Soevereine liefde

Onderstaande Schriftoverdenking is van de hand van Ds. E. Th. van den Born (1900-1982).[1]


Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.
~Matth. 25:13

 

Dit woord van de Heiland is een woord van soevereine liefde. Als Hij dit woord spreekt, dan duurt het nog maar enkele dagen en Hij is de Bruidegom aan Wie alles begeerlijk is. De Bruidegom aan Wie de Vader macht zal geven de bruiloft te bereiden in de gloriewereld, van waar Hij gekomen is en waar Hij weer heengaat. De Bruidegom, Die ons op Zijn weg gezet heeft, de weg van Zijn feest, en Die nu met soevereine liefde ons beveelt om Zijn feest ook zuiver te bewaren, totdat Hij komt om ons tot Zijn glorie in te trekken. Want Zijn feest zal niet gevierd worden in deze wereld, de wereld van de bruid, maar in de wereld van de bruidegom. En wie dit woord van soevereine liefde, “wees dan waakzaam”, gehoord heeft, wie daarin de Bruidegom heeft horen spreken, die bewaart nu ook Zijn feest in een goed en zuiver hart. In een hart, dat Zijn feest niet vervalst, dat Zijn feest ook nimmer vergeten kan, dat zich niet laat verleiden door valse profeten. Het blijft voor hem het feest van de hemelse bruidegom. En hem vergelijkt de Heiland nu met de wijze maagden, die, ter bruiloft genodigd, niet alleen hun feestlampen meenamen, maar ook hun oliekruiken. Zij hadden dat gedaan, omdat zij bij zichzelf overlegd hadden, dat het zou worden het feest van de bruidegom, niet hun feest, maar zijn feest. En zij wilden hem daarin eren, opdat hij zijn feest luisterrijk zou vieren. En zo kwam het, dat zij brandende feestlampen hadden toen de bruidegom inging tot zijn feest.

De Heiland wist, dat er een lange tijd zou liggen tussen Zijn heengaan tot de Vader en Zijn wederkomen. In de tussentijd zou plaats vinden de rijpmaking van de eeuwen, de samenvergadering van de grote gemeenschap van de heiligen, maar ook het optreden van de valse profeten, die er velen verleiden zullen, ook de grote afval. In die tijd, waarin de Bruidegom wacht met te komen, komt het er nu op aan of ons hart Zijn soevereine liefde ondergaan heeft, dat wij horen bij Zijn feest, of wij dus ook zelf de liefde hebben om Zijn Woord getrouw te bewaren, zoals wij het ontvangen hebben, of wij nog dezelfde uitnodiging hebben, als waarmee wij door Hem ter bruiloft zijn genodigd. Uit dat feit zal dan het wonder plaats vinden van mede-aangezet te worden aan Zijn tafel. Uit het zuiver bewaren van Zijn evangelie, ondanks de vele valse profeten, bloeit dan de glorie op van op de akker te zijn en toch gereed te wezen, van in de keuken te staan en toch bereid te zijn voor Zijn feest, van op kantoor te zitten en toch meegetrokken te worden naar de wereld van de Bruidegom. Uit het getrouw bewaren van de eenmaal ontvangen uitnodiging komt dan de heerlijkheid op van in een oogwenk de feestlamp te kunnen ontsteken, om de komende Bruidegom te ontmoeten. Dat hangt niet af van iemands laatste gebed – hij krijgt er geen gelegenheid meer toe- of van iemands laatste psalm – daar is zelfs geen tijd meer voor als de bruidegom komt, – maar dat hangt hier vanaf, of ons hart Zijn soevereine liefde erkend heeft, en dus al Zijn woorden in dierbaar geloof bewaard heeft, al heeft het eeuwen geduurd voor Hij wederkwam. Getrouw bewaard ook in de strijd tegen de valse profeten, die Zijn feest hebben verduisterd en Hem Zijn glorie hebben ontnomen.

Hij is gereed tot de bruiloft, zegt de Heiland. Die mens heeft een feestlamp te ontsteken, wanneer in de wolken het teken van Zijn toekomst verschijnt. Dan kan niemand begrijpen, gereed te zijn, een feestlamp te hebben, wanneer de hemelse Bruidegom komt. Want Zijn komen tot ons is geweldig, is verbijsterend van glans en heerlijkheid. Hij is er in een punt van de tijd. Hij komt midden in het cultuurleven van deze wereld. En hij komt om ons tot Zich te trekken, om ons in Zijn gloriewereld te zetten. En dat gaat naar de werkmethode van Hem, bij Wie duizend jaren zijn als één dag, en één dag als duizend jaren. En alleen wie in zijn hart Zijn feest bewaard heeft, die is gereed, gereed om in een punt van de tijd getrokken te worden, om in een oogwenk tot de bruiloft in te gaan. Zijn feestlamp is het getrouw bewaard  hebben van het evangelie van de kruis, in de wereld gepredikt naar het welbehagen van God. Dat is het beslissende op de dag van Zijn wederkomst.

