De Westminster Standards – voluit gereformeerd? (4)

Door: M.R. Vermeer

 

In het voorgaande artikel werd stilgestaan bij de Vrijmaking van 1944. In dit artikel wordt besproken wat de Westminster Standards zeggen over de twee hoofdonderwerpen van deze kerkstrijd, verbond en kerkrecht. Er zou overigens meer te zeggen zijn over de leer van de Westminster Standards met betrekking tot leergeschillen in deze tijd (zie voetnoot voor enige informatie), maar voor nu beperken we ons tot deze twee kernpunten.[1]

 

Verbond en verkiezing
De Westminster Confessie 7.3 spreekt over Gods verbond met de mens, waarbij een (discutabel) onderscheid wordt gemaakt tussen het zogenaamde werkverbond (vóór de val van Adam) en het genadeverbond (na de val van Adam).[2] Over het genadeverbond wordt gezegd:

“Jezus Christus biedt daarin uit vrije genade het leven en de zaligheid aan zondaren aan. Om zalig te worden vraagt Hij van hen geloof in Christus en belooft Hij Zijn Heilige Geest te geven aan allen die zijn uitverkoren ten leven, om hen gewillig te maken en in staat te stellen te geloven.”

Met veel in deze passage kan worden ingestemd, maar toch is opvallend dat de Heilige Geest wordt beloofd aan de uitverkorenen (zie cursief gedrukte gedeelten). De belofte van de Heilige Geest is toch gegeven aan alle gedoopte kinderen: “de Heilige Geest verzekert ons door dit sacrament ervan, dat Hij in ons wonen wil en ons tot levende leden van Christus wil maken” (doopformulier)? Het lijkt er op dat de Westminster Confessie uitgaat van een onvoorwaardelijke belofte (haast een voorzegging), in plaats van een voorwaardelijke belofte (een toezegging), die wordt vervuld in de weg van geloof en bekering.

De Grote Catechismus v&a 31 geeft als antwoord op de vraag ‘met wie het genadeverbond is opgericht’:

“Het verbond van genade werd met Christus als de tweede Adam opgericht en in Hem met al de uitverkorenen als Zijn nageslacht.” [3]

Het verbond van genade is dus (volgens de Grote Catechismus) niet gesloten met de gelovigen en hun zaad, maar met Christus als Verbondshoofd, en in Hem met de uitverkorenen.[4] Met andere woorden: de verkiezing beheerst het genadeverbond! Dit is terecht ingezien door de Hervormde prof. C. Graafland, die over de verbondsleer van de Grote Catechismus opmerkt: “Het geloof heeft zijn plaats moeten afstaan aan de verkiezing. Verbond en verkiezing naderen elkaar hier heel dicht.”[5]

Terzijde: door prof. Graafland is een diepgravende boekenserie over de ontwikkeling van de gereformeerde verbondsleer geschreven. Aan het einde van deze serie merkt hij op, dat door veel theologen in de gereformeerde traditie de verbondsleer uiteindelijk is overkoepeld door de verkiezingsleer. Bijna de enige positieve uitzondering hierop wordt echter gevormd door K. Schilder, die ‘aan verbond en verkiezing beide hun eigen bijbels gewicht heeft toegekend’.[6] Dit is eigenlijk beschamend om te lezen! Wat is er niet in kerken die ontstaan zijn via de Vrijmaking van 1944 een relativering van het eigen verleden, ook waar het de Schriftuurlijke leer van het verbond betreft. Een buitenstaander ziet soms beter onze rijkdom!

