‘Gereformeerde’ belijdenis bij patriarch Cyrillus van Constantinopel (1)

Onlangs kwamen wij een tweetal artikelen tegen over een vergeten kerkreformator in de Oosterse kerk: de patriarch Cyrillus Lucaris (1572-1638). Deze eenzame reformator heeft gestreden voor kerkherstel in de Oosterse Orthodoxie,  maar met een naar menselijke maatstaven gering resultaat: de Oosters-Orthodoxe Kerk is nog altijd in het duister gehuld. Uiteindelijk is deze patriarch vermoord omwille van zijn geloof.

 

Over deze Cyrillus Lucaris is voor zover wij weten weinig geschreven: in het Nederlandstalige gebied heeft dr. L. Praamsma  in zijn “De kerk van alle tijden” een aantal pagina’s aan hem gewijd; ook heeft drs. J.A. Meijer een hoofdstuk over hem geschreven in een jubileumbundel voor prof. Kamphuis.[1]

 

Nu in onze dagen de Gereformeerde kerken niet zodanig groeien als wellicht na de vrijmaking van 2003 gehoopt, kan deze patriarch tot een voorbeeld zijn. Híj moest een drukpers uit het Westen laten overkomen om Schriftuurlijke lectuur te kunnen drukken en heeft zijn arbeid met de dood moeten bekopen – wíj mogen in weelde en vrijheid de Here dienen.

 

Onderstaand geven wij het eerste artikel weer.[2]

 


 

‘Gereformeerde’ belijdenis bij patriarch Cyrillus van Constantinopel

In dit artikel wordt na een summiere schets van de ontwikkeling van de kerkgeschiedenis in westelijk Europa tot de ‘hervorming’, de achtergrond aangeduid, waartegen Cyrillus Lucaris (1638) in ’t oosten, moet worden gezien.

 

Deze achtergrond zal blijken volkomen anders te zijn dan die van ’onze’ hervormers.

 

Vervolgens wordt het leven van Cyrillus in het kort beschreven. En tenslotte wordt zijn belijdenis weergegeven. Bij lezing van deze belijdenis zal duidelijk worden het schriftuurlijke ‘point of view’ van Cyrillus.

 

1. Ontwikkeling en achtergrond

Na de vele misbruiken van de kerk in de negende en tiende eeuw – bijvoorbeeld acht pausen in even zoveel jaren – en na de tweedeling van het christendom in een oosters en een westers kamp (1054), zien we in het westelijk Europa van de elfde en twaalfde eeuw twee richtingen tot herstel ontstaan: de ene gaat uit van het klooster van Bec, gelegen in Normandië. Kenmerkend voor deze richting is het augustijnse karakter dat in het werk van LanFranc en Anselmus nieuw leven wordt ingeblazen en dat kan worden aangeduid met ‘credo ut intelligam’. Dat wil zeggen: noodzakelijke voorwaarde voor elk kennen en wetenschappelijk werk is het geloven. Niet een onbepaald, algemeen geloven, maar een sterk persoonlijk belijden; vandaar ook de eerste persoonsvorm: ’credo’. De Heilige Schrift wordt hier primair gesteld.

 

De andere richting komt ongeveer in dezelfde tijd op in midden-Italië, in het klooster van Monte Cassino. Hier was men erg vlijtig in het vertalen en overschrijven van Latijnse, en later ook Griekse en Arabische handschriften van wijsgerige, literaire en theologische aard. In het werk van dit klooster komt tot uiting het begin van de (humanistische) renaissance waarin de menselijke rede op de eerste plaats staat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de grote tegenstander van Anselmus, Thomas van Aquino, van 1230 tot 1239 hier leerling is geweest.