Zo waakt dan! En wat beslissend is op de dag van Zijn komen tot ons, is ook beslissend in ons leven. Als wij vandaag willen zijn, zoals wij ook zijn willen op de dag van Zijn komen, dan moeten wij Zijn Woord getrouw bewaren. Dan zal op die grote en geweldige dag van de Bruidegom ook onze feestlamp branden en zullen wij gereed zijn tot de bruiloft. En die strijd om Zijn Woord getrouw te bewaren wordt al groter. Dus zal ook onze liefde zich moeten verdiepen om Zijn feest vast te houden. En deze liefde zal zich verdiepen, zo zij zich laat beheersen door Zijn soevereine liefde, waarmee Hij ons aanspreekt: “Wees dan waakzaam!” Want wij staan op de weg van Zijn feest. Wij zijn daar op gezet door verkiezende liefde.

Zó mag Hij soeverein over ons heersen.

Het is ook groot een hemelse Bruidegom te hebben.

 

[1] Overgenomen en licht gemoderniseerd uit: E.Th. van den Born, Van Souvereine Liefde (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, z.j.).




Hoe hebt u de wereld lief?

Onderstaande artikel is van de hand van ds. J. Francke (1908-1990).[1]


Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
1 Johannes 2:15

 

De verhouding tussen kerk en wereld heeft al de eeuwen door veel moeite gegeven. Wel het meest voor de kerk. In het algemeen kan men stellen: wanneer de kerk de wereld binnendringt met de ware prediking van het evangelie, dan is dat een zegen voor die wereld. Maar omgekeerd, wanneer de wereld, met haar zonde, de kerk binnendringt, is dat de vloek voor de kerk. En we moeten er helaas aan toevoegen: het laatstgenoemde deed zich herhaaldelijk voor in de historie van de kerk! Vandaar dat wij ons op de verhouding tussen kerk en wereld blijvend moeten bezinnen.

Hoe staat het nu vandaag bij ons? Rondom ons zien we in Nederland een christenheid, die met veel godsdienstigheid (wat iets anders is dan vreze van de HEERE!) volop aan het verwereldlijken is. Kerkmensen zitten samen met de mensen van de wereld in de bioscoop en voor de televisie. Jongens en meisjes uit christelijke gezinnen zweven samen met jongens en meisjes uit de wereld over de gladde dansvloer. En er is zoveel meer te noemen. Is het niet duidelijk dat voor onze ogen de grens tussen kerk en wereld wordt weggevlakt? Verdraagt zich dat met het apostolisch gebod: “Hebt de wereld niet lief?”

 

Wat is “de wereld”?
Nu duiken de vragen op! Wat is “de wereld”? Mag je dan “de wereld” niet liefhebben, terwijl we bijvoorbeeld op kerst horen dat de hemelse Vader “de wereld” zó liefhad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon in de wereld zond? Waarom is òns verboden wat de HEERE Zelf doet?

We moeten het dus wel eerst eens worden over de betekenis van het woord “wereld”, zoals dat hier in 1 Joh. 2:15 voorkomt. Dat is nog niet zo gemakkelijk, omdat in het evangelie en in de brieven van onze apostel het woord “wereld” veelzinnig is. Het kan betekenen: Gods grote schepping, hemel en aarde met al wat er in is, zoals die uit zijn scheppingshand voortkwamen “in den beginne”. Het kan ook de samenvattende benoeming zijn van alle mensen op aarde. Soms wordt met “wereld” aangeduid de wereld van de aarde, zoals die door de zonde der mensen is aangetast. In welke wereld dan sommige, ja vele dingen helemaal zonde zijn geworden. Het is ook mogelijk dat Johannes met “wereld” de kerk van de Joden aanduidt, omdat die kerk met haar ambtsdragers zich tegenover haar Hoofd Christus opstelt. Wanneer de ware leer wordt verworpen, het leven niet meer wordt beheerst door Gods genade èn wet, en de kerkmensen, net als de mensen van de wereld, naar eigen goeddunken leven, dan is de kerk wereld geworden, een “gemeenschap” in zonde.

Dat is het ergste wat kan gebeuren.

Nu zeggen sommige uitleggers dat wij in vers 15 bij “wereld” dienen te denken aan Gods mooie wereld, de goede schepping, zodat we niet onmiddellijk aan de wereld in zonde mogen denken. Andere verklaarders menen dat “de wereld” hier is de wereld in zonde. Wat moeten we nu?

We zien dat Johannes onderscheid maakt tussen de wereld èn hetgeen in de wereld is. En met dit laatste bedoelt hij, blijkens vers 16, de wereld van zonde, namelijk de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven. We behoeven er dus niet aan te twijfelen, of bij “hetgeen in de wereld is” aan de zonde moet worden gedacht. Dat is wel zeker. Maar dan is ook duidelijk dat we als kinderen Gods dat alles niet mogen liefhebben. De begeerte van het vlees is de zondige begeerte. En het hovaardig of hoogmoedig leven is eveneens echt zonde.

 

De wereld liefhebben in God
Maar wat is nu “de wereld” in vers 15? Laat ons maar eens aannemen dat het gaat om de wereld als schepping van God, de wereld van ons leven van alle dag, in welke wereld duizend en één goede dingen zijn. Het is de som van al de hier voorhanden goederen, rijkdommen, genietingen, eerbewijzen, gemakken en mogelijkheden. Nu, daarin is ontegenzeggelijk veel goeds.

Mogen we dan die wereld (min de zonde) niet liefhebben? God heeft toch ook zijn wereld lief?

We moeten goed onderscheiden.

Gods wereld mogen we wèl liefhebben en we mogen ze niet liefhebben. Dat klinkt paradoxaal – tegenstrijdig. Maar het is het niet. Let maar op!

