Kruis – Kruisdragen

In deze, door een broeder ingezonden, ‘vraag en antwoord’ door ds. P.K. Keizer wordt ingegaan op de betekenis van het ‘kruisdragen’.[1]

 


 

Vraag:
Wat is de betekenis van het woord “kruis”? Waarin bestaat dat “kruisdragen”, b.v. Matth. 16:24.

 

Antwoord:
“Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: indien iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelve en neme zijn kruis op en volge mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verliezen zal, om mijnentwil, die zal het vinden. Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven”, Matth. 16:24-26.

 

Het evangelie, dat ons nodigt om tot Jezus te komen, is ruim en breed en wijd: “Komt allen tot Mij”. Maar de weg achter Jezus aan, Hem volgende als zijn discipelen, is smal en eng. Dat eist zelfverloochening en kruis opnemen. Het woord “kruis” heeft voor ons zijn ontzettende klank haast verloren. De christenheid kent zilveren, gouden, ivoren kruisen, crucifixen, kruisjes enz. Wat het voor de discipelen echt betekend heeft om achter Jezus aan te komen, dat hebben ze spoedig ondervonden. Ze kwamen alleen te staan. Ze hadden de publieke opinie tegen zich. ’t Werd gevaarlijk om met Jezus te zijn. Wat zal het dikwijls gestormd hebben in hun harten: “moet dat nu zò, met Jezus, die toch de Christus is?”. In de hof van Gethsémané kwam het zelfs tot een uitbarsting bij de discipelen. Petrus sloeg er op in. Zelfhandhaving in plaats van zelfverloochening. Maar na zijn opstanding werden hun ogen geopend. Kort daarna stonden ze op dezelfde plaats waar Jezus een paar maanden tevoren ook had gestaan: voor de Hoge Raad. De eerste maal kwamen ze nog met een berisping vrij. De tweede maal werden ze gegeseld. Toen voelden ze lichamelijk het “kruis”. O, o, ’t ging om hun leven! Wat zullen de raadsleden hen woedend hebben aangekeken. Wat zal er in hen soms het verlangen naar vrijheid en leven sterk geweest zijn. Verlost te zijn van die spanning, om weer als rustige burgers, niet langer opgejaagd, te mogen leven.

De hogepriester zegt, dat ze dat kunnen krijgen, als ze breken met die sekte van de Nazarener. Met het oog nu op deze zeer ernstige situatie, zei Jezus: wie dàn zijn (tijdelijke) leven zal behouden met de belofte om de Nazarener te verloochenen, die zal het (eeuwige) leven verliezen. Maar wie standvastig blijft en dan (door de doodstraf om mijnentwil) zijn leven-hier verliest, die zal hèt (eeuwige) leven bij Mij vinden. Wat baat het een mens, die de hele wereld zou winnen en alles hier verkrijgen wat zijn hart maar begeert, door Mij te verloochenen, maar hij zou zichzelf verliezen. Er staat niet: schade aan zijn ziel, alsof zijn ziel beschadigd zou worden. Die griekse, heidense onzin en leugen kent de Schrift niet. Jezus zegt: “schade zijner ziel”, dat betekent: de schade, het verlies, dat een mens, die Jezus verloochent, lijdt bedraagt zijn ziel, zijn leven, zijn eeuwig leven, àlles. Want wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen zich schamen, wanneer Hij komen zal in zijn heerlijkheid.

’t Is goed, dat we Hem belijden en zijn gaven en schatten zoeken. Maar er is zelfverloochening voor nodig, in grote en kleine dingen. Niet eigen gedachten volgen. Wie daarop ingesteld is, op eigen eer, op een gemakkelijk leven, op de minste weerstand, die legt het kruis neer, die vindt spoedig allerlei ergernissen: “moet dat nu zó?” – “kan dat niet anders?” – “hebben we ons ook vergist?”. Achter Hem gaan, kruisdragen, betekent dikwijls allerlei mooie dingen loslaten, soms b.v. bepaalde vriendschappen moeten verbreken. Dan kunnen we niet overal lid van zijn, van allerlei clubs en verenigingen en vergaderingen en samenkomsten, zonder onderscheid. Aan kruis dragen gaat vooraf kruis opnemen (vs 24). Daarom moeten we niet alle ziekte, tegenslag, moeite en verdriet zonder onderscheid maar “kruis” noemen.

