De mystiek van Schortinghuis (2)

Door: E.M. Vink-Wielaart

 

Jean de Labadie
Jean de Labadie, die leefde van 1610-1674, was een Franse jezuïeten priester, maar hij had met Rome gebroken. Hij streed fel tegen de verwereldlijking in de kerk. Hij riep op tot bekering en ijverde voor scherpe tucht. Via Zwitserland en Duitsland is hij naar Middelburg gekomen. Hij stelde conventikels of gezelschappen in die, zondags en doordeweeks aan huis werden gehouden. Men kwam daar bij elkaar tot onderlinge stichting en opwekking van geestelijk leven. De Labadie, een begaafde theoloog, kwam na de breuk met Rome na intensieve Schriftstudie tot de conclusie dat er twee bronnen zijn van religieuze kennis, nl. het uitwendige Woord van de Heilige Schrift en het inwendige Woord: de onmiddellijke verlichting van de ziel door de Heilige Geest, de rechtstreekse instorting van de genade van God. Voor de mystieke eenwording met Christus is nodig: gebed, meditatie en vooral voortdurende en radicale doding van alle natuurlijke en ook geestelijke begeerten, waardoor het hele leven van tijd tot tijd gaat worden beheerst door de zalige dronkenschap van de liefde, in de vorm van extase.

Vroom en zuiver leven in de kerk, en een zuivere leer, heeft De Labadie radicaal toegepast. We noemden al dat hij kleine gezelschappen instelde, ook wel conventikels genoemd, waar als het ware de kerngemeente van de allerheiligsten binnen de kerk bij elkaar kwamen om van daaruit de kerk geestelijk te bouwen en te zuiveren. Na zijn afscheiding van de kerk, waartoe zijn gedachtegang uiteindelijk moest leiden, heeft hij deze filosofie consequent toegepast. Hij wilde terug naar de oergemeente, de eerste kerk van Pinksteren. Geestelijke gaven leidden tot profetieën, de conventikels waren voor dieper ingeleide gelovigen die een eigen uitleg of toepassing konden geven zonder enige voorbereiding. Dit leidde uiteindelijk tot gezelschappen van uitsluitend wedergeborenen. Dit heeft vooral in Amsterdam geleid tot radicale scheiding tussen wedergeborenen en onwedergeborenen. Hierdoor kwam het ook in Amsterdam tot een isolatie van de kerken, ook van de reformatorische piëtisten.

De Labadie werd fel bestreden door o.a. Voetius en Koelman. Er werd gesteld dat ook al heerste er in de volkskerk geen tucht, er moet van binnenuit worden gereformeerd. De Labadie kende zelf drie soorten kerkleden, nl. 1) de bevestigde begenadigden, 2) degenen die een proeftijd moesten doormaken, en 3) zij die in de ‘voorhof’ aanwezig waren als toehoorders van de prediking en voor de bepaalde geestelijke oefeningen. Men kwam er voor de cultivering van de wedergeborenen en de éénwording met God te genieten, dat niet betekende Christus te volgen, maar Hem na te doen. De beweging ontpopte zich dus in openbare mystiek-enthousiaste dweperijen. Ook ten aanzien van de sacramenten had men eigenaardige filosofieën. Ten aanzien van de doop werden doperse gedachten gehanteerd, ook al weerden zij die verwijten af. Doperse gedachten zijn dat er verschuiving plaatsvindt van de belovende God naar de gelovende christen. Er is dan geen sprake van een zegel op de belofte van God, maar een zegel op een in het hart ontvangen, inwendige genadewerking van God (een kroontje op het geloof). Omdat de Labadisten het verbond van God vernauwden tot de uitverkorenen en wedergeborenen, had dit ook consequenties voor de kinderdoop en werd dezelfde keurmethode voor de kinderen toegepast. Het was mogelijk dat bij het kind het geestelijk zaad van de wedergeboorte was ingestort. Als men niet tot deze conclusie kwam werd er een soort wijding of zegening van de kinderen in de gemeente toegepast.