 

Eerst leek het erop dat de gedachten van Anselmus zouden beklijven en ze werden ook als leer van de kerk aanvaard. Maar door het werk van Thomas, ongeveer honderd en vijftig jaar na de dood van Anselmus in het jaar 1109, verkregen de gedachten van Aristoteles een invloedrijke positie in theologie (en filosofie). Niet langer was het ’intellectus’ onderworpen aan het ’geloven’, zoals Anselmus had geformuleerd, maar verstand (weten) en geloof krijgen door de rede (!) elk voor zich hun eigen provincie toegewezen. Thomas wilde hierdoor weliswaar tot een hogere synthese komen – toch onderkende hij niet dat deze synthese alleen op grond van de rede kan plaatsvinden, noch dat de rede een beperkte kracht heeft.

 

Het duurde niet lang, en de tegenstand was niet voldoende sterk om het getij te keren, of deze leer werd officieus door de kerk aangenomen. De Heilige Schrift werd nevengeschikt aan wijsgerige en pseudo-christelijke systemen. En, omdat Rome, de kerk, tegelijkertijd als seculaire macht was geconsolideerd, kon zij met gemak de oude leus aanheffen: ’Roma locuta, causa finita’.

 

Het persoonlijk geloof van Anselmus moest plaats maken voor het onpersoonlijk en aan de rede genormeerde geloof van Rome.

 

Rome, traditie en rede maakten uit wat christendom was; en persoonlijk geloof werd te gevaarlijk om openlijk te belijden.

 

Daarop brak opnieuw een tijdvak van grove kerkelijke misbruiken aan.

 

Desondanks groeit weer het Bijbels geloof, en nu om van blijvende betekenis te zijn. Velen bedachten zich en het duurde niet lang of Guido de Brès’ Confession de la Foi werd als belijdenis aanvaard door allen die met hem geloven ‘met hart en mond’. Ten noorden van de Pyreneeën kreeg de schriftuurlijke belijdenis een invloed die niet te stuiten was. Het geloof van de hervorming legde beslag op de harten van velen en drong door in cultureel en politiek leven.

 

De ontwikkeling in het oosten was heel anders. Mede door de mystieke en syncretische achtergrond van de kerkmensen vermengde men al spoedig meer en meer de Heilige Schrift met allerlei speculatieve gedachten. Het patriarchaat was zwak en onbekwaam, en de plaatselijke kerken waren nauwelijks met elkaar verbonden. De afval werd nog in de hand gewerkt door het ontbreken van een streng omlijnd gezag. De reden hiervoor ligt in het feit dat het oost-Romeinse Rijk pas in 1453 viel.

 

In het westen had de kerk na de val van het keizerrijk (476), haast automatisch het gezag en de macht overgenomen en daar was ze lange tijd zowel politiek als kerkelijk alleenheerseres.

 

In het oosten daarentegen, bleef de keizer, hoe zwak en onbekwaam ook, het politieke gezag uitoefenen, en dat als stedehouder van God.

 

Werd na de val van Rome in het westen geen wetenschappelijk bedrijf buiten de kerkelijke organisatie gevonden, in het oosten bleef een zelfstandige wetenschaps-beoefening door leken, naast de kerk bestaan. De consequentie was dat de kerk in het oosten niet, zoals in het westen, gezag had over alle facetten van het leven, maar alleen iets te zeggen had over ’geestelijke’ zaken. Deze bleven dan met veel mysterie omkleed. Ze waren toch niet toegankelijk voor het menselijk verstand!

 

Omdat men onder ‘kerk’ verstond alle christgelovigen van ’t verleden, heden en toekomst, inclusief de engelen, vond men het moeilijk een concrete omschrijving van de kerk te geven. Zo kwam men er ook niet toe, een vaste belijdenis-vorm te handhaven; het ‘christgelovig’-zijn was voldoende. De inhoud daarvan deed er minder toe.

 

Dit werd allemaal nog verergerd door het verdeeld gezag. Een bisschop kon met apostolisch gezag een leerstuk verkondigen, en niemand kon hem daarvoor ter verantwoording roepen. De bisschoppen-synodes hadden geen werkelijke macht, want geen bisschop hoefde zich neer te leggen bij besluiten die zonder of tegen zijn apostolisch gezag waren genomen. Daarom is de ’oosterse kerk’ van de middeleeuwen een soort verzamelnaam voor allerlei gezindten.