We kunnen het zó stellen: we mogen de wereld niet liefhebben in plaats van God, evenmin boven God en allerminst naast God, maar alleen in God.

De wereld met al wat er in dit leven der wereld is (ook als het niet boos is) mogen we nooit liefhebben in plaats van God. En het is meestal zó, dat wie God niet liefheeft, deze wereld, dit leven, liefheeft en dus maakt tot zijn “god”, steunpunt van vertrouwen. Zó doen vaak de onbekeerden in de kerk. Het is de wereld liefhebben buiten God, los van God, tegen God in. Bij zulke mensen is het eerste en grote gebod: gij zult de wereld liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met al uw kracht. – Nu, tegen zulke mensen zegt de apostel: “Hebt de wereld niet lief!” U behoort daar toch niet bij?

Er zijn er ook die de wereld, dit tegenwoordige leven, liefhebben boven God, wat in de praktijk maar weinig verschilt met: naast God. Deze mensen willen in hun leven een soort compromis, een vergelijk: God wat en de wereld wat. Ze willen met één been in de kerk staan en met het andere in de wereld. Het is dit: pogen om de wereld, dit tegenwoordige leven, een beetje lief te hebben buiten God of ook naast God. Wat is meestal de achtergrond? De gedachte dat je deze wereld en dit tegenwoordige leven niet goed kunt vasthouden en niet echt kunt genieten, als je helemaal God liefhebt. Deze dwaze gedachte kan ons bevangen, dat je het er pas fijn van nemen kunt, als je niet al te veel en niet al te sterk van God houdt.

Hier heb je het nu: een halve christen (wat niets is!) en een halve wereldgenieter (wat ook niets is!) Hinkende christenen, die naar beide zijden mank gaan, naar de kant van God en naar de kant van de wereld. En zo leven ze dan tussen God en de wereld. Echt tussen God en de wereld? Nee, op de duur niet. Want een beetje liefde tot God en een beetje liefde tot de wereld wordt vroeg of laat: veel liefde voor de wereld! Waarom? Wel, omdat liefde radicaal en totaal van aard is. Haar aard is alles of niets!

Vandaar dat de apostel moet schrijven: wanneer iemand de wereld liefheeft, is de liefde tot de Vader niet in hem. En tegelijk is waar: dan is de liefde uit God niet in hem. Want in een hart dat de wereld bemint, boven God, naast God, kan de liefde uit God niet inkomen.

De wereld, dit tegenwoordige leven, liefhebben naast God is dus tenslotte onmogelijk. Het wordt dan uiteindelijk: alleen de wereld liefhebben.

Lijkt het nu allemaal niet erg moeilijk met “de wereld”? Toch niet. We mogen, ja, we moeten de wereld liefhebben in God. Dat betekent: in geloof, in gehoorzaamheid, in liefde, in overgave, in blijdschap in God. De wereld is van God, al heet de satan dan de vorst dezer wereld. God heeft in Jezus Christus deze wereld teruggenomen voor zich. Dat zal pas goed blijken op de dag van Jezus’ wederkomst. Deze gehele wereld wordt dan schoongeveegd, ja, herschapen tot glorie.

 

De kinderen van God hebben de wereld
En voor wie is dan deze wereld der aarde? We weten het: voor de kinderen van God, die in heerlijkheid zullen zijn! God doet ons dan een wereld erven (samen met Christus de Heiland) die nimmermeer vergaat. De wereld met al wat er in is (uitgenomen de zonde) is van God en van zijn Christus door de Geest der heiligmaking. Wij, Gods kinderen en knechten, zijn mede-erfgenamen der wereld. Zodat de heilige conclusie van de kinderen Gods is: wij hebben de wereld, nu in belofte en straks in vervulling. Wij hoeven de wereld niet scheef aan te kijken. Wij mogen de wereldgenieters-zonder-God niet benijden. Wij hebben de wereld niet te veroveren. Nooit mag het in ons leven zijn: we gaan eerst de wereld veroveren (voor zover we kunnen!) en daarna gaan we ook eens aan God denken. Nee, we moeten niet aan de verkeerde kant beginnen (de wereld) maar aan de goede kant (God).

Wij, Gods kinderen, krijgen dus een hele wereld van God cadeau. Is het niet vandaag, dan zeker morgen als Jezus komt op de wolken. Nu, wat wilt u nog meer, mijn broeder en zuster?

Wij als gelovigen en onze kinderen als kinderen van het verbond moeten dus maar het geduld opbrengen dat we deze wereld in glorie zullen beërven en we moeten maar nooit bang zijn dat ons iets ontgaat. Met dit laatste kunnen wij het soms kwaad hebben. Dat is best te verklaren. De ongelovige en goddeloze mensen beheren en beheersen voor een goed deel onze erfenis. En ze gaan er maar “ruw” mee om. Is het niet erg voor Gods goede schepping? Laat ons bedenken: God heeft er nog meer last van dan wij!

 

Geen compromis
Intussen komen de dingen nu recht voor ons. We lezen het apostolisch gebod nu zó: Hebt de wereld niet lief buiten God, evenmin boven God, ook niet los van God, nog minder naast God, want dan is de liefde van de Vader en de liefde tot de Vader in de hemelen niet in ons. De antithese (geestelijke tegenstelling) is volkomen. Compromis is niet mogelijk. Wat nu?