Ziekte nemen we niet op, maar dat wordt ons opgelegd. Dat kunnen we niet neerleggen en er zo vanaf komen. Het kruis, dat Jezus bedoelt, kunnen we wèl neerleggen, of laten liggen. Door Hem te verloochenen. Ziekten zijn strafgevolgen van de zondeval. Daar delen gelovigen en ongelovigen beide in. Maar de wereld (in al haar ziekten en noden) draagt toch zeker geen kruis-achter-Jezus aan? Wat wij als discipelen van onze Heiland dragen om zijnentwil, om zijns Woord wil, om zijner kerk wil, dàt alleen is kruisdragen. Maar het gemeenschappelijke aan vloekgevolgen voor gelovigen en ongelovigen, voor kerk en wereld, is geen kruis. De kerk-alléén kan kruisdragen. Dat moeten we opnemen. Want gelovigen kunnen het ook neerleggen en de Heiland verloochenen. Ook ziekte en tegenslag legt de HERE ons op, zeer zeker, en we kunnen het alleen dragen in zijn kracht, maar zùlk leed dragen we niet om Christus’ wil, maar om onzer zonden wil. “Elk huis heeft zijn kruis” luidt het spreekwoord. Maar het is niet waar! Elk christenhuis (waarin waarachtige christenen wonen) heeft zijn kruis. Wereldse christenen verloochenen de Heiland. Draaien overal mee. Worden nooit met de nek aangezien. Hebben het makkelijk, zonder kruis, zonder smaadheid. “Weest mijne navolgers, broeders – want velen (in de gemeente van Filippi) wandelen (ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende) als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind”, Fil. 3:17-19. Vele christenen in Filippi leefden voor “de buik”, dat is voor eten-drinken-geld-verdienen-carrière-maken-trouwen-goed-leventje. Ze stelden er hun eer in (hun “heerlijkheid”), dat wereldse mensen hen zo “ruim” en “breed” en “verdraagzaam” vonden: “dat is tenminste een man met een ruime blik”. Ze bedenken aardse dingen, ze zijn met heel hun levenshouding op dít leven ingesteld. Maar, zegt Paulus, “hun eer (waar zij hun eer onder de mensen in stellen) is in hun schande”. In plaats dat ze er zich voor schamen (omdat het hun schande is) stellen ze er een eer in. Ze hebben (naar hun zeggen) Jezus “lief”, ja, ja, met de mond, maar hun levenspraktijk bewijst, dat ze “vijanden van het kruis van Christus zijn”. Dat is erg: “liefhebbers” van Jezus, maar in werkelijkheid vijanden van zijn kruis, afkerig in hun hart om smaadheid van mensen te dragen, achter de Heiland aan. Zijn schatten wel te begeren (wie zou dat ook niet willen: vrijspraak van straf en eeuwig leven!), maar de weg van verlossing, van zelfverloochening en kruisdragen gáán ze niet.

In de dagen van onze vaderen – 16e en 17e eeuw – toen het doopsformulier werd opgesteld, bad men voor elk kind: “dat het zijn kruis vrolijk dragen mocht”. In die tijden wist men heel goed wat dat betekende. God vraagt niet van elk geslacht het martelaarschap-tot-in-de-dood. Daartoe is elk geslacht van Gods kerk ook lang niet in staat. Er zijn “slappe”, “trage” geslachten in de kerkgeschiedenis geweest. Maar alle oprechte christenen, ook jongens en meisjes, op kantoren, in fabrieken of kazernes, in militaire dienst, als ze zich niet vreemd houden van Hem, wiens grote Naam ze dragen, ervaren wat kruis, smaadheid, geestelijke verdrukking, achteruitzetting, niet in tèl zijn, verachting, betekent. Al is het “maar” een spotlachje, een schimpscheut, altijd-het-mikpunt-zijn. Wij dragen óók dikwijls smaad vanwege eigen zonden, zelfverheffing, trotsheid, dwaasheden, enz. Maar meer dan wij zelf beseffen worden we ook “om uwentwil” (lees Ps. 44!) “de ganse-lieve-dagen door” geplaagd en “gedood”-verfd. Ik kan mij indenken, dat er soms een jongen is, die ’s avonds zich neerwerpt, òp van narigheid, omdat hij er altijd onderdoor moet en dan bidt: “Tot U, o HERE, hef ik mijn ziel op. Mijn God, op U vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden, laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij: Ja, allen die U verwachten, zullen niet beschaamd worden. Zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak”, Ps. 25:1-3. “Zonder dat ik oorzaak gaf”, om Christus’ wil, omdat ik “van de kerk” ben. Dat is kruisdragen. Zonder sensatie en zonder in de krant zetten.

