regels voor samenleving in een kerkverband. Inderdaad gaat een aanzienlijk deel van de Gereformeerde Kerkorde daarover, en het is ook een goede zaak wanneer daarvoor regels zijn vastgelegd – regels waarvan niet gemakkelijk mag worden afgeweken; laat een ‘ja’ daarop ook echt ‘ja’ zijn. Toch, het kerkelijk samenleven begint bij de regering van de plaatselijke kerk. Een plaatselijke kerk die immers voluit kerk is, ook wanneer zij onverhoopt zonder kerkverband zou zijn.

 

Dienst van het Woord
Een tweede zaak die opvalt is dat Chandieu groot belang hecht aan de dienst van het Woord. Een belangrijke plaats wordt door hem dan ook toegekend aan de predikanten als ‘herders en leiders’.

Wel kan hier een kanttekening worden geplaatst bij hetgeen Chandieu schrijft over de plaats van de ouderlingen – is het bijvoorbeeld niet te zwak uitgedrukt dat de ouderlingen de predikanten ‘bijstaan’ in de tuchtoefening? Het is een goede zaak, ook ter voorkoming van hiërarchie, dat in de Nederlandse gereformeerde kerken de predikanten en ouderlingen altijd zijn gezien als in het regeerambt gelijk. En hoezeer het ook waar is dat de publieke Woordbediening in beginsel niet behoort tot de roeping van een ouderling, dit ‘regeren’ door een ouderling is toch ook een voluit herderlijke taak en een arbeiden met het Woord.

Hierin zal wellicht de historische situatie waarin Chandieu schreef een rol spelen. In de begintijd van het Franse protestantisme waren er kerken met soms wel duizenden leden, die dan ook gediend werden door meerdere predikanten. Kerken die ook echt nog ‘opgebouwd’ moesten worden (vanuit kerkelijke centra als het Genève van Calvijn), met soms weinig geletterdheid onder het kerkvolk. Een heel andere situatie dan in onze tijd dus, met gevestigde gemeenten van hooguit enkele honderden leden, waarin één predikant per gemeente voldoende is.

Toch gaat Chandieu terecht uit van het belang van de dienst van het Woord en een eigen ambt voor de prediking, met een afzonderlijke roeping. Het ambt van predikant is immers terug te voeren op het ‘leren’ als één van de drie fundamentele ‘diensten’ in de kerk: leren, regeren en dienen. Fundamentele diensten die voortvloeien uit de ene dienst van het Woord.

In het volgende, laatste artikel hoop ik nog enige opmerkingen te plaatsen over de verhouding van gemeente en ambt.

 

[1] Dit betreft uiteraard de ‘blijvende regels’, de ‘vorm’ kan door de tijd veranderen (zie het tweede artikel in deze serie).




Is de paus de baas in de kerk?

Vandaag deel 6 uit de serie ‘kerkgeschiedenis voor de jeugd’.


Door: E.T. Smith-Teunis


Jullie hebben allemaal vast wel eens van de paus gehoord. De paus die nu de baas is in de Roomse kerk is paus Franciscus. Hij woont in het Vaticaan, dat is het kleinste land ter wereld en ligt in de stad Rome. Maar hoe komt het dat ze zeggen dat de paus de baas is in de kerk? En klopt dat wel?

 

Hiërarchie
Vroeger had je bisschoppen in de kerk. Een bisschop is een soort ouderling, vandaag zouden we zeggen: voorzitter van de kerkenraad. Elke kerk had zijn eigen bisschop of het nu in een dorp of een stad was. Al snel vonden de bisschoppen uit de grotere steden zichzelf belangrijker. Hun kerk was immers veel groter dan de kerk uit een dorpje. De bisschoppen uit de steden noemden zichzelf aartsbisschop. Nu waren hun de baas over de bisschoppen. Maar ook tussen de aartsbisschoppen ontstond er een strijd, want de ene stad was natuurlijk veel groter dan de andere. Het belangrijkste vonden zichzelf de aartsbisschoppen van Constantinopel en Rome. Deze twee hebben heel lang ruzie gezocht over wie nu het belangrijkste was. Uiteindelijk werd de aartsbisschop van Rome het belangrijkste. Hij noemde zichzelf paus. Paus betekent papa (vader).

Je snapt natuurlijk wel dat het niet goed is dat de één de baas ging spelen over de ander. Met een moeilijk woord heet dat hiërarchie.

 

Opvolger van Petrus
De aartsbisschop van Rome werd uiteindelijk de belangrijkste in de kerk. En toen noemde hij zichzelf zelfs de wettige opvolger van Petrus. Petrus was, volgens hun, de eerste bisschop van Rome en had daar als stadhouder van Christus geregeerd. Omdat zij in de plaats van Petrus waren gekomen, waren zij nu de stadhouder.