De wereld liefhebben in God. Dan kan ik de wereld gebruiken zonder haar te misbruiken. Als Christgelovige kun je echt de wereld gebruiken om daarin te wonen en te werken, ja, maar dan wel om daarin de kerk te bouwen en Gods koningsheerschappij te doen vorderen. En wat geeft de HEERE ons dan ook vandaag enorm veel van zijn wereld om dat te doen. Wat hebben we vandaag, in vergelijking met onze vaderen van een eeuw terug, buitengewoon veel geld en goed, om Gods kerk te bouwen, om alle werk in Gods kerk en koninkrijk goed te verzorgen. We moeten maar niet lopen jammeren over “de wereld”! Zullen we haar niet zien in het licht der verlossing? Wat kunnen we dan van deze wereld genieten! Alles in God, in de gemeenschap des geloofs en der liefde met onze God.

Dan heb je geen begeerte naar de vieze dingen van de wereld der zonde. Dan kijk je niet naar onzedelijke televisieprogramma’s. Dan zit je niet met een rood hoofd en een spannend hart voor de televisie om een voetbalwedstrijd urenlang te volgen – o die voetbal, de vervloekte afgod van de duizenden! Dan is er niet de schijngrootheid van de wereld in onze harten en huizen.

Nee, dan leven we midden in deze wereld van God in scherpe antithese (tegenstelling) met de wereld van de zonde. We hebben God lief boven alles en zijn wereld om Gods wil.

De wereld van de bordelen en de nachtkroegen en de danszalen en de bioscopen en de schouwburgen en de speelholen en de betaalde voetbal is niet uit de hemelse Vader maar uit de duivel. Die wereld gaat voorbij. Straks. Op die wereld zijn wij niet jaloers. Verre van dat!

Wij verlangen echt naar Gods nieuwe wereld. U behoort toch bij die “wij”?

 

[1] Eerder verschenen in: Leven tot in eeuwigheid, Schriftoverdenkingen in de gang der heilshistorie (Enschede: Boersma, 1973), pp. 173-177.




Het goed recht van de Vrijmaking

75 jaar Vrijmaking. Op 11 augustus 1944 beklom prof. K. Schilder de kansel van de Lutherse Kerk te Den Haag om de ‘Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ voor te lezen. In onderstaande artikel door ds. R.H. Bremmer[1] wordt uitgelegd waarom deze kerkscheuring tot stand kwam. – MV

 


 

Wortels in het verleden
Wie een beweging in de kerkgeschiedenis goed wil begrijpen, moet naar het verleden teruggaan. Daar liggen dan de wortels. Zo is het ook met de Vrijmaking van 1944. Daar ligt heel de geschiedenis van de Vereniging in 1892 achter. In dat jaar kwamen de kerken uit de Afscheiding en uit de Doleantie bij elkaar. Zij vormden vanaf die tijd De Gereformeerde Kerken in Nederland. Maar ondergronds bleven er toch twee aparte stromingen in het kerkelijk leven. Dat vond mede zijn oorzaak in het voorbestaan van de theologische opleidingen van beide kerkengroepen. In Amsterdam zetelde de Vrije Universiteit (VU), door A. Kuyper gesticht. Aan de theologische faculteit van de VU werden de predikanten voor de Gereformeerde Kerken opgeleid. Zij droegen uiteraard de gedachten van hun leermeesters uit in de verenigde kerken. Hetzelfde gold van de Theologische School in Kampen. De studenten die daar vandaan kwamen, hadden gestudeerd bij Lucas Lindeboom, die op verschillende punten met Abraham Kuyper van inzicht verschilde.

Zo lang beide opleidingsinstituten met elkaar in vrede leefden, was er geen kou aan de kerkelijke lucht. Dat veranderde in het begin van de aren dertig. Toen ontstonden er grote spanningen aan de Vrije Universiteit. Twee jonge hoogleraren, prof. dr. D.H. Th. Vollenhoven, hoogleraar in de filosofie, en prof. dr. H. Dooyeweerd, hoogleraar aan de juridische faculteit, streefden naar vernieuwing van het gereformeerd denken en van het gereformeerde leven. Zij vonden- niet ten onrechte- dat er na de dood van Kuyper verstarring was gekomen en zetten zich in om daar verandering in te brengen. Vooral prof. Dooyeweerd was een vruchtbaar publicist. Zijn hoofdwerk De wijsbegeerte der wetsidee omvat drie dikke delen.

Van deze beide hoogleraren was de bekende hoofdonderwijzer van Biggekerke op Walcheren, de heer A. Janse, een scherpzinnig medewerker. Hij zag bovendien kans de filosofie van de wetsidee te populariseren voor het gereformeerde volk. Janse had een scherp oog voor de betekenis van God verbond en de ons daarin geschonken beloften. Dat sprak in een tijd waarin het subjectivisme hoogtij vierde, het kerkvolk aan.

We keken tot nu toe naar Amsterdam en de Vrije Universiteit, we slaan nu het oog op Kampen. Daar doceerde in die tijd prof. dr. K. Schilder. Het is binnen het bestek van dit artikel onmogelijk zijn betekenis voor kerk en theologie uiteen te zetten. Die was niet gering. Hij beschikte in het weekblad De Reformatie over een wekelijkse spreekbuis, waarmee hij het gereformeerde volk wilde wakker roepen uit verstarring en verbondsverlating. Schilder promoveerde in 1933 in Duitsland tot doctor in de filosofie op een proefschrift dat zich vooral richtte tegen de Deense theoloog Kierkegaard en diens opvatting inzake de paradox (innerlijke tegenstrijdigheid). In datzelfde jaar 1933 werd Schilder benoemd tot hoogleraar te Kampen aan de Theologische School.