 

[1] P.K. Keizer, ‘Vragen naar de bekende weg’, deel II (Kampen: Copieerinrichting v.d. Berg, 1981), pp. 44-47.




Voor de engelen van God

Vandaag aflevering 11 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Wie de geloofsmoed heeft om de Heiland te belijden voor de mensen, die – zo belooft Hij – zal Hij belijden voor de engelen Gods.

Als wij Christus belijden, zoals Hij wil worden beleden als wij van Hem spreken, door het geloof van het hart, dan ervaren wij het grote wonder van de genade van God. De Heiland zal dan ons belijden. Zoals wij van Hem spreken – maar onvolmaakt – tot mensen, zo spreekt Hij van ons – maar dan volmaakt – tot Zijn engelen.

Voor en ten overstaan van, ten aanhore van de engelen, die heerlijke wezens, de engelen van God, zegt de Heiland met nadruk en met opzet, om daardoor nog te meer opmerkzaam te maken op de heerlijkheid van de engelen, voor die engelen van God zal Hij belijden eenieder, die Hem belijdt voor de mensen. Hij zal voor het oor van de engelen zeggen: die man en die vrouw, die eenzame hier en die worstelaar daar, en die strijder ginds, die harde en trouwe werker, die zieke in de ziekenkamer of in het ziekenhuis, die horen bij Mij, die zijn Mijn eigendom, die heb Ik verlost, die zijn erfgenamen van het eeuwige leven, die zijn bevrijd van de heerschappij van de Satan, die staan in de gunst van de Vader. Het is of Hij wil zeggen tot die engelen: ziet u ze wel? Ziet u ze in de strijd en moeite, ter wille van de belijdenis van Mijn Naam? Ziet u ze in hun zorgen en gevaren, omdat ze weigeren te zwijgen van Mij? En het is daarbij alsof Hij zegt: denkt aan hen, zorgt voor hen, omringt hen met uw trouw, komt hen te hulp met uw macht en als het zover is, zorgt er voor, dat ze worden gedragen in de schoot van Abraham. Nu verstaan we hoe we kunnen zingen: Des Heren Engel schaart zich als een grote legermacht, rondom hem die Gods wil betracht:
zo is hij wél bewaard.

Zullen wij dan bang zijn? Is er reden voor? Zullen we ons door vrees, door schaamte, of wat dan ook, laten overmannen? Zullen wij dan niet de kracht kunnen opbrengen om getrouw te zijn? Als Hij u toch belijdt voor de engelen van God, u die misschien hier door de mensen in het vergeetboek geraakt bent, u die soms meent u niet meer nuttig te kunnen maken, u, die hier als het ware aan de kant bent komen te staan, u, die misschien machteloos neerligt als Hij toch u belijdt, is dat niet een alles te boven gaande rust en rijkdom? Als ook van u geldt: Want God beveelt zijn englenwacht, te waken op uw wegen; zij vergezelt u dag en nacht en houdt het onheil tegen.

Belijden voor de engelen van God, die krachtige helden. Die ja, die moeten en zullen weten, dat u Christus’ eigendom bent.

Is dat niet bemoedigend en sterkend in onze gedurige belijdenisstrijd, vooral in onze dagen? Het zou toch geen wonder zijn als deze of gene van ons uit vrees of gemakzucht zou doen alsof er geen Heiland is. Omdat het toch allemaal niets helpt, omdat onze moeite er alleen maar groter door wordt. Nietwaar, wat schieten we er tenslotte ook mee op, met al dat geharrewar? Maar mogen wij het zo stellen? Wat schieten wij, wij er mee op? Of moet de vraag zijn: wat eist de Heere? Daarop weet u zelf het antwoord wel.

En als u hier doet, wat de Heere van u eist, ja, dan schiet u, u zelf er toch ook mee op. Want dan zal Hij u belijden voor de engelen van God.

Is het niet hartverblijdend dat Hij u wil belijden voor de engelen van God? U ook? Ja, u ook. Als u Zijn Naam belijdt.