 

Een uitwendig verbond

Onderliggend aan de verbondsleer van de Westminster Standards is een nauwe betrekking tussen het zogenaamde ‘verbond der verlossing’ (pactum salutis) en het ‘genadeverbond’ (foedus gratiae). Het verbond der verlossing is (aldus sommige theologen) het in de eeuwigheid gesloten verbond tussen de Personen van de Drie-eenheid, waarmee de uitverkorenen zijn gegeven aan de Zoon als aangewezen Verlosser. Dit verbond der verlossing en het genadeverbond worden soms zelfs vereenzelvigd, zoals in een uitleg van de Westminster Standards wordt opgemerkt:

“Onze Standards zeggen niets over twee verbonden. Zij noemen niet het verbond van verlossing als onderscheiden van het genadeverbond. Het is duidelijk dat de verschillende passages die dit onderwerp behandelen (Westminster Confessie 7.3; Grote Catechismus v&a 31; Kleine Catechismus v&a 20) ervan uitgaan dat er slechts één verbond is gesloten door Christus in de eeuwigheid ten gunste van de uitverkorenen, hetwelk door Hem bediend wordt aan de uitverkorenen in het aanbod en inzettingen van het evangelie en de genadige invloeden van Zijn Geest. De Grote Catechismus verwijst er op de aangewezen plaats naar, hoe het genadeverbond werd gesloten met Christus voor zijn volk. De Confessie verwijst er in dit gedeelte naar hoe datzelfde verbond wordt bediend door Christus aan Zijn volk.”[7]

Deze vereenzelviging van verbond der verlossing en genadeverbond leidt vaak tot een onderscheid tussen ‘wezen’ en ‘bediening’ van het verbond, waarbij het ‘wezen’ de uitverkorenen betreft en de ‘bediening’ een bredere kring raakt. Is dit nu werkelijk zo anders dan de leer van Kuyper en zijn nazaten (zie het voorgaande artikel), die een ‘uitwendig verbond’ voor de niet-uitverkorenen overhielden?

We herkennen hierin ook de leer van ds. G.H. Kersten en de Gereformeerde Gemeenten, die in 1931 uitspraken: “dat het wezen van het verbond daarom alleen geldt de uitverkorenen van God (…) Dat aard en wezen van het Verbond der Verlossing en het Verbond der Genade één zijn en niet twee. In wezen is het één verbond.”[8] Kuyper en Kersten, bij alle verschil in uitwerking (‘veronderstelde wedergeboorte’ versus ‘veronderstelde niet-wedergeboorte’) maakten beiden dezelfde fout, namelijk dat zij dachten vanuit de eeuwigheid, vanuit Gods verborgen wil, in plaats vanuit Zijn geopenbaarde wil.

Hoe anders is de Schriftuurlijke verbondsleer waaraan in de Vrijmaking van 1944 is vastgehouden: het verbond is gesloten met de gelovigen en hun zaad (Gen. 17:7, Gal. 3:14,29) en aan ál de verbondskinderen komt de heilsbelofte toe (Hand. 2:39). Wat een rijkdom!

 

Synodaal kerkrecht
Ook voor een ander kernpunt van de Vrijmaking van 1944, het synodale kerkrecht, werd een beroep gedaan op de Westminster Standards.

De Westminster Confessie 31.3 belijdt het volgende over het gezag van meerdere vergaderingen:

“Het behoort tot de taak van synoden en concilies om in twistpunten inzake het geloof en gewetenszaken ambtelijke beslissingen te nemen. (…) Zolang deze besluiten en bepalingen in overeenstemming zijn met het Woord van God, dienen ze met eerbied en onderdanigheid te worden ontvangen. Dit moet niet alleen gebeuren op grond van het feit dat ze overeenstemmen met het Woord, maar ook op grond van de bevoegdheid waarmee deze beslissingen genomen zijn, als een inzetting van God, die in Zijn Woord is voorgeschreven.

Is het echter juist dat een synode ambtelijke beslissingen neemt? Het gereformeerde kerkrecht gaat uit van kerkelijke vergaderingen van afgevaardigden, met een gedelegeerd, afgeleid gezag (en geen ambtelijk gezag).