Om aan te gaan aan het avondmaal moest men bijzondere kentekenen van genade hebben, in een staat van heiligmaking leven. Ook dit werd aan de hand van bepaalde punten nauwkeurig getoetst. Gevolg daarvan was dat het avondmaal maar hoogst zelden werd gevierd en ook slechts enkelen aangingen.

Uiteindelijk werd De Labadie ook uit Amsterdam verdreven. Hij kreeg met zijn mensen onderdak in Duitsland (Herford), maar ook daar werden ze weer verdreven, juist ook omdat daar buitengewone uitspattingen van mystieke opwinding zich voordeden, hetgeen de Labadisten uiteindelijk veel kwaad heeft gedaan. In het noorden van Duitsland werd De Labadie ziek. Hij heeft daar nog een laatste boek geschreven waarin hij de grondgedachten van zijn leer heeft beschreven. Kort samengevat: de ware kerk is een zichtbare gemeente van uitverkorenen, die werkelijk wedergeboren en geheiligd zijn. Tot de wereld staat deze kerk in dezelfde verhouding als Christus tot de antichrist. Vandaar dat het wezen van de kerk enerzijds ligt in Gods eeuwige verkiezing en anderzijds in haar radicale afzondering van de wereld. De heiligmaking van de kerk bestaat in een ascetische doding van zichzelf en een algehele opoffering aan God.

Op 64-jarige leeftijd overlijdt De Labadie. De groepering is nog in Friesland (Wiewerd) terechtgekomen onder leiding van Yvon, een trouwe medewerker van De Labadie. Door allerlei omstandigheden, o.a. door de pogingen om zending te bedrijven, tekorten aan inkomen door het overlijden van rijke leden etc. verviel na de dood van Yvon in 1707 de beweging en werd uiteindelijk opgeheven. Alleen, het gedachtegoed van De Labadie bleef doorwerken en bestaan in bevindelijke kringen tot op vandaag, hoewel de term labadisme een ongunstige klank heeft gekregen. Eén van de hoofdzaken van het labadisme is dat het zich, historisch gezien, voordeed als een crisisverschijnsel, ontstaan uit de gedachtewereld van het piëtisme, maar bevrucht door het zaad van het mysticisme, dat het als reformatorische beweging deed ontsporen en naar de ondergang voerde. Maar het mysticisme is niet uitsluitend een kenmerk van het labadisme, maar een leer- en geestesrichting die haar wortels heeft tot in de oudste kerkgeschiedenis. Een vorm van religiositeit die met name door de Roomse kerk is gecultiveerd en die ook na de Reformatie nog krachtig bleef nawerken in de kerken en sekten die uit haar voortgekomen zijn.

In het kerkelijk leven kennen we de typisch-mystieke dopers-labadistische opvattingen ten aanzien van de toeëigening van het heil, die vooral tot uiting komt in een grote schuchterheid ten opzichte van het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis en het vieren van het Heilig Avondmaal. Daaraan ligt ten grondslag het onschriftuurlijke begrip van het verbond van de Here, zeker onder invloed van de verengde begrippen van het labadisme op dit punt, waarbij het zwaartepunt van de geloofszekerheid wordt verlegd van de zekere beloften en toezegging van God in zijn verbond, naar de subjectieve, geestelijke ervaringen van de mens.

In het slotartikel wordt ingegaan op Schortinghuis en zijn gedachtegoed.

 




Meer dan overwinaars

Vandaag aflevering 14 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Het lijden dat Gods kinderen overkomt, mag niet worden onderschat. Het is wel zo, als vaak ook wordt gezegd, dat ieder zijn eigen lijden het zwaarste voelt. Maar er is toch ook de gemeenschap der heiligen, en dat zegt toch dit, dat wij wel geen medelijden met elkaar hebben in de zin, waarin dit woord medelijden meestal wordt gebruikt, maar dat we toch met elkaar mede lijden en medeleven. Als één lid lijdt, lijden toch alle leden mede?