Hier klopt helemaal niks van! Christus is het Hoofd van de kerk en regeert zélf Zijn kerk hier op aarde. Volgens overgeleverde verhalen die niet in de bijbel staan is Petrus naar Rome gegaan als apostel en is daar gestorven onder de vervolgingen van keizer Nero.

Was Petrus dan wel de eerste paus? Nee!

De Roomse kerk zegt dat dit in de bijbel staat. Lees maar eens wat er staat in Mattheüs 16: 16-18 “En ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen”. De Heere Jezus heeft nooit gezegd dat hij op Petrus Zijn gemeente zou bouwen. We moeten goed kijken wat deze tekst betekent. Hier wordt bedoeld dat Christus zijn gemeente bouwt op de belijdenis van Petrus. “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” Wij geloven in Christus, Hij is het fundament van de kerk. Alleen door geloof in Hem kunnen we zalig worden. Christus heeft geen plaatsvervangers op aarde nodig. Ook een paus; een bisschop; een dominee; een keizer, ja iedereen moet buigen voor Christus.

Over twee pausen in de geschiedenis zal ik jullie wat vertellen.

 

Paus Leo I
Rond het jaar 400 zijn er enorme veranderingen in Europa. Er ontstaat een grote volksverhuizing, waarbij het ene volk het andere weg jaagt. Dit weg gejaagde volk verjaagt weer een ander volk.

Deze volksverhuizing begon door het volk ‘de Hunnen’. Dit is een sterk volk dat heel Europa wil veroveren. Zo komen ze ook bij Rome. Wat zijn de mensen bang in de stad! Bisschop Leo gaat dan met een paar mannen zomaar de stad uit om met de leider van de Hunnen te praten. Die is verbaasd als hij ziet dat ze ongewapend komen. De Hunnen beloven dat ze Rome zullen sparen als de stad hen geld geeft. De inwoners van Rome zijn erg blij. Dit heeft er ook voor gezorgd dat bisschop Leo steeds belangrijker werd en uiteindelijk zelfs de eerste paus werd.

 

Gregorius de Grote
Gregorius is de zoon van rijke ouders. Hij werd eerst monnik en leefde in een klooster. In het jaar 540 werd hij paus.

Gregorius leefde sober voor zichzelf en wilde dat monniken in kloosters dat ook deden. Dit schrijft hij ook in boeken die monniken, bisschoppen en anderen kunnen lezen. Het is belangrijk dat je geen schatten op aarde verzamelt, maar als kerkleider veel aandacht geeft aan het gewone kerkvolk.

Daarnaast regelt hij dat er mannen in andere landen over Christus gaan vertellen. Het zingen in de kerk gaat in die tijd erg slecht. Gregorius zorgt dat er zangscholen komen en maakt zelfs speciale liederen.

Dit klinkt natuurlijk allemaal erg goed. Toch zijn er juist door deze paus heel veel dwalingen in de kerk gekomen. Gregorius gelooft in het semi-pelagianisme. Dat betekent dat je zelf ook wat moet doen om zalig te worden.

Daarnaast vindt hij het ook belangrijk dat er beelden in de kerk komen van bekende kerkleiders en apostelen om te kunnen aanbidden. Heel erg is zijn leer over het vagevuur. Het vagevuur is, volgens de roomse leer, een plek tussen de hemel en de hel. Hier komen de gelovigen na hun dood. Dat komt omdat er nog een deel van hun zonden betaald moet worden. Hoe meer zonden, hoe langer in het vagevuur. Daarna kon je als gelovige wel in de hemel komen.

Heel veel mensen geloofden wat Gregorius zei. Hij was immers de paus.

Wij mogen weten dat Christus voor al onze zonden volkomen betaald heeft. Opdat een ieder die gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft; joh.3:16

 

Hoe het nu in Nederland is.
In Nederland heeft de plaatselijke Roomse kerk zijn eigen pastoor. Een bisschop is de baas van de kerken in een bepaald gebied. Zulke gebieden bestaan uit een aantal plaatselijke kerken. Zo’n gebied heet een bisdom. De Roomse kerk in Nederland heeft enkele bisdommen.

Een aartsbisschop is de baas van een aantal bisschoppen. Nederland heeft één aartsbisschop. Dat is de bisschop van Utrecht. Hij is de baas van de Roomse kerk in Nederland.

De paus is de baas van de aartsbisschoppen. En daardoor de baas van de Roomse kerk in de wereld.

Is de paus nu echt de baas in de kerk? Nee, zeker niet! Er staat niets in de bijbel over een paus als opvolger van Petrus en als stadhouder van de kerk. Het gaat fout in de kerk als de één de baas over de ander wil spelen. Zo wordt de kerk een valse kerk.