Vanuit de gedachte dat er sprake is van een ambtelijk gezag zegt dit artikel ook dat synodebesluiten mede dáárom gehoorzaamd moeten worden. Door prof. S. Greijdanus is hierover terecht opgemerkt:

“Mensen hebben uit zichzelf geen gezag, ook niet al zijn ze in groot getal samenvergaderd en eenstemmig. (…) De Westminster Assembly had het in dezen geheel mis (…) Het komt bij alle kerkelijke, ook synodale, besluiten aan op het: het heeft de Heilige Geest goedgedacht. En dat is alleen te weten, wanneer die besluiten in overeenstemming zijn met Gods Woord, de Heilige Schrift. Anders hebben wij generlei wettig, Goddelijk gezag.”[9]

Volgens het gereformeerd kerkrecht is het onjuist wanneer een meerdere vergadering ‘ingrijpt’ (tucht uitoefent, etc.) in een plaatselijke kerk, zelfs al zou deze ‘ingreep’ inhoudelijk overeenstemmen met Gods Woord (zie het voorgaande artikel inzake ds. Geelkerken). Een meerdere vergadering heeft immers geen ambtelijk gezag en hoeft niet gehoorzaamd te worden op grond van een zekere ‘bevoegdheid’, zoals de Westminster Confessie beweert.

 

Geen gemeenschappelijke grondslag
Deze afwijkingen (‘divergenties’) met onze belijdenis geven aan dat contactoefening met presbyteriaanse kerken zeer zorgvuldig moet worden overwogen.

Dit is kort na de Vrijmaking van 1944 door de Gereformeerde Kerken ingezien, toen deelname aan de Gereformeerde Oecumenische Synode werd afgewezen, omdat: “de grondslag die voor deze oecumenische synodenen gesteld is wegens tegenstrijdigheden in de opgesomde belijdenisgeschriften, de onze niet kan zijn.”[10]

In het voorbereidende commissierapport (met als lid prof. K. Schilder) werd gesteld:

“De Westminster Confessie spreekt anders over het verbond en over de regering van de kerk dan onze Nederlandse belijdenisgeschriften. Ook die regering van de kerk is een deel van onze op Gods Woord gegronde belijdenis. Door deze afwijking van elkaar in de belijdenisgeschriften is het hebben van een gemeenschappelijke grondslag al illusoir” (cursivering MV).[11]

Ook is dit ingezien door de kerkenraad van Rotterdam-Centrum, toen deze in 1952 op verzoek advies gaf aan voormalige leden die naar Australië waren geëmigreerd:

“De kerkenraad is daarom van mening, dat kerkinstituering op de grondslag van de Westminster Confessie voor een rechtgeaard gereformeerd mens niet mogelijk is. Geen wonder dat ds. Schep (een voorheen ‘synodale’ predikant in Australië die hen anders adviseerde, MV) wel kans ziet met zijn interpretatie van de Kerkorde, het kerkelijk leven te regeren in overeenstemming met de Westminster Confessie. Hij leest onze Kerkorde, om zo te zeggen, met Westminster bril. Wanneer zo het kerkelijk leven moet worden gebouwd heeft u ‘in no time’ het synodale juk, waaronder niet alleen u maar de komende generaties hun nek hebben te krommen. En nu zwijgt de kerkenraad nog maar over de verbondsbeschouwing van de Westminster Confessie. U zult goed doen u in Tasmanië alleen te houden aan de drie Formulieren van Enigheid en aan de KO” (cursivering MV).[12]

Een duidelijk advies van deze kerkenraad – en een waarschuwing voor ons om voorzichtig te zijn in contactoefening met presbyteriaanse kerken!

In het volgende artikel tot slot nog kort de vraag: hoe kan het, dat in de jaren ’60 de Gereformeerde Kerken wel een relatie zijn aangegaan met een presbyteriaanse kerk?

 

[1] We beperken ons hier tot deze twee kernpunten uit de kerkstrijd van de jaren ’40. Ook voor andere strijdpunten uit deze jaren is soms een beroep gedaan op de Westminster Standards:

a). De leer van de onsterfelijkheid van de ziel. Met name door A. Janse (1890-1960) is aandacht gevraagd voor de eenheid van de mens als ‘levende ziel’, tegenover een lichaam/ziel dualisme. De mens is niet als zodanig onsterfelijk, maar door Gods ingrijpen bestaat de mens na dit leven voort. Ook K. Schilder wijst er in zijn catechismusverklaring op dat de menselijke ziel wel gedood kan worden, maar dat de belijdenis in navolging van de Schrift spreekt van onsterfelijk worden (NGB art. 37) [zie K. Schilder, Heidelbergse Catechismus, deel III (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1950), pp. 69-79]. Dit strijdpunt lijkt voor ons wellicht haarkloverij, maar we moeten hierbij niet vergeten dat onderliggend een strijd is tegen het mysticisme.