Vooral als wij willen gaan in gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere, dan worden de moeilijkheden, waarvoor wij komen te staan, vaak vermenigvuldigd. Dat weten wij ook in onze dagen van vervlakking, van uitwissing van grenzen, heel goed. Wie schipperen wil, die laveert er misschien nog tussendoor maar wie recht door zee wil gaan, en onverzwakt wil vasthouden aan het Woord van God, voor zich en voor zijn kinderen, op elk levensgebied, voor Kerk en school, voor staat en maatschappij, voor pers en organisatie, die wordt steeds meer in het isolement gedrongen.

Bovendien, afgezien van het lijden om Christus’ wil, krijgt ook elk kind van God vaak ruimschoots zijn deel aan de ellende en de moeiten, die als vrucht van de zonde de wereld zijn binnengekomen. Hier ligt een man of vrouw jaren misschien op het ziekbed, wellicht ongeneeslijk, daar wordt een man of vrouw, soms in de bloei der jaren, uit een gezin weggerukt. Elders heeft iemand te kampen met blijvende invaliditeit. En zo kunnen we doorgaan. Immers waar zijn de teleurstellingen niet? Wie draagt er geen openbaar of verborgen leed met zich mee? Wiens leven is vrij van alle gemis? Ja, er is zoveel te klagen, er is zoveel geween, en zoveel leed te dragen.

En hoe ervaren wij dat? Hoe nemen wij het op? Hoe zijn wij daaronder? Hoe dragen wij onze tegenheden?

U weet wel wat Paulus ergens zegt: in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars? Over wie? Over de Satan. Want als op een of andere manier het leven ons tegen zit, dan stookt de satan direct. Dan onderneemt hij zijn pogingen om ons af te trekken, om ons los te weken van Christus en Zijn genade.

Maar in dit alles, in al deze dingen, hoe veel en hoe zwaar ze ook mogen zijn, in al deze dingen zijn wij overwinnaars, dat wil immers zeggen: Wij zijn sterker dan al deze dingen. Deze dingen mogen dan sterk zijn – en dat zijn ze menigmaal – ze kunnen toch tegen ons niet op, onze kracht gaat die van hun te boven.

Misschien zegt u: dat is wel heel sterke taal, we zouden haast zeggen: overmoedige taal. We hopen niet dat wij in al deze dingen de overwinning behalen zullen, dat uiteindelijk zal blijken, dat wij door dit alles toch niet neergeslagen en kapotgemaakt worden, nee, nee, wij zijn overwinnaars, wij hebben de  meerderheid, wij zijn aan de winnende hand ook al schijnt het dat wij wijken moeten, dat de omstandigheden, dat de krachten van satan ons te machtig worden, dat wij er onder zullen omkomen, wij zijn toch overwinaars.

Ja, meer dan dat: meer dan overwinnaars. Wij zijn glansrijk overwinaars. Onze overwinning is schitterend en onbetwist. Het   is geen overwinning op het kantje af, geen overwinning als eertijds, die van koning Pyrrhus, die zeggen moest: nog één zo’n overwinning en ik ben verloren. Maar een overwinning, waarin wij glansrijk onze meerderheid, onze overmacht tonen. Daarom zullen wij in de levensmoeiten, onder het opgelegde kruis, niet ondergaan, en dus niet mismoedig zijn. Wij komen het alles te boven. Wij komen er door. En al wordt het niet altijd gezien, het wordt eens duidelijk openbaar.

Wij zijn overwinnaars. Wij. Dat zijn niet alle willekeurig mensen. Maar dat zijn wij, die geloven. Wij, die op Christus hopen. Wij, die oprecht in Christus geloven. Wij, die tot Christus gekomen zijn met onze zonde en ellende, en deze voor de Heere oprecht beleden hebben. Zo niet, dan wordt u overwonnen. Het leven is vol gevaren, ook tegenwoordig door de geesten die over de wereld varen en ook de kerk, Gods kinderen beroeren.

Laten we daarom Christus vasthouden. Meer dan overwinnaars.