Voor de engelen van God!




Belijden voor de mensen

Vandaag aflevering 10 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

Belijden, naspreken wat de Heere in Zijn Woord ons heeft voorgezegd is niet maar, dat wij het voor ons zelf zeggen, het tot ons zelf zeggen, maar dat wij er voor uitkomen in de wereld waarin wij een plaats hebben ontvangen.

De Heiland Zelf spreekt er ergens van, dat wij Hem, Zijn Naam‚ Zijn Waarheid, Zijn werk moeten belijden voor de mensen. Dat is niet alleen voor ons gezin, voor gelijkgezinden, voor onze broeders en zusters in het geloof, voor hen, die met ons kerklid zijn, maar voor allen met wie wij in aanraking komen, die op een of andere wijze op onze weg worden en zijn geplaatst. Voor hen moeten wij Hem belijden, de Heere Jezus Christus, de Man van smarten, de Zaligmaker van de wereld, de Koning van de Koningen.

Maar houd dat de mensen maar eens voor! Roep het hun maar toe, belijd Christus zo maar voor de mensen; Christus altijd, Christus alleen, Christus overal, Christus alles, buigt u voor Hem alle mensen, wie u ook bent, en luistert naar Zijn Woord. Dan breekt de tegenstand los. Dan wordt vaak de vijandschap openbaar, dan laait soms het haatvuur op.

Maar dan komt ook de belijder, ook het belijden in het gedrang. Dan lopen wij zo licht gevaar om het wat minder, wat kalmer, wat ’tactischer’ aan te doen.

Want de mensen, o, de mensen, wat kunnen die mensen ten overstaan van wie wij moeten belijden, ons het leven dan uitermate zwaar en buitengewoon moeilijk maken. Wat kunnen ze de belijders kwellen, plagen, sarren, krenken, uitlachen, haten, ja zelfs doden.

Nietwaar, wat is de geschiedenis boordevol van haat en bittere vijandschap tegen Christus en de Zijnen. En ook tegenwoordig wordt in vele landen druk op de kerk en haar leden uitgeoefend.

Ze mogen niet alles zeggen wat ze zouden moeten en willen zeggen. En in landen, waar nog vrij mag worden gesproken en geschreven, zoals in ons land, wordt met een soort soevereine minachting aan de belijdenis voorbijgegaan.

In zulk een wereld, tussen zulke mensen, staat Gods volk, staan en leven u en ik. En als we nu in die wereld tot die mensen alleen maar konden spreken van een liefderijke‚ dierbare Jezus, Die zorgt voor de zielen en haar zaligheid, ja dan zou het nog wel gaan. Maar als we onze roeping verstaan, komen we met de verkondiging van een Christus Die alles opeist.

Voor de mensen. Wat is de verleiding menigmaal groot om dan maar te zwijgen. Te zwijgen uit valse schaamte, omdat anders de spot van de mensen ons treft. Te zwijgen uit gemakzucht omdat de strijd die het getrouw en altijd belijden meebrengt, ons vaak moeilijk valt. Te zwijgen uit vrees, omdat het isolement ons allerminst tegenlacht, maar juist af schrikt.

Belijden voor de mensen.

Ja, als dat  alleen maar bestond – zoals sommigen (of velen?) schijnen te denken – in wat wij plegen te  noemen openbare belijdenis in het midden van de gemeente, dan zou het nog wel gaan. Immers daar vinden wij tegen dat belijden geen tegenstand, maar juist blijdschap daarover. Daar worden wij met de geloofsdaad van die belijdenis gefeliciteerd. Dit, dat de Heiland ons alles is, publiek te zeggen voor het oor van God en de hele gemeente, veroorzaakt ons geen moeite.

Ja, als daarin het belijden maar opging. Maar dit belijden is maar het begin. In die belijdenis spreken we de bereidheid uit en de belofte om Christus overal te belijden. In die belijdenis beloven wij te volharden in leven en sterven, en leven en sterven, dat houdt alles in, dat is ons gehele bestaan in alle levensverbanden, dat is in voorspoed en tegenspoed, in gezonde en zieke dagen, in de jeugd en de ouderdom, ja zelfs voor de poorten van de dood.