Door de synodale hoogleraar V. Hepp is een beroep gedaan op de Westminster Standards, die belijden (zie Westminster Confessie 4.2 en 32.1) dat de mensen “redelijke en onsterfelijke zielen” hebben [V. Hepp, Dreigende deformatie, deel II (Kampen: Kok, 1937), p 41].

Deze leer van de ‘onsterfelijkheid van de ziel’ noemde prof. dr. L. Doekes één van de ‘divergenties’ tussen de Westminster Confessie en de Drie Formulieren “die het ons onmogelijk maken deze Confessie integraal te aanvaarden en te onderschrijven” en “van een onsterfelijke ziel weet de Schrift niet” [L. Doekes, ‘De Westminster Confessie’, Almanak FQI (Kampen: 1970), pp. 187-188].

b). De leer van de onzichtbare kerk en de pluriformiteit van de kerk, waarvoor een beroep is gedaan op de Westminster Confessie 25.1-5. We hopen hierbij in de toekomst afzonderlijk stil te staan. Over de Westminster Confessie merkte K. Schilder zijdelings op: “lang niet gereformeerd inzake de kerkleer”! [K. Schilder, De Kerk, deel 3 (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1965), p. 365].

[2] Mijn moeite met de term werkverbond is hierin gelegen, dat de gedachte kan opkomen dat Adam in het paradijs de zaligheid moest ‘verdienen’. Het is daarom beter te spreken over een gunstverbond: “Om iedere verkeerde voorstelling te voorkomen en om de heerlijkheid van de verbondsverhouding tussen God en Adam te handhaven, is het daarom beter, enerzijds te spreken van het verbond van Gods gunst en anderzijds van het verbond van Gods genade. In het eerste verbond zou de mensheid Gods niet verplichte, ook door Adam niet verdiende, gunst ontvangen, in het tweede verbond geniet de nieuwe mensheid de door Christus verworven, eens verbeurde gunst of genade. Genade is immers verbeurde gunst” [S.G. de Graaf, Het ware geloof (Kampen: Kok, 1954), p. 49]. Door theologen zoals K. Schilder is de aanduiding ‘werkverbond’ dan ook wel tussen aanhalingstekens geplaatst.

Ook wordt vaak de tegenstelling werkverbond/genadeverbond verbonden aan een andere tegenstelling, namelijk wet/evangelie. Wet en evangelie worden dan voorgesteld als twee tegengestelde beginselen of principes om de zaligheid te beërven, waarbij de wet tot het werkverbond behoort en het evangelie tot het genadeverbond. Dit heeft belangrijke consequenties voor de praktijk van het geloofsleven, omdat het leidt tot veronachtzaming van de Schriftuurlijke waarheid dat de zaligheid is in een weg van geloofsgehoorzaamheid: het geloof zonder werken is dood! (Jak. 2:26).

[3] De Kleine Catechismus zegt in v&a 20: “God heeft, van alle eeuwigheid, uit louter welbehagen sommigen tot het eeuwige leven uitverkoren. Hij heeft een verbond van genade met hen gesloten om uit de staat van zonde en ellende te bevrijden, en hen door middel van een Verlosser in een staat van zaligheid te brengen”. Dit antwoord laat zelfs Christus als Verbondshoofd weg; de meest korte typering van het genadeverbond is blijkbaar dat het met de uitverkorenen is gesloten!