De mystiek van Schortinghuis (1)

Door: E.M. Vink-Wielaart

 

In de tijd na de Reformatie hadden zich al weer allerlei verwikkelingen in de kerk voorgedaan. Komend uit de Rooms-Katholieke kerk had men de reformatie van de kerk omarmd, maar waren er ook nog zaken overgebleven stammend uit die Roomse tijd, zoals o.a. het mystiek denken. Dit mystieke denken heeft in de kerk na verloop van tijd (vooral in de 18e eeuw) toch weer veel invloed uitgeoefend. In dit artikel wordt stilgestaan bij een vertegenwoordiger van de mystieke stroming, Wilhelmus Schortinghuis, die geboren werd in 1700 te Winschoten. We zullen eerst kort langsgaan hoe deze mystieke ideeën al vrij snel na de synode van Dordrecht (1618/1619) toch weer opkwamen.

 

Deformatie na reformatie
Het woord ‘mystiek’ is afgeleid van een Grieks woord dat ‘sluiten’ betekent. Dat kan op twee manieren bedoeld zijn, subjectief en objectief. De mens kan zich afsluiten van de buitenwereld (subjectief), maar ook kan er iets voor hem gesloten worden (objectief); God maakt het dan tot een geheim voor de mens. Dat is wat in de bijbel ‘mysterion’ genoemd wordt, wat door Paulus nogal eens in die zin wordt gebruikt. K. Schilder stelt dat het woord ‘mystiek’ of verwante woorden in de Bijbel een enkele keer voorkomen, zo in 2 Petrus 1:9 “Want bij wie zij niet zijn, die is verblind in zijn blindheid, daar hij de reiniging van zijn vroegere zonden heeft vergeten.” Met het woord ‘mystiek’ moeten wij dus uiterst voorzichtig zijn.

Toch zullen wij in het kader van ons onderwerp deze term veel tegenkomen. In de tijd na de Reformatie was er al weer snel verval opgetreden in de kerk. Men leefde in de 17e eeuw in het algemeen in goede welstand (de zgn. Gouden Eeuw), na een periode van Spaanse overheersing. Het land bloeide cultureel (grote schilders o.a. Rembrandt, dichter Vondel) en ook de natuurwetenschap en filosofie bloeiden door grote geleerden in die tijd en werden wereldwijd beroemd. Zeehelden zoals Tromp en De Ruyter en de Oost-Indische Compagnie van Jan Pietersz. Coen brachten door overzeese handel schatten van rijkdom naar ons land.

Na de strijd tegen de Spanjaarden (feitelijk een strijd tegen de Roomse kerk) werd een nationale eenheid gevormd door de Unie van Utrecht. In de toen verenigde provincies was de kerk van de Reformatie tot heersende volkskerk verheven. Daardoor kregen plaatselijke overheden in de kerk allerlei rechten. Dit was een gevolg van opvattingen die al van oude tijden in het volksbewustzijn waren vastgegroeid: de kerk is er ten dienste van het volksleven en de staat, daarom die nauwe relatie tussen kerk en staat.

Voetius, de man van het gereformeerde kerkrecht in die tijd, erkende deze situatie tussen kerk en staat niet, maar het was blijkbaar meer een zaak van dulden, volgens de normen van de traditie, zonder alles als principieel juist te erkennen.

Duidelijk is dat in die situatie grote gevaren de kerk bedreigden, nl. secularisatie en verwereldlijking van het kerkelijk-godsdienstige leven. De Bijbel wijst de kerk, de gelovigen in deze wereld, haar plaats als vreemdeling. In Openb. 12 wordt de kerk door Christus bewaard tegen de Satan doordat zij wegvlucht naar de woestijn, buiten het gezicht van de slang. En er is geen groter gevaar voor haar geestelijk welzijn dan wanneer de wereldcultuur ongehinderd open ligt en het leven een stempel van wereldse luxe, macht en vooruitgang gaat dragen, in afhankelijkheid van de wereldlijke overheid.

Begrijpelijk is dat de gevolgen daarvan niet uitbleven. De geschiedenis bewijst iedere keer weer hoe de kerk in Gods kracht wakende moet zijn. Als na reformatie de idee ontstaat: de strijd is achter de rug, wij kunnen nu rusten, dan moet je juist uiterst waakzaam zijn!