 

Opkomend onweer
Het zag er in het begin van de jaren dertig naar uit dat het gereformeerde leven tot nieuwe bloei zou komen. Er waren frisse geluiden van een jonge generatie. Vollenhoen en Dooyeweerd aan de ene kant, Schilder in Kampen aan de andere kant, werkten bezielend ook op veel jongeren.

Hoe was het nu mogelijk dat deze vernieuwingsbeweging eindigde in een kerkscheuring? Gezegd moet worden dat de eerste oorzaak daarvoor te vinden is aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daar deelde in die jaren dr. H.H. Kuyper, een zoon van Abraham Kuyper, aan de theologische faculteit de lakens uit. Er ontstonden binnen de VU grote moeilijkheden rond de wijsbegeerte der wetsidee. Vooral prof. H.H. Kuyper kwam op voor wat hij zag als de geestelijke erfenis van zijn vader. Hij meende dat Vollenhoven en Dooyeweerd die tekort deden. Schilder, van zijn kant, verzette zich in De Reformatie tegen alle ketterjagerij en name het op voor zijn aangevochten collega’s in Amsterdam. Nu laaide ook in de pers de strijd op, en te midden van al dat rumoer kwam in 1936 in Amsterdam de generale synode van de Gereformeerde Kerken bijeen. Daar hield H.H. Kuyper een toespraak waarbij hij de situatie in de kerken donker afschilderde. Hij deed dit bij de behandeling van een voorstel om alle in die tijd omstreden punten kerkelijk in behandeling te nemen en daar uitspraken over te doen. Kuyper verklaarde dat de situatie erger was dan in 1926 (de synode van Assen), toen het schriftgezag werd aangerand. Hij sprak van baardeloze knapen en de pers meldde: ‘Onder diepe stilte volgde de synode dit betoog’ (De Reformatie, 16e jrg., p. 433).

Gevolg: hoewel uit de kerken er niet om gevraagd werd, benoemde de synode op eigen gezag een deputaatschap (commissie van deskundigen) om op een volgende synode over de onderhavige kwesties te rapporteren. In de commissie werden ook Schilder, Greijdanus en Vollenhoven benoemd, naast felle tegenstanders als prof. Hepp en prof. Aalders.

 

Het onweer is losgebarsten
Het besluit van de synode van Amsterdam (1936) deputaten voor de leerkwesties te benoemen, werd voor de kerken fataal. Niemand had erom gevraagd. Uit de kerken was geen verzoek tot onderzoek van ‘gangbare meningen’ op tafel gelegd. Toch werden door dit besluit kerkleden in het hoekje van de verdachten gezet. Ik bespaar u het verhaal over de lotgevallen van dit deputaatschap. Het was op de volgende synode, die van Sneek-Utrecht, nog niet gereed met zijn rapporten. Het sleepte zich tot 1942 voort. Intussen deed zich de druk van de oorlog gevoelen. Er ontstond in de synode een stroming die de zaak tot na de oorlog wilde uitstellen. Prof. Schilder kon bovendien niet deelnemen aan het werk van het deputaatschap en van de synode, omdat hij had moeten onderduiken. Was het niet veel verstandiger de zaak uit te stellen? Op woensdag 27 mei 1942 besloot de synode met 27 tegen 23 stemmen de behandeling van de leergeschillen voort te zetten: een diep te betreuren beslissing.

Zo kwam het op maandagavond 8 juni 1942 tot het vaststellen van een aantal leeruitspraken, waarvan die over het genadeverbond het belangrijkste is. Daarin verklaarde de synode onder meer dat ‘het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods is te houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt’. Deze uitspraak was niet nieuw. De synode van Utrecht die in 1905 een einde maakte aan de twisten tussen de voormalige afgescheidenen (A) en de dolerenden (B), had deze uitspraak reeds eerder gedaan, niet als bindende leeruitspraak, veel meer als pacificatie-formule (vredestichtende formule). Nu werden predikanten, hoogleraren en kandidaten tot de heilige dienst eraan gebonden.

 

De Vrijmaking onafwendbaar
Als wij nu achterom kijken en ons rekenschap geven van die hectische jaren, springen er twee punten uit die voor de verdediging van het goed recht van de Vrijmaking uiterst belangrijk zijn.

In de eerste plaats: aan de kerken was opgedrongen dat er leringen zouden zijn die kerkelijk onderzocht en getoetst moesten worden. Niemand in de kerken had daarom gevraagd. Vervolgens: in 1942 werd een leeruitspraak gedaan, waar evenmin om gevraagd was, maar die wel verstrekkend was. Wanneer je de kinderen van de gelovigen moet houden voor wedergeboren, heeft dat vérgaande consequenties voor de leer aangaande de doop, de prediking en de pastorale bearbeiding. Het gaat hier om uiterst belangrijke zaken: kandidaten moesten op classicale examens hun instemming met deze leerformule betuigen. Alle ambtsdragers waren eraan gebonden. Voor alle kerkleden werd de vraag dringend: hoe moet ik nu mijn kinderen zien? Als reeds wedergeboren kinderen, of als kinderen van het verbond aan wie de belofte toekomt en die geroepen worden van hun kant die belofte gelovig aan te nemen?