[4] Ds. G. van Rongen biedt een andere vertaling van dit antwoord, namelijk “uitverkorenen van zijn zaad” in plaats van “als zijn zaad”. Dit kan de gedachte oproepen dat het ‘zaad van Christus’ breder is dan de uitverkorenen (bijv. de gelovigen en hun zaad zijn in Christus geheiligd en daarmee in zekere zin ‘zaad van Christus’) en dat in de Grote Catechismus wordt uitgegaan van het deel van het zaad (nl. de uitverkorenen) waarin de beloften worden gerealiseerd. Door C. Graafland is over deze en een andere vertaalfout opgemerkt: “De twee foutieve vertalingen geven wel te denken, omdat zij een vertaling in de hand werken die in de theologische context van de vertaler (Vrijgemaakt Gereformeerd) wel past!” [C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie: oorsprong en ontwikkeling van de leer van het verbond in het Gereformeerd Protestantisme, deel 4 (Zoetermeer: Boekencentrum, 1994), p. 270].

[5] Graafland, op cit., p. 268. Een andere onverdachte getuige, de Hervormde ds. K. Exalto, merkt naar aanleiding van de vertaling van de Westminster Confessie door de (vrijgemaakte!) ds. G. van Rongen op: “Nog erger vind ik echter dat in de Westminster Confessie de predestinatie het genadeverbond zo goed als geheel opgeslokt heeft. Dat geldt trouwens in nog veel sterker mate van de Westminster (Grote) Catechismus”, in De Waarheidsvriend (9 april 1987).

[6] C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie: oorsprong en ontwikkeling van de leer van het verbond in het Gereformeerd Protestantisme, deel 6 (Zoetermeer: Boekencentrum, 1994), p. 403]

[7] A.A. Hodge, A Commentary on the Confession of Faith – with questions for theological students and Bible classes (Philadelphia: Presbyterian Board of Publication and Sabbath-School Work, 1869), p. 175.

[8] Geciteerd via C. Harinck, De Schotse verbondsleer van Robbert Rollock tot Thomas Boston (Utrecht: De Banier, 1986), p. 208.

[9] S. Greijdanus, Schriftbeginselen van Kerkrecht inzake meerdere vergaderingen (Enschede: J. Boersma, 1945), pp. 38-39.

[10] Acta GS Amersfoort 1948, art. 75.

[11] Acta GS Amersfoort 1948, bijlage 19 (Acta, p. 120).

[12] Gepubliceerd in De Schaapskooi, Orgaan van De Gereformeerde Kerk Rotterdam-Centrum, jaargang 6, no. 18 (sep. 1952).




De zondeval (2, slot): Waarom gaf God de boom van kennis?

In dit tweede en laatste artikel van prof. Holwerda over Gen. 3 :22-24 wordt ingegaan op de betekenis van de ‘boom van het leven’. Wat wil het zeggen, dat na de zondeval de weg naar deze boom is afgesloten?

 


 

We kwamen in het voorafgaande tot een tweetal conclusies ten aanzien van “de boom van de kennis van goed en kwaad” . Mijns inziens (wilt u hierop letten, lezers; want over deze materie wordt in onze kringen nogal verschillend gedacht; de exegese, die ik hier geef, is dus slechts een voorslag, die ik in nadere overweging geef), – mijns inziens betekent deze naam: boom van het onderscheidingsvermogen tussen goed en kwaad in de ruimste zin van het woord; dus boom van praktisch levensinzicht; boom van levenswijsheid.

En het tweede, dat ik in overweging gaf, was dit: naar mijn oordeel was het proefgebod niet willekeurig, maar vloeide het voort uit het geheel eigen karakter van deze boom. Adam had een tweede weg, waarin hij deze praktische levenswijsheid ontvangen kon. Hij, die in het verbond met God leefde, was daarin geroepen tot een leven van kinderlijke afhankelijkheid en aanhankelijkheid aan zijn Vader. Dat betekende dus ook, dat hij zijn levensbeslissingen slechts nam in gelovige aanvaarding van de Woordopenbaring van zijn God en Vader. Wanneer hij dus van de boom at, zette hij daarmee de openbaring opzij, weigerde hij zijn weg te gaan in kinderlijk geloof. Daarom betekende het eten van deze boom als zodanig een breken van het verbond.