Ook in de tijd na de Dordtse synode was na ca. 50 jaar al weer verval merkbaar. Het volk was gerust, de kerkproblemen waren overwonnen. Ook in het maatschappelijk leven ging het heel voorspoedig. Dan ligt het gevaar om de hoek om in dit geruste leven niet meer oplettend te zijn en mee te gaan in de dagelijkse zaken. Men ging daardoor ook veel waarde hechten aan uiterlijke dingen.

Al omstreeks 1658 heeft Voetius strijd gevoerd met Coccejus, met name over de zondagsrust. De Coccejanen hadden een ruimere levensopvatting. En dat had in de kerk ook zijn gevolgen.

Zonder hier verder diep op in te gaan heerste er in de kerk ook een geest van piëtisme, dat in de loop van de 17e eeuw uitmondde in echte gevoelsmatige mystiek. Dat treffen we aan bij Theodorus à Brakel (1608-1669), maar ook bij De Labadie in radicale vormen. De invloed hiervan is tot op de dag van vandaag merkbaar in de reformatorische kring.

In het volgende artikel wordt ingegaan op de denkbeelden van Jean de Labadie.

 

 




Lijden

Vandaag aflevering 13 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Van onze Heiland belijden wij, dat Hij geleden heeft. Geleden.

Ja, Hij onderging lijden. En lijden is een woord om er bang van te worden. Maar de zaak, die door het woord lijden wordt aangeduid is nog veel verschrikkelijker.

En er wordt wat geleden, hier op aarde. Het is niet zomaar dat deze aarde wel eens een jammerdal wordt genoemd. Daar is een oorzaak voor.

Wat wordt er lichamelijk veel geleden. Kom maar eens in de ziekenkamers, of in de ziekenhuizen. Ondanks de vele pijnstillende en verdovende middelen, die de wetenschap heeft uitgevonden, en die door de dokters worden toegepast, blijft er nog heel wat te lijden over. Voor menigeen die in de Heere gestorven is, was de dood een ware uitkomst, echt een verlossing uit het lijden van de tegenwoordige tijd.

Maar misschien nog meer dan lichaamssmart wordt er zielepijn geleden. Wat een tranen worden er vergoten over gebroken verwachtingen, kapotgeslagen idealen. Tranen vergoten in mislukte, ongelukkige huwelijken. Tranen over kinderen, die de rechte weg verlaten en weigeren kinderlijke eerbied aan hun ouders te betonen. Tranen over verbroken vriendschappen. En ga zo maar door. Wat een slapeloze nachten en sombere dagen worden er doorleefd.

En dat het zo is, dat dit lijden er is, dat is geen toevalligheid. Het lijden is geen noodzakelijk aanhangsel van het mens-zijn, evenmin als de dood dit is. Zo wordt het wel eens voorgesteld. Neen, het lijden wordt door God gezonden, gehanteerd als Zijn gesel, omdat wij van Hem afgevallen zijn, tegen Hem zijn opgestaan.

Het lijden is vrucht en straf van de zonde. ‘Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden’. Eens is er een tijd geweest – wellicht heel kort – toen er geen lijden was. Van zulk een blijde tijd kunnen wij ons eenvoudig geen voorstelling maken.

Zal hij ook weer terugkomen die tijd, zulk een tijd? Is er wel verlossing mogelijk voor het lijden?

Verlossing? Ja, als die niet komt, dan komt er aan het lijden nooit een eind. Dan gaat het lijden van de tegenwoordige tijd over in een eeuwig lijden, zo zwaar, dat het tegenwoordig lijden er kinderspel bij is.

Dat is ook een van de gruwelijkheden bij de zogenaamde euthanasie of milde dood. De bedoeling mag dan zijn om iemand uit het lijden van de tegenwoordige tijd te verlossen, en men bedenkt niet, of gelooft niet, dat men hem naar duizendmaal erger pijn zendt.

Is er verlossing van pijn, hier en hiernamaals mogelijk? Ja, als de zondeschuld wordt weggedaan. Dan alleen.

Maar – Gode zij dank – dat is gebeurd. Dat heeft onze Christus gedaan. Dat leert ons het Woord van God met grote nadruk en met blijde ernst. Want de toorn van God, die ontstoken was over onze zonde heeft Hij geblust. Hij bracht verzoening aan. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen hebben wij genezing ontvangen.