Zeker, dat weten we allen wel. Christus voor de mensen belijden, trouw belijden. Schriftuurlijk belijden, dat valt niet altijd mee. Dat kost ons strijd. Maar ook in deze strijd hebben wij de belofte van de Heere, dat Hij ons wil sterken, getrouw en bekwaam maken. Als wij ook hier maar de weg naar Zijn troon gedurig in slaan en de hand op Zijn beloften leggen.

Er is ook een rijke zegen aan verbonden.




Om de ware katholiciteit (2)

Door: M.R. Vermeer

 

Is de besluitvorming op de GS Lansingerland 2017-2018 in overeenstemming met de katholiciteit van de kerk? We zagen in het voorgaande artikel dat de katholieke kerk eraan kan worden herkend dat Gods Woord alleenheerschappij heeft. We kunnen daarom ook de vraag stellen: was de besluitvorming op deze synode overeenkomstig Gods Woord? En naar de belijdenis, die op de Schrift is gegrond? En naar het afgesproken kerkrecht, wat toch ook van de Schrift is afgeleid? We willen dit kort langsgaan voor de besluiten die de synode-adviseur noemt (inzake de Westminster Standards, de zusterkerk te Abbotsford, de GKN en DGK Mariënberg e.o.).

 

Katholiciteit en belijdenis
We letten eerst op een besluit inzake de Westminster Standards (hierna: WS), belijdenisgeschriften die vooral in de Engelstalige wereld door meerdere kerken en kerkgenootschappen zijn aanvaard. De synode heeft als regel vastgesteld dat een zusterkerkrelatie kan worden aangegaan op de grondslag van de WS.

Voor de voorgaande synode (GS Groningen 2014-2015) rapporteerde een meerderheid van de deputaten Betrekkingen Buitenlandse Kerken nog dat de WS “een niet te onderschatten gevaar voor de kerk” vormen.[1] Een minderheid van deze deputaten (één deputaat) gaf geen uitsluitsel over de Schriftuurlijkheid van de WS, maar stelde voor om nader onderzoek hiernaar te verrichten.[2] De synode van Groningen besloot dat bij contact met buitenlandse kerken “eerst en vooral duidelijk moet worden of de kerkelijke praktijk overeenkomstig Gods Woord is”, waarna met deze kerken een gesprek kan worden gevoerd over inhoudelijke verschillen tussen de WS en de Drie Formulieren van Eenheid.[3]

Nu valt reeds op dit besluit door de synode van Groningen één en ander af te dingen, bijvoorbeeld dat er niet mee is gerekend dat een kerk ‘eerst en vooral’ moet worden beoordeeld “op grond van de publieke belijdenisgeschriften en op grond van de uiteenzetting van de rechtzinnige leer” (Dordtse Leerregels, slot). Toch is opmerkelijk dat de afgelopen synode nog een (forse) stap verder gaat dan de synode van Groningen en expliciet de WS aanvaardt als grondslag voor zusterkerkrelaties. Wat zijn daarvoor de argumenten? Heeft de synode hiervoor Schriftuurlijke gronden aangevoerd?

Volgens de synode-adviseur is een belangrijke grond hiervoor “de belijdenis van artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis”, kortom, de ‘katholiciteit’.[4] Dit beroep op de ‘katholiciteit’ wordt door hem vervolgens gelardeerd met verwijzingen naar de ‘geschiedenis van contactoefening’ (zusterkerkrelaties met presbyteriaanse kerken vanaf 1967, etc.).

In de toekomst hopen we op deze website nader in te gaan op de WS en de geschiedenis van contactoefening met presbyteriaanse kerken. Voor nu is vooral van belang dat de afgelopen synode verdere inhoudelijke toetsing van de WS zonder meer onnodig acht met een beroep op de ‘katholiciteit’. De katholiciteit als eigenschap van de kerk wordt hiermee niet langer verbonden met de gehoorzaamheid aan Gods Woord, maar krijgt los daarvan een eigen zeggingskracht. De synode bewéért wel dat er sprake is van ‘katholiciteit’, maar toetsing aan Gods Woord vindt niet langer plaats. Is dit niet een verkeerde blikrichting? Alsof wíj kunnen bepalen waar en hoe Gods wereldwijde kerkvergaderende werk precies plaatsvindt, in plaats van eenvoudig gehoorzaam te zijn aan Gods Woord.