We moeten nu iets zeggen over het karakter van die ene vorm van straf, die blijkens Gen. 3:22-24 bestond in de afsluiting van de weg tot de boom van het leven.

 

De afsluiting van de weg tot de boom van het leven
Het spreekt wel vanzelf, dat deze verklaring samenhangt met wat in het voorafgaande werd uiteengezet, en daarom slechts gegeven wordt met het bovengenoemde voorbehoud. We willen slechts een poging doen, een bevredigende verklaring te geven van de moeilijkheden, die hier liggen.

De vraag is dus nu: welke betekenis heeft die boom van het leven?

De Schrift zelf zegt hier dit: ……en neme ook van de boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Het wil me voorkomen, dat dit moeilijk iets anders kan betekenen dan dit, dat het gebruik van de vrucht van deze boom de mens het eeuwige leven zou schenken. Ook andere plaatsen van de Schrift, waar deze boom wordt genoemd, schijnen mij in dezelfde richting te wijzen.

Omdat echter “eeuwig leven” een term is, die voor tweeërlei uitleg vatbaar is, moet ik wel enige nadere verklaring geven.

Wij verstaan meestal “eeuwig leven” in de zin van zalig leven, eeuwige vreugde; dát wat Gods kinderen na de jongste dag volkomen zullen bezitten in het rijk der glorie.

In die zin versta ik het hier niet.

Maar ieder van ons weet: de mens werd geschapen met een tijdelijk leven. Dat wil zeggen, met een leven vol mogelijkheden. De Gereformeerde dogmatiek heeft in navolging van Augustinus dan ook alle nadruk gelegd op de veranderlijkheid van Adams leven. Het was wel goed en mooi zonder enig gebrek; maar het had nog niet zijn uiteindelijke bestemming bereikt. Een kind is wel een compleet mens, maar het is nog niet volgroeid. Zo stond het mensenleven in het paradijs nog “in de kinderschoenen”: wel compleet, maar niet volgroeid.

En nu wilde God hem eenmaal brengen tot dat volgroeide leven, waarin geen verandering meer mogelijk is. Na de groeiperiode moest hij komen tot de rust van het volgroeide leven.

Nu versta ik de boom van het leven zo: deze boom zou de mens, wanneer hij daarvan at, brengen tot zijn eindbestemming. Deze vrucht zou hem in één sprong voeren tot het stadium van het volgroeide leven. Dat zou natuurlijk eeuwige vreugde betekenen, wanneer hij gehoorzaam bleef; maar evenzeer eeuwige dood betekenen in geval van overtreding.

“Eeuwig” heeft hier dus niet de positieve zin van “zalig”, maar de neutrale betekenis van “volgroeid”. (Mijn aandacht werd hierop gevestigd door een aantekening bij deze tekst in de bekende commentaar van Strack-Zöckler.)

Evenals bij de andere boom moeten we ook hier opmerken, dat we er ons geen voorstelling van kunnen vormen, op welke wijze dit effect aan deze vrucht verbonden was. We moeten ons zelfs van gissingen hier onthouden. Het enige, wat we kunnen zeggen, is dit: dat deze vrucht het leven zou brengen in een staat van volgroeid-zijn.

Van hieruit valt nu licht op de straf, die hier voltrokken wordt. God verdrijft de mens uit Eden, want hij moet niet meer de gelegenheid hebben te eten van de boom van het leven. Daarmee snijdt God hem dus de mogelijkheid af te komen tot de rust van het volgroeide leven. De Heere voltrekt die straf zo radicaal, dat Hij cherubs stelt tegen het oosten van de hof, en het vlammend lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde.

We moeten dat niet oppervlakkig maken tot: een engel met uitgetrokken zwaard. Cherubs zijn in de Bijbel altijd de troongeesten van God. Psalm 18 zegt zelfs, dat God op een cherub vaart. Ze verschijnen, waar Gód neerkomt. Als daar dus cherubs staan, wil dat zeggen, dat God zelf de weg verspert. Wie het paradijs wil naderen, moet God zelf passeren, en valt daarbij in Zijn zwaard, dat in rusteloze beweging is. Het is dus volkomen kansloos ooit het paradijs weer te bereiken.