 

Een weg gewezen
In die moeilijke kerkelijke situatie wees prof. Schilder een weg: die van artikel 31 van de Kerkorde. Daar staat nl. dat kerkelijke besluiten die met meerderheid van stemmen genomen zijn, voor vast en bondig zullen worden gehouden, tenzij men bewijzen kan, dat zij strijden met Gods Woord of met de Kerkorde.

Er zijn natuurlijk allerlei interessante details in de vrijmakingsgeschiedenis Maar hier ligt het kardinale punt. Kerkleden hebben het recht kerkelijke besluiten niet voor vast en bondig te houden. Alléén: zij moeten dan wel het bewijs daarvan leveren op de meerdere kerkelijke vergaderingen. En dat deed Schilder. Hij hield de leeruitspraak van 1942 niet voor vast en bondig, omdat ze naar zijn oordeel ‘innerlijk tegenstrijdig en deels onjuist was’. En natuurlijk: ieder die met dat oordeel van Schilder instemde, stond nu voor de vraag: wat te doen? Er zat maar één ding op: men moet zich van die besluiten vrijmaken.

 

Een begaanbare weg
Zo werd het jaar 1944 een schokkend jaar in de vaderlandse kerkgeschiedenis. Het blijft voor wie dat jaar beleefden, onvergetelijk. Het werd een hevige worsteling. Aan de ene kant zette de synode haar besluiten met alle kracht door. Wij, als bezwaarden, kwamen er met alle kracht tegen in verzet. Er gingen vlugschriften van hand tot hand. Toen prof. Schilder eenmaal de weg van artikel 31 had gewezen, bleek dat ook een begaanbare weg. Tegen 11 augustus 1944 werd een landelijke vergadering bijeen geroepen in Den Haag. Daar las Schilder de door hem opgestelde Acte van Vrijmaking of Wederkeer (let op dat woordje of) voor, waarin een krachtig beroep op artikel 31 KO wordt gedaan. De Acte riep allen die de synodebesluiten verwierpen, op zich met een beroep op artikel 31 te melden bij hun kerkenraad en die eveneens tot vrijmaking op te roepen.

 

Waarom niet Christelijk Gereformeerd?
Bij de Vereniging in 1892 deden enkele predikanten en kerkleden niet mee. Zij zetten naar hun overtuiging de oude kerk van de Afscheiding voort. Vandaar hun naam: Christelijk Gereformeerde Kerk (later: Kerken) in Nederland.

Prof. Schilder heeft vóór de Vrijmaking nogal eens met hun woordvoerders gepolemiseerd. Hij sprak zelfs niet van prof. Van der Schuit, maar van docent Van der Schuit!

De vraag is meermalen gesteld: waarom voegden de ‘bezwaarden’ zich in 1944 niet bij de Christelijke Gereformeerde Kerk? Dat was toch een ware kerk van Christus? Ik heb zelf in tegenwoordigheid van mijn vrouw ten mijnen huize in Groningen die vraag persoonlijk aan KS (prof. Schilder) gesteld. Prof. Schilder antwoordde: ik heb ernstig overwogen met pak en zak mij bij de Christelijk Gereformeerde Kerk te voegen. Maar er moest een ‘vergaarbak’ (letterlijk zo door KS gezegd) voor de verstrooide schapen zijn. Hij wilde daarmee aanduiden dat hij vreesde, dat veel bezwaarden door persoonlijke overgangen verstrooid zouden raken.

Ik voeg daar nog aan toe dat onzerzijds vanaf de eerste synoden pogingen in het werk zijn gesteld in nader contact met de Christelijke Gereformeerden te komen.

 

Het goed recht van de Vrijmaking
Er is sinds 1944 veel gebeurd in kerkelijk Nederland. Er is ook in onze vrijmaakte kerken veel in beweging. Maar één ding staat vast: wij behoeven ons in Nederland voor onze daad van Vrijmaking niet te schamen. Wij verzetten ons daarmee tegen een ons opgedrongen leer aangaande de doop en tegen een kerkrecht, dat strijdig was met artikel 31 KO. Je moest beginnen met kerkelijke besluiten voor vast en bondig te houden en dán pas kon je je bezwaren kenbaar maken, zeiden de synodale woordvoerders. Néé, zeiden wij, als iets naar jouw oordeel strijdt met het Woord van God, dan mag je het geen ogenblik voor vast en bondig houden. Het gaat in de kerk niet om overstemming, maar om overeenstemming.

In de halve eeuw die volgde, is zeker niet alles rimpelloos verlopen. God werkt in de kerkgeschiedenis ook door middel van mensen met zwakheden en gebreken. Dat bleek bij herhaling. Dat doet niets af aan het goed recht van de Vrijmaking. Het goed recht van de Vrijmaking is in 2019 nog hetzelfde als in 1944. We hoeven heus niet beteuterd aan de kant te staan.

 

[1] Eerder verschenen in het blad ‘Wegwijs’, jaargang 48, nr. 9 (sep. 1994).




Het fundament van belijdenis en kerkorde (een boekrecensie)

Door: M.R. Vermeer

 

‘We mogen de belijdenis niet bóven de Schrift stellen.’ ‘De kerkorde bevat menselijke afspraken, die niet rechtstreeks op de Schrift zijn gebaseerd.’ We hebben allemaal weleens dergelijke uitspraken gehoord. Uitspraken die een kern van waarheid bevatten. Toch, wanneer dit zo wordt gezegd, voel je soms aan… is hiermee wel álles gezegd? Wordt hiermee wel écht recht gedaan aan de belijdenis en de kerkorde?