Het valt te betreuren dat de synode zich niet heeft gehouden aan een uitgangspunt wat in de veelgeprezen ‘geschiedenis van contactoefening’ naar voren is gekomen:

“[O]ecumenische samenwerking [is] alleen mogelijk … wanneer kerken van elkanders belijdenisgeschriften oprecht kunnen verklaren, dat zij overeenkomen met Gods Woord. Slechts op deze wijze wordt immers gestalte gegeven aan de gehoorzaamheid aan het grote gebod voor de ware oecumene, dat zij namelijk zal dienen de eenheid in de waarheid”.[5]

 

Katholiciteit en oecumene
De afgelopen synode heeft inzake relaties met buitenlandse kerken nog een belangrijk besluit genomen, namelijk om de zusterkerkrelatie met de Liberated Reformed Church at Abbotsford (hierna: LRCA) te heroverwegen. Met de LRCA wordt “het gesprek [aangegaan] over de katholiciteit van de kerk met betrekking tot de rechtmatigheid van hun afscheiding en haar kerkelijke positie van nu”.[6]

Dit besluit is tot stand gekomen door een tweede revisieverzoek van DGK Dalfsen, nadat haar eerdere revisieverzoek door de GS Groningen 2014-2015 was afgewezen.[7] Het is opmerkelijk dat dit nieuwe revisieverzoek slechts drie weken vóór aanvang van de synode is ingediend (na de sluitingstijd voor het indienen van revisieverzoeken).[8] Nog meer opmerkelijk is dat het revisieverzoek van DGK Dalfsen door de synode als verzoek (en niet als revisieverzoek) is behandeld, maar het uiteindelijke synodebesluit toch een revisie inhoudt op bestaande, bindende synodebesluiten waarmee de zusterkerkrelatie is aangegaan en gehandhaafd. Dit synodebesluit stelt immers de zusterkerk in haar gehele ontstaan en bestaan discutabel. Het is moeilijk om zich aan de indruk te onttrekken dat de vermeende ‘katholiciteit’ op een oneigenlijke (kerkpolitieke?) wijze is nagestreefd.

 

Katholiciteit en eenheid
Een ander voorbeeld van ‘katholiciteit’, volgens de synode-adviseur, zijn de besprekingen met de Gereformeerde Kerken Nederland (hierna: GKN). De GS Groningen 2014-2015 kwam tot duidelijke besluitvorming om na te gaan of het tot eenheid met deze kerken kan komen. De deputaten kregen de opdracht om onder meer aan de orde te brengen: a) of er verschillen zijn ten aanzien van de grondslag (met name de leer over de kerk naar art. 28-29 NGB en het samenleven naar de kerkorde), b) de scheuringen en schorsingen, c) het tolereren van dwaalleer (zoals leringen van prof. Douma), en d) de rechtmatigheid van de vrijmaking van 2003.[9]

De GKN heeft opgemerkt dat deze besluitvorming uitgaat van bepaalde oordelen (bijvoorbeeld over het “tolereren van dwaalleer zoals die te vinden is bij dr. H.F. Kohlbrugge en prof. dr. J. Douma”). Zij riep de synode van DGK op te gaan samenspreken over “de noodzaak en het voorrecht ook vandaag katholiek gereformeerd te zijn”.[10] Door de deputaten van DGK is hierop stellig beweerd dat het zou gaan om gesprekspunten in plaats van oordelen.[11] Wat dit betreft moet de GKN worden toegestemd dat het gaat om gesprekspunten die een oordeel bevatten. De GKN heeft dan ook opgemerkt dat DGK niet met één mond spreekt.[12]

Het is opmerkelijk dat de deputaten van DGK in de daadwerkelijke besprekingen niet aantoonbaar zijn uitgegaan van de besluitvorming door de synode van Groningen. De deputatenrapporten voor de GS Lansingerland 2017-2018 geven een uiterst oppervlakkige weergave van de besprekingen en vermelden inhoudelijk (vrijwel) niets over bovengenoemde punten c (‘tolereren van dwaalleer’) en d (‘rechtmatigheid van de vrijmaking van 2003’).[13] Toch was deze synode in staat om deze punten van de lijst met gesprekspunten te schrappen; hierover wordt, blijkens de nieuwe instructie, niet langer doorgesproken met de GKN.[14] Hoe gaat de GKN om met de evolutieleer van prof. Douma, waartegen op de GKv synode van 2005 een bezwaar is ingediend? Ziet zij de vrijmaking van 2003 als rechtmatig? Het is alles volstrekt onduidelijk, in ieder geval voor het ‘gewone’ kerklid.