En zo moet de mens dus voortaan leven en werken. Hij moet de aarde bebouwen, waaruit hij genomen is. Maar dat is heel wat anders dan vroeger, toen hij de hof kreeg te bebouwen. De hóf kon hij bebouwen in ongestoorde vreugde, en wanneer hij at van de levensboom, kon hij die vreugde maken tot een onvergankelijke, die hem nooit meer ontvallen kon. Maar nu moet hij de aarde bewerken ver van de boom van het leven zonder de mogelijkheid dus, de resultaten van zijn werk voor eeuwig vast te leggen, zonder de kans ook, daarvan blijvend te genieten. Hij begint een arbeidsleven van rusteloze beweging en gestadige verandering: álles wisselt. Wat hij vandaag bouwt, is morgen ineengestort, en overmorgen is er al weer iets anders. Zijn leven komt tot de rust niet meer; het vindt zijn bestemming niet meer.

Niemand kan ooit zeggen: nu ben ik, waar ik wezen moet. Want zodra hij het zegt, overrompelt hem de dood, en hij kan niets meenemen van alles, wat hij met zorg verzamelde (vgl. Ps. 39 en de gelijkenis van de rijke dwaas in Lucas 13). Niemand kan ooit zeggen: nu ben ik klaar; want als hij het zegt, stort alles wat hij bouwde ineen, en hij kan opnieuw beginnen. Hij arbeidt niet meer met het vooruitzicht zijn leven te vereeuwigen, zijn geluk te bestendigen, zijn toekomst vast te leggen voor eeuwig. Maar al zijn arbeid krijgt nu dat rusteloze. Hij werkt niet langer met het gezicht op de boom van het leven, in de wetenschap: tot de aarde, waaruit ik genomen ben, keer ik nimmer terug; maar hij arbeidt met gezicht naar de aarde, waaruit God hem eens nam, in het besef: vroeger of later keer ik daarheen terug.

Maar nu wil ik de nadruk erop leggen: het is de God van de moederbelofte, die deze straf voltrekt. Dat betekent altijd, dat de straf niet onvermengd is, omdat God in de toorn aan het ontfermen gedenkt. Dat tweeledige karakter van straf en genade vinden we ook hier. Boven is al duidelijk gemaakt, dat de vloek hier werkelijk zeer ernstig het leven trof. Maar tegelijk moeten we zeggen, dat God hier Zijn genade verheerlijkt.

Wat toch zou gebeurd zijn, als de mens na zijn val had gegeten van de boom van het leven? Er was dan geen verlossing meer mogelijk geweest. Zijn val was dan aanstonds geworden tot eeuwige verharding, en zijn vloek zou onherstelbaar zijn geweest. (Strack)

Maar nu sluit God de weg tot de boom van het leven af. Dat betekent enerzijds wel rusteloosheid, onzekerheid, vergankelijkheid, dood. Maar nu gaat toch de geschiedenis verder. Dat betekent: nu blijft er de mogelijkheid van verandering ten goede, mogelijkheid van verlossing en bekering. Als ze hadden gegeten van de boom van het leven, hun leven zou onmiddellijk volgroeid zijn geweest, en er had geen verlossing meer kunnen komen. Maar nu God de hof verspert, nu gaat de historie verder; nu baant God de weg voor de Christus, die de cherubs passeren zal en vallen in het vlammend zwaard van God, en die daardoor de toegang tot het paradijs weer opent voor allen, die in Hem geloven. Hij sterft; d.w.z. Hij kan niet ongehinderd passeren. Maar Hij werpt de weg tot de levensboom weer open, en verzekert dat aan de “moordenaar”: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” En als Hij in het paradijs is ingegaan, dringt Hij door tot het midden van Gods hof, waar de boom van het leven is, en eet van zijn vrucht. Daarom staat Hij op Pasen op uit de doden, en Hij zegt: Ik leef, en Ik ben dood geweest, en Ik leef tot in alle eeuwigheid.