En is dan nu het lijden weggenomen? Gods Woord leert het ons wel anders. En als dat Woord het ons niet leerde, dan zeker wel de levenspraktijk. Wat wordt er – ondanks het volbrachte werk van Jezus Christus – nog veel geleden.

Maar voor wie gelooft in Hem, is het lijden geen straf, geen vergelding, geen betaling voor de zonde. Ook van het lijden kunnen wij zeggen, dat het is het pad dat ons naar het eeuwige leven brengt. Zeker, wij kunnen niet zeggen – en moeten het ook maar niet proberen – waarom de een van Gods kinderen zoveel meer moet lijden dan de ander. Dat laten wij aan Hem over, aan Zijn wijsheid, die ons leert, dat alle dingen medewerken ten goede diegenen, die Hem liefhebben.

En wij allen, die Hem liefhebben en door Zijn Woord en Geest ons laten leiden, zullen eenmaal daar zijn, waar niemand meer zal zeggen: ik ben ziek, want het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Daar zijn alle tranen afgewist, want de dood is er niet meer, noch geklaag, noch rouw, noch moeite.

Wat een toekomst is dat!




Om de ware katholiciteit (3, slot)

Door: M.R. Vermeer

Wat kunnen we als gelovigen soms zorgen hebben over de situatie van het christendom en de kerk in ons land en daarbuiten. Wereldwijd lijkt in veel gebieden, voor zover wij kunnen overzien (!), sprake te zijn van kleine kerken of groepen gelovigen. In ons land lijkt de kerk vanuit menselijk gezichtspunt verbrokkeld en verscheurd. Kunnen wij nog katholiek zijn?

Het evangelie afgewezen
Nu hoeft het ons niet te verwonderen wanneer het evangelie op weerstand stuit en tot verdeeldheid leidt. Het evangelie brengt scheiding, vanaf de ‘moederbelofte’ (Gen. 3:15) tot de jongste dag. Wel heel duidelijk is dit naar voren gekomen tijdens het leven van de Here Jezus op aarde: “Want Ik ben gekomen om tweedracht te zaaien” (Matth. 10:35a), door de nauwste familiebanden heen. Vooral het evangelie naar Mattheüs tekent ons duidelijk de ontvangst van het evangelie door Israël, en de werking van het evangelie. We willen dan ook kort letten op enkele lijnen in dit evangelie.

Het evangelie naar Mattheüs geeft als het ware de levensbeschrijving van de Here Jezus, onderbroken door een vijftal redevoeringen: de bergrede (5:1 – 7:27), de rede bij de uitzending van de twaalf discipelen (10:5-42), de gelijkenisrede (13:1-52), de gemeenterede (18:1-35) en de eindtijdrede (23:1 – 25:46).[1] Deze redevoeringen geven het onderwijs van de Here Jezus, ook Zijn onderwijs met betrekking tot de weerstand die het evangelie oproept.

In de bergrede, terwijl nog een grote menigte Jezus volgt, wordt duidelijk dat niet allen die “Here, Here” (7:21) zeggen ook het koninkrijk zullen binnengaan – er zijn wolven in schapenvacht die de kudde bedreigen (7:15). In de rede bij de uitzending van de twaalf discipelen zegt de Here Jezus nadrukkelijk: “De discipel staat niet boven de meester” (10:24) – ook de discipelen zullen vervolgd en gesmaad worden. In de gelijkenisrede wordt duidelijk dat de weerstand bij het volk Israël zo groot is, dat er een oordeel van verharding komt: Jezus gaat in gelijkenissen spreken en zij die niet willen zien en horen, zullen ook niet meer kunnen zien en horen (13:10-17).

Geen mislukking
Een verdrietige zaak, wanneer het evangelie op ongeloof stuit. Wat kunnen gelovige kinderen van God hiervan een verdriet hebben of zelfs in vertwijfeling raken. Voor Paulus in later dagen was de verharding van Israël een ‘grote droefheid en voortdurende smart’. Israël, Gods eigen verbondsvolk, wijst de Messias in grote meerderheid af… Is Gods Woord soms vervallen (Rom. 9:3,6)? Is het evangelie een mislukking?