Het is daarom goed om stil te staan bij een boekje waarin wordt gewezen op het levensbelang van de gereformeerde belijdenis. Dit is het boekje ‘Het historisch fundament’ door J.F .Munneke, tweedehands nog goed verkrijgbaar en in duidelijke taal geschreven.[1] We willen de inhoud van dit boekje eens kort langsgaan.

 

De belijdenis, een historisch fundament
Wat is dat nu eigenlijk, het ‘fundament’ van de kerk? Een belangrijke vraag. We herinneren ons dat nog kort geleden in De Gereformeerde Kerken (DGK), tijdens de synode van Groningen (2014-2015), deze zaak naar voren is gekomen. Door sommige afgevaardigden is geageerd tegen de gedachte dat de belijdenis en de kerkorde tot het fundament van de kerk zouden behoren. Het ‘fundament’ van de kerk? Dat is toch alleen het fundament ‘van apostelen en profeten’ (Ef. 2:20)?

Wat is hiermee toch een onjuiste voorstelling gegeven! Tijdens de synode destijds waren er dan ook afgevaardigden die zich hiertegen (nog) durfden verweren. Het fundament van de kerk, dat is inderdaad Jezus Christus. Jezus Christus zoals Hij is geopenbaard in Zijn Woord, zoals dat is verkondigd door apostelen en profeten. Maar dit Woord dient ook uitgedragen te worden. Zo is de kerk een ‘publicatiezuil’ van de waarheid (1 Tim. 3:15). De kerk spreekt daarbij de Schrift na, als een ‘amen’ op het Woord. De belijdenis van de kerk is dus een naspreken van Gods Woord, met mond én hart.

In het onderhavige boekje wordt duidelijk op dit alles gewezen. De belijdenis wordt hier als nagesproken Woord terecht gerekend tot het fundament van de kerk. Een historisch fundament.

Een historisch fundament wat een eenheid vormt, en waaraan we dan ook niet moeten ‘knutselen’, door er een eigen interpretatie aan te geven, of door een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken binnen de belijdenis. Wat dit laatste betreft had de auteur nog kunnen wijzen op een beeld van K. Schilder: een cirkel heeft een middelpunt (een kern) en een omtrek, maar de ‘kern’ kan er alleen maar zijn, doordat er een omtrek is. Laten er ‘bijzaken’ zijn, ze behoren toch helemaal bij de cirkel en vallen er niet buiten!

Duidelijk wordt in dit boekje ook de wérkelijke katholiciteit van de belijdenis aangewezen: de leer van de kerk is algemeen, spreekt een ieder aan, alle eeuwen door.

 

Oók de kerkorde
Maar hoe zit het dan met de ‘kerkorde’? Goed, laat de belijdenis de Schrift naspreken, de kerkorde bevat toch overduidelijk allerlei menselijke afspraken? Zijn niet, om een voorbeeld te noemen, in DGK (hersteld) na 2003 de afspraken met betrekking tot een Particuliere Synode geschrapt, omdat er te weinig ‘mankracht’ was?

En wat moet je dan met art. 3 van de Kerkorde over de ‘wettige roeping’ van ambtsdragers wanneer er geen of weinig predikanten of leespreken zijn? Dan maar bijvoorbeeld recente leespreken van hedendaagse predikanten uit de GKv of CGK die wel ‘goed’ zijn? Een praktijk die voorkomt in bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN).

De auteur wijst in dit boekje op het grote belang óók van de kerkorde. De kerkorde is de praktische uitwerking van de belijdenis. Zonder een kerkorde hangt de belijdenis als het ware in de lucht! De kerk is niet een groep losse personen, maar een organisatie met afspraken. Afspraken die gegrond zijn in de belijdenis als nagesproken Woord van God.

Uiteraard – de auteur wijst daar ook op – bevat de Kerkorde afspraken met een verschillend ‘soortelijk gewicht’. Zo is bijvoorbeeld de afspraak dat minstens iedere drie maanden een classisvergadering moet plaatsvinden (art. 41 KO) andersoortig dan de bepaling dat een ambt niet zonder wettige roeping mag worden bekleed (art. 3 KO). Het geeft eens te meer aan hoe zorgvuldig met de Kerkorde als historisch fundament moet worden omgegaan. De paragraaf waarin over de betekenis van de Kerkorde wordt gesproken (par. 5.7) had wat mij betreft ook in het eerste hoofdstuk mogen staan, waarin vooral de plaats van de belijdenis wordt behandeld.

 

Een rijke historie
Uitvoerig wordt in dit boekje stilgestaan bij de geschiedenis waarin dit historisch fundament (wat de Drie Formulieren betreft) is gelegd. De levensgeschiedenis van Guido de Brès wordt nagegaan, ook hoe zijn blijven staan op dit fundament heeft geleid tot zijn martelaarschap. Het ontstaan en de betekenis van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Kerkorde worden behandeld. Lees een aantal hoofdstukken maar eens rustig door als u tijd hebt.