Nu zien we in alle gebrokenheid van het leven op naar Hem. Want Hij verzekert ons: die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs Gods is (Openb. 2:7).

 

 




Oud en jong

Vandaag aflevering 28 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Wanneer wij in de krant de sterfgevallen lezen en ook in de ziekenrubriek de leeftijden van hen die door een of andere ziekte zijn aangetast, dan kan het ons niet ontgaan dat er zowel onder de gestorvenen als onder de zieken stokouden als zeer jonge kinderen zijn.

Och ja, als een oude man of vrouw door een ziekte wordt aangetast en er onder bezwijkt, dan zeggen we: hij was ook oud. Maar als er iemand in de bloei der jaren heengaat, een jonge vader of moeder, die menselijkerwijs niet konden worden gemist, een jongen of meisje misschien verloofd en hopend op een gelukkig huwelijk, een kind, dat misschien maar enkele jaren of maanden of nog korter geleefd heeft, dan staan wij wel eens tegen Gods daden aan te kijken en komt de vraag wel eens in het hart op: waarom doet de Heere dat zo. Een vraag, die onbeantwoord blijft, omdat de Heere ons geen rekenschap schuldig is.

Maar u weet wel, wat altijd onze troost is. Wij met onze kinderen zijn het eigendom van de Heere. Wij, die door het geloof aan de Heiland verbonden zijn, weten ons door Hem verlost, en weten ook dat onze kinderen, zo de Heere ons die gaf, kinderen zijn die Gods beloften hebben, dezelfde beloften als wij ook hebben. Ook hen heeft God in genade door Christus aangenomen.

Oud en jong. Allemaal Zijn eigendom.

Ik kan me voorstellen, als een vader of moeder ziek zijn en er zich rekenschap van geven, dat het mogelijk naar de dood toe gaat, dat de gedachte het hun wel eens moeilijk kan maken: hoe zal het gaan met mijn kinderen, wie zal er voor zorgen‘? Die gedachte kan het sterven wel eens zwaar maken.

Ja maar ook als vader of moeder er niet meer zijn of als misschien beide ontbreken, de Heere blijft. En Hij blijft Dezelfde en Hij blijft getrouw en Hij houdt Zijn Woord.

Het is opmerkelijk, als wij in de bijbel lezen, hoe vaak daar over de kinderen van de kerk gesproken wordt, en ons steeds op het hart wordt gebonden dat ook zij, om met de catechismus te spreken, in Gods Verbond en in Zijn gemeenten begrepen zijn en dat hun niet minder dan de volwassen de vergeving van de zonden en de Heilige Geest is toegezegd.

Ja, onze kinderen horen er bij. Als ze ziek zijn of moeten sterven of gestorven zijn, ze horen er bij. De Heere heeft Zich ook met hen bemoeid.

We lezen herhaaldelijk in de Schrift, dat, als de gemeente Gods wordt samengeroepen, niet alleen volwassen mannen en vrouwen, maar ook de kinderen in de samenkomsten worden verwacht. Want wat daar geschiedt heeft voor allen grote betekenis, al zullen ook niet allen het aanstonds begrijpen. Die kinderen, die er dan bij waren en er bij moesten zijn, hebben zeker niet alles in zich kunnen opnemen. Toch horen zij er bij. Hier mag de gemeente, mogen ook de kinderen van de gemeente aan denken. Ze zijn verbondskinderen, ze horen bij het verbondsvolk.

Er zijn wel kinderen, die het niet erg prettig vinden als ze mee moeten naar de kerk en er zijn wel eens ouders, die hen dan maar thuis laten. Maar zowel kinderen als ouders moeten toch bedenken, dat er voor hen allen wordt gepredikt. Al begrijpen ze er echter nog niet alles van, of misschien maar weinig, er blijven toch wel indrukken achter, die later van grote betekenis blijken te zijn.

Oud en jong. Samen Gods volk. Ouden worden ziek en sterven. Kinderen soms ook. Maar Gods volk. Samen verlost door Jezus Christus. Samen straks om de troon staande. Oud en jong. Een gezegend volk!