In het evangelie naar Mattheüs bevindt zich ook een andere lijn, naast die van de verwerping van Jezus door het volksgeheel: uit het volk Israël wordt de kerk gevormd. Juist wanneer de afval onder het volk Israël groeit, wanneer er zoveel ongeloof is bij het volk (zie 13:38) en haat van de kant van de Farizeeën en Sadduceeën (16:11), openbaart de Here Jezus dat de gemeente zal worden gebouwd op het fundament van apostelen en profeten (16:18-20).

Een weg van kruisdragen
Deze gemeente kan echter uitsluitend worden gebouwd op grond van het verzoenend lijden en sterven van Christus. De gemeente wordt gevormd in een weg van kruisdragen, waartegen het ‘vlees’ zich verzet, zoals bij Petrus die uitriep: “God zij u genadig Here, dit zal beslist niet met u gebeuren!” (16:22). Een weg waaraan ook de nieuwtestamentische gemeente wordt gebonden, zoals Kamphuis opmerkt:

“Wanneer Christus Zijn levensweg aan Zijn gemeente heeft geopenbaard, de weg van de messiaanse vrijmaking, dan bíndt Hij zijn gemeente ook aan die weg en ieder, die die weg niet wil, wordt door Hem voor satan gescholden: vreselijk is het te vallen in de handen van de Zoon van de levende God!”.
Maar wie wel aan Zijn verlossings- en vrijmakingsweg zich bindt, omdat hij aan de Verlosser en Vrijmaker zich in het geloof gebonden heeft, die zal de wég altijd zien voortgaan, want de Verlosser verdwijnt niet uit het midden van de Zijnen vandaan.
Die Zijnen, die aan Zijn weg zich binden – het voor vlees en bloed niet te ontdekken spoor! -zullen die weg vaak kennen als een smalle weg, want dit heeft Gods volk niet gewild en niet begeerd door het vlees; ook niet door het religieuze vlees, omdat het verlossing achter Jezus Christus aan is. Daarom is het voor het vlees altijd een weg van het fiasco, de gegarandeerde mislukking: de schamele rest; het povere getal: twee of drie; het veelvoud kan niet kleiner!”[2]

Twee of drie
De Here Jezus openbaart niet alleen dat de gemeente zal worden gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, op de zuivere prediking van het Woord, maar geeft ook onderwijs over de orde van de kerk. In de gemeenterede (18:1-35) geeft Hij, na de vraag van de discipelen wie de ‘grootste’ is, een kerkorde: geen kerk mag over andere kerken, geen ambtsdrager mag over andere ambtsdragers, geen ambtsdrager mag over andere gelovigen heersen (18:1-5). Een kerkorde die tot de grondslag van de kerk behoort: wee degene die één van de kleinen doet struikelen (18:6,10), die buiten plaatst waar Christus niét buitensluit.

Een kerkorde die ook voorschrijft dat de gemeente tucht moet uitoefenen, bijvoorbeeld wanneer een broeder tegen een andere broeder zondigt: eerst door persoonlijk vermaan (18:15), daarna met getuigen (18:16) en ten slotte door de gemeente (18:17). In de gemeente van Christus wordt gebonden en ontbonden: “Alles wat u op de aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn; en alles wat u op de aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn” (18:18).

De nieuwtestamentische gemeente van de ‘smalle weg’, de ambtelijke vergadering van slechts twee of drie, mag en moet de sleutels van het hemelrijk bedienen. Waar deze sleutels worden bediend, waar deze kenmerken aanwezig zijn, is de kerk – ongeacht het getal:

“Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (18:20).