Het blijft altijd weer opvallend (maar toch ook weer niet verrassend, zie bijv. Gal. 1:6), dat vaak zo kort nadat het fundament is verstevigd, toch de sloophamers weer tevoorschijn komen. Dit gebeurde bijvoorbeeld rond 1618/19, tijdens de Remonstrantse twisten. Wat is er toen gevochten om het behoud van de kerk, om het aloude geloof. In dit boekje wordt een duidelijk licht geworpen op de historische gebeurtenissen rond de Synode van Dordrecht.

Ook wordt erop gewezen dat later, in de 19e eeuw door de Afscheiding en in de 20e eeuw door de Vrijmaking, gehandeld moest worden overeenkomstig de ‘belofte van Dordt’. Overeenkomstig de belofte om in de belijdenis van het geloof standvastig te volharden. Ook toen is er al spoedig weer verzet gekomen tegen de Schriftuurlijke leer, bijvoorbeeld door de ‘Open Brief’ van 1967. Ook toen mochten de kerken bewaard blijven bij het Woord.

 

Een waarschuwing
Zo gaat van het lezen over de kerkgeschiedenis voor ons een rijke troost uit: de Here zal blijven zorgen voor Zijn kerk. Ook een waarschuwing: we mogen dit nooit als een vanzelfsprekendheid beschouwen. Wat is er in de geschiedenis van Gods kerk niet gestreden om het behoud van de kerk, laten ook wij zo ‘werkzaam’ zijn.

In het slothoofdstuk van dit boekje (de 2e druk is van 1985) wordt erop gewezen dat wolken zich samenpakken boven de kerk: “Er is zwaar weer op tilt. Zal de kleine kerk staande kunnen blijven als de storm aangroeit tot orkaankracht?”  Gewezen wordt op een nieuw levensgevoel waarin de ervarende mens centraal staat. “God is een ervaring in het horizontale vlak. Je hebt een verrassende ontmoeting of een goed gesprek, je ontvangt onverwacht hulp van je buren: dat is de werking van Gods Geest. Je beleeft iets wat extra fijn is of diep schokt. Daarin heb je God. Jouw ervaring is Zijn openbaring.”

Wij die nu leven, maken deze tijd nu mee, een tijd waarin de ‘ervarende mens’ centraal staat. We maken ook mee dat de kerk met kleine kracht mag overwinnen in deze strijd. Wanneer we zo mogen blijven staan op het historisch fundament, zullen we het óók meemaken te mogen staan op het Schriftuurlijk fundament van het Nieuwe Jeruzalem, het fundament van de  apostelen en het Lam (Openb. 21:14).

 

[1] Zie www.boekwinkeltjes.nl.




Het concilie van Nicea

Vandaag deel 4 uit de serie ‘kerkgeschiedenis voor de jeugd’.


Door: E.T. Smith-Teunis

 

Concilie van Nicea
Er vindt nog een belangrijke gebeurtenis voor de kerk plaats tijdens het leven van Constantijn.

Alexandrië ligt in Egypte. Daar woont ouderling Arius. Hij zegt dat Jezus een mens is en geen God. Bisschop Alexander begrijpt hoe gevaarlijk deze leer is, want als Jezus geen God is, wie moet ons dan verlossen van de zonde? Er zou geen enkel mens zalig kunnen worden! Juist doordat Christus God èn mens is, kon Hij de schuld van de zonde betalen.

Arius krijgt veel aanhang. Eerst alleen in Alexandrië, maar later in heel het oosten van het Romeinse Rijk. De kerk wordt verdeeld. De strijd voor of tegen de leer van Arius wordt zelfs zo erg dat het ook Constantijns aandacht trekt. Constantijn wil vrede in zijn rijk en in de kerk. Hij probeert de ruzie eerst te sussen, maar merkt al snel dat het niet om een gewone ruzie gaat. Daarom roept hij in het jaar 325 een concilie in Nicea bijeen. Een concilie is een kerkelijke vergadering. Wij zouden zeggen, een synode.

Op het concilie van Nicea komen zo’n 600 mensen, waarvan ruim 300 bisschoppen. Bisschop Alexander neemt  diaken Athanasius mee die veel van de Bijbel weet.

Gelukkig besluit het concilie dat de leer van Arius in strijd is met de bijbel. De kerk houdt vast aan het geloof dat Jezus ook God is.

Het concilie van Nicea schrijft een verklaring. Deze verklaring moeten alle bisschoppen ondertekenen. Omdat Arius dat niet doet wordt hij verbannen. Al zijn boeken worden verbrand en wie ze toch verkoopt of verspreid zal gedood worden.

Toch is de strijd nog niet afgelopen. Alles op alles wordt gezet om Athanasius door leugens bij de keizer verdacht te maken. Dat lukt, want Arius mag terugkomen en weer preken. Nu wordt Athanasius verbannen. Het lijkt nu of Arius toch gewonnen heeft. Maar de Here is koning van Zijn kerk. Op de dag dat Arius voor het eerst weer zal preken sterft hij plotseling.

Belijdenissen voor de kerk van de Here
Door deze kerkstrijd hebben we twee mooie belijdenisgeschriften. De geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius. Zoek ze maar eens op achter in je bijbel. Als je ze leest dan zie je waar de strijd tussen Athanasius en Arius over ging.

De Here heeft Constantijn willen gebruiken om Zijn kerk ruimte te geven. Het Romeinse Rijk is niet langer een rijk, waar de christenen moeten vrezen voor hun leven. Het is een christelijk rijk geworden. Keizer Constantijn is de eerste christelijke keizer.

Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God, Lucas 18:27.