Wat opvalt in de hernieuwde instructie voor deputaten is dat de ‘leer over de kerk’ nog altijd een gesprekspunt is, maar niet langer behoort tot de grondslag én nader is gespecificeerd: “de leer over de kerk (art. 27-29 NGB) met name de katholiciteit van de kerk”.[15] De synode van Groningen doelde, blijkens de overwegingen bij de besluitvorming, vooral op de weigering van GKN-zijde om het adres van de ware kerk aan te wijzen. De afgelopen synode legt daarentegen alle nadruk op de ‘katholiciteit’. Hiermee is treffend de koerswijziging aangegeven: eenheid wordt niet langer gevormd door gehoorzaamheid, maar een bepaalde eenheidsgedachte voert de boventoon.

 

Katholiciteit in de praktijk
Ook bij de besluiten inzake DGK Mariënberg e.o. ging het volgens de synode-adviseur om “niets minder dan het bewaren van de katholiciteit van de kerk tegenover een binden boven Schrift en belijdenis”.[16]

We zullen hier niet op deze besluitvorming ingaan (dat is op deze website reeds gedaan), maar verdrietig genoeg moet wel worden opgemerkt dat deze ‘bewaring van de katholiciteit’ inhoudt dat een classis hiërarchisch mag optreden, een zusterkerk via ‘snelrecht’ mag worden uitgestoten en een synode publiek ongegronde beschuldigingen mag uiten.

Als ergens de wrange vruchten van de synodale boom over ‘katholiciteit’ zichtbaar zijn geworden, dan is het wel in de besluitvorming inzake DGK Mariënberg e.o. We hopen en bidden dat de besluitvorming in deze zaak een ‘wake-up call’ vormt voor broeders en zusters die de bredere ontwikkelingen in het kerkverband met zorg tegemoet zien.

 

Hoe nu verder?
Wellicht blijft nog een vraag hangen: hoe kunnen wij nog katholiek zijn? Het onjuiste beroep van de afgelopen synode op de katholiciteit neemt niet weg dat de katholiciteit een Schriftuurlijke zaak is. Wat als we bijvoorbeeld een zelfstandige kerk zijn, zonder kerkverband of predikanten? Wat als we misschien een ‘enkeling’ zijn in een gebied waar God niet wordt gediend “op een Hem welgevallige wijze” (Hebr. 12:28)? In het volgende artikel gaan we daarop nog kort in.

 

 

[1] Acta GS Groningen 2014-2015, art. R.12a, hoofdstuk VI.4 (Acta, p. 291).

[2] Acta GS Groningen 2014-2015, art. R.12, hoofdstuk 5 (Acta, p. 217).

[3] Acta GS Groningen 2014-2015, art. 6.01 (Acta, p. 45).

[4] P. van Gurp, Toespraak slotzitting GS Lansingerland 2 juni 2018, bron: http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=12&item=1606 (geraadpleegd 6-7-2018).

[5] Opmerking uit de brochure “Om de ware oecumene” (p. 6) die door deputaten Betrekkingen Buitenlandse Kerken op verzoek van de GS Groningen-Zuid 1978 is opgesteld.

[6] Bron: http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=12&item=1585 (geraadpleegd 6-7-2018).

[7] Acta GS Groningen 2014-2015, art. 7.05.

[8] Acta GS Hasselt 2011-2012, art. R.03 (‘Regeling indienen van revisieverzoeken’).

[9] Acta GS Groningen 2014-2015, art. 4.02 en art. I.07, lid 17.

[10] Acta GS Ede maart 2016, art. 22, bron: https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/generale-synode/acta/ (geraadpleegd 6-7-2018).

[11] Rapport van de deputaten ACOBB aan de GS Lansingerland 2018, bron: https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/4.02_Rapport_deputaten_ACOBB_aan_GS_Lansingerland_2018.pdf (geraadpleegd 6-7-2018).

[12] Acta GS Boerakker maart 2018, art. 12, bron: https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/generale-synode/acta/.

[13] Zie voetnoot 11 voor het deputatenrapport, daarnaast is er een ‘Aanvullend rapport van de deputaten ACOBB aan GS Lansingerland 2018’, bron: https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/4.06_2018_03_22_Dep_ACOBB_aan_GS_aanvullend_rapport_inz_contact_met_dep_GKN.pdf (geraadpleegd 6-7-2018).