Het geheimenis van de katholiciteit
Twee of drie, het kleinste veelvoud, en toch een katholieke kerk. Hoe kan dat? Omdat deze gemeente vergadert in Christus’ naam:

“Maar onze hoogste Reformator en Verlosser vertroost ons op de smalle weg, op het nooit ontdekte spoor; want Hij geeft deze messiaanse gemeente, deze ware, christelijke kerk mateloos rijke beloften mee: in déze gemeente breekt de toekomende eeuw zich baan door de verkondiging van de Zoon van de levende God. Daarom wordt híer gebonden en ontbonden, en dat maar niet met het gezag van ménsen, maar met dat van Gód; daarom vallen híer de laatste beslissingen. Waarom?
Misschien omdat die messiaanse gemeente uit knappe koppen bestaat? Een opeenhoping van intellect? Wel nee. Hier is maar één antwoord: omdat er in de troon van God een Man is, die dood geweest is en Hij leeft.
(…)
Daarom is het ook zo te verfoeien, wanneer men het ‘geheimenis’ van de katholiciteit van de kerk uitspeelt, hoe dan ook, tegen de roeping tot reformatie. En bang voor die reformatie is, omdat men bang voor het fiasco is, of als men, wat men ‘fiasco’ acht te zijn, gaat neutraliseren door van de armoe van de ‘twee of drie’ gaat lokken naar de onbestemde veelheid van al de openbaringen van het Lichaam van Christus. Wat zoekt u de Levende bij de doden? Dat is het ‘geheimenis’ van de katholiciteit dat Christus bij de Zijnen, bij hen, die, ook al schijnt het, dat dàn al hun wegen doodlopen, Zijn Naam tot het principe van hun vergaderen gemaakt hebben.
(…)
Want de kerk heeft als katholiek herkenningsteken die Naam van Christus. ‘Naam’ dan in Schriftuurlijke zin opgevat, geen etiket, dat verder geen inhoud heeft, maar de openbaring, waarin Christus met al Zijn heilsweldaden tot de Zijnen komt. En omdat die Naam een katholiek herkenningsteken is, is het tegelijk een exclusief herkenningsteken: de kérk herkent men niet aan ‘de grote menigte’ of aan de ‘oudheid’, maar alleen aan die éne Naam van de Levende: in haar hebt u met Hém te doen”.[3]

Kunnen wij nog katholiek zijn?
We hebben gezien hoe op een synode van DGK met de ‘katholiciteit’ als paraplubegrip allerlei besluiten en handelingen worden verdedigd, waarbij de vraag is of deze besluiten en handelingen ook overeenkomstig Gods Woord en de kerkorde zijn. Besluiten en handelingen die tot verwarring in, en verscheuring van, het kerkelijke leven hebben geleid.

Hoe kunnen wíj nog katholiek zijn? Moeten we onrustig om ons heen zien, groei en expansie najagen? Water bij de wijn doen, omdat ons getal zo klein is?

De opdracht waarvoor de katholiciteit ons stelt, kan slechts gestalte krijgen wanneer de katholiciteit eerst als gave van Christus wordt beleden. De ware katholiciteit wordt niet allereerst als feitelijk gegeven waargenomen, maar als geloofszaak beleden. We geloven (weten en vertrouwen) toch dat de Here zijn kerk bewaart, dat zij verspreid is over de gehele wereld en van alle tijden is?

Wanneer zo de katholiciteit als geloofszaak wordt beleden, zal zij ons nooit op gespannen voet brengen met de gehoorzaamheid aan Gods Woord. De katholiciteit sluit dan juist in dat ons gehele (kerkelijke en persoonlijke) leven in de volle breedte onder Gods heerschappij wordt gesteld. Alleen zó, onder gehoorzaamheid aan Gods Woord, mag kerkelijke groei en verdieping als zegen van de Here worden ervaren; mogen en moeten er allerlei initiatieven worden ontplooid en acties ingezet. De katholiciteit geeft ons dan, ook als dat een ‘smalle weg’ inhoudt, uitzicht op een rijke toekomst: ‘Wie zijn zij, en waar zijn zij vandaan gekomen? Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen, en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam’ (Openb. 7:13-14).

[1] Deze redevoeringen eindigen steeds met de formule: ‘Toen Jezus deze woorden/opdrachten… gesproken had’ (7:27, 11:1, 13:53, 19:1, 26:1).

[2] J. Kamphuis, Verkenningen I. Opstellen over Kerk en Uitverkiezing (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1963), p. 85.

[3] Kamphuis, op. cit., pp. 86-87.