[14] Deze nieuwe instructie is bijgevoegd bij een brief d.d. 2 juni 2018 van de DGK-synode aan de GKN-synode, bron: https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/U41_2018_06_02_GS_DGK_Lansingerland_aan_GS_GKN.pdf (geraadpleegd 6-7-2018).

[15] Ibid.

[16] Van Gurp, loc. cit.




Merk op mijn ziel!

Vandaag aflevering 9 in de rubriek ‘Genade geneest’.

 


 

U kent toch de woorden wel uit de oude berijming van Ps. 85: Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft – of zoals de nieuwe berijming het heeft: dan merk ik op wat antwoord God mij geeft.

Ja, want God de Heere geeft antwoord. Dat doet Hij in Zijn trouw. Dat doet Hij om Christus’ wil. Het zijn soms wel heel andere antwoorden dan wij zouden verwacht of begeerd hebben. Want wij hebben zo vaak ons zelf op het oog. De Heere stelt Zijn eer voorop. En dat betekent dan niet dat in de grond van de zaak alles maar om Hem draait en wij met onze nood en onze vragen er eigenlijk niet of weinig toe doen. Zeker niet. Want Zijn eer en onze zaligheid zijn aan elkaar verbonden. Als Gods Naam geëerd wordt maakt ons dat gelukkig. Als Zijn Naam gesmaad wordt, doet dat ons hart pijn.

U moet nooit denken dat God u niet zou antwoorden. Als u maar opmerkzaam bent. Als u maar luisteren wilt. Als u uw hart maar open zet. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft, Zijn gunstgenoot van blijde troost en vrede. Hij doet dat in Zijn Woord. Als u maar horen wilt. En niet met uw ja-maars het hart voor Hem sluit, de weg van Zijn Woord verspert. Ach, wat doen wij dat vaak. Wij hadden onze weg die wij begeerden te gaan, uitgestippeld. En zie, nu richt het leven, wij kunnen beter zeggen: de Heere, versperringen op. Zodat wij op die zelfgekozen weg niet verder kunnen. Dat zal smartelijk zijn. We hadden ons er zoveel van voorgesteld, en onze verwachting werd afgesneden. Het leek misschien mooi en het werd een teleurstelling.

Misschien hadden we ons een rustige oude dag voorgesteld met onze man of vrouw. Maar de Heere nam één van beiden weg. Of Hij maakte ons ziek en bedlegerig‚ onmachtig om nog iets te doen. Misschien blind of doof of verlamd. Of iets anders zond Hij ons. En we hadden zo gebeden om en gehoopt op een blijde ouderdom.

Heeft de Heere Zich dan niet aan u gestoord? Merk op mijn ziel! Wat antwoord geeft Hij? Dat Hij het goed met u voor heeft. Dat Hij die bepaalde weg voor u kiest om in die weg Zijn Naam groot te maken. Om door Zijn vertroostingen uw ziel te verkwikken, ook als uw gedachten zich in u vermenigvuldigen (Psalm 94:19). Hij zegt u dat Zijn genade u genoeg is, dat u het altijd en onder alles met Hem wagen kunt.

Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft.

Er is eens Iemand geweest, Die geen antwoord kreeg hoewel Hij riep. U weet het wel, dat was Jezus Christus. Hij zegt door de mond van David in Ps. 22: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten, bent U ver van mijn verlossing, van de woorden van mijn jammerklacht? Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet, en ‘s nachts, maar ik vind geen stilte.

Dat is het ergste wat een mens overkomen kan, dat God geen antwoord geeft. Denk maar eens aan  koning Saul, aan wie God ook geen antwoord gaf. Maar deze had God verlaten. Jezus Christus had God niet verlaten en kreeg toch geen antwoord. Omdat Hij in uw plaats was gaan staan. En nu opent de Heere Zijn oren voor u. En Hij antwoordt u. Nu kunt u rustig zeggen: neig uw oor tot mij en antwoord mij. En u zegt in geloof en vertrouwen tot u zelf: merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft. En Hij zal tot Zijn volk zeggen, ook tot u die Hem liefhebben, van vrede spreken. Vrede die alle verstand te boven gaat. Vrede door het bloed van het kruis.