 

Het gezagsvacuüm werkte ook in de hand, dat er eigenlijk geen sprake was van een officiële kerkleer. Na de zeven apostolische concilies – waarvan Nicéa (325) het eerste was – werd er geen algemene kerkvergadering meer gehouden en natuurlijk konden er ook geen besluiten worden genomen of leerstukken worden gedefinieerd. Het enige leerstuk dat door allen werd aangenomen was de belijdenis van Nicéa – met uitzondering van het ’filioque’, d.w.z. dat de oosterse kerk niet belijdt dat de Heilige Geest van beiden, de Vader en de Zoon, uitgaat.

 

Daarbij kwam ook nog het verschil met het westen in wat wij zouden noemen ’cultuur en vreemdelingschap’. Het westen richtte zich vooral op de cultuuropdracht, die Rome zag in ’t bevorderen van het Koninkrijk Gods- in eerste instantie op aarde met Rome als centrum. De oosterse kerken verwachtten echter, de terugkeer van Christus als wereldregeerder, ’Kosmoskrater’, en ze werkten bij gevolg weinig met het christelijk geloof buiten de kerk om. Als voorportaal van de hemel werd de kerk met grote geheimzinnigheid omgeven.

 

Terwijl de mens in ’t westen zich gedurende de vijftiende eeuw bezon op zichzelf, vocht de oost-Romeinse christen een strijd op leven en dood tegen de mohammedanen. Met de nederlaag wordt de Hagia Sophia te Constantinopel een moskee; en het staatschristendom heeft afgedaan (1453).

 

Hoewel de sultan niet uitzonderlijk wreed regeert blijft voor de oosterse kerk de situatie ongunstig om tot een positieve ontwikkeling te komen. Bovendien is er een haast voortdurende ruzie met Rome, want de Curie tracht op meer en minder slinkse wijzen de oostersen te onderwerpen aan haar gezag. Alle onderhandelingen om tot een grote wereldkerk te komen mislukken. Ook voor een hervorming is er geen kans want er is een te grote scheiding tussen de kerk en het bedrijf van iedere dag. Bovendien zijn de meeste priesters volledig onontwikkeld en kennen ze alleen de mysteriën en riten van de kerk. De leken worden niet geacht kennis te hebben van “geestelijke” zaken.

 

Even lijkt het erop dat de hervorming ook in ’t oosten voet aan de grond zal krijgen. In 1559 bezoekt een ’diaken’ van de oosterse kerk, Demetrios Mysos, Melanchton, de vriend en medewerker van Luther, en hij neemt een exemplaar van de Augsburgse Confessie, vertaald in het Grieks, mee naar huis terug. Verder onderhouden een paar jaar later een aantal theologen uit Tübingen een zo openhartige briefwisseling met patriarch Jeremias II, dat de verschillen nog meer geaccentueerd worden. Beide pogingen mislukken. Aan een derde poging willen we wat meer aandacht geven.

 

Het Constantinopel van de eerste decennia van de zeventiende eeuw was een stad van politieke intrigue. Verschillende westerse mogendheden hadden daar ambassadeurs, die ieder voor zich van de sultan bepaalde handels- en navigatierechten trachtten te krijgen. Daar tussendoor speelde ook nog de machinaties van de Roomse Curie, die haar pogingen om de oosterse kerk te onderwerpen maar niet opgaf en de verschillende ambassadeurs en de sultan tegen elkaar opzette en uitspeelde naar gelang het haar ten dienste was.

 

De ambassadeur van Frankrijk, de Marcheville, werkte met Rome samen om de protestanten, de Engelse Thomas Roe en later de Hollander Van Haag, dwars te zitten. De handigste manier om Roe en Van Haag in on- genade te laten vallen bij de sultan om zo hun missie onmogelijk te maken – het doel van de Marcheville – was natuurlijk om hen te beschuldigen van heulen met des sultans tegenstanders – en die waren voor een gedeelte juist de mensen die Rome uit de weg wilde ruimen.

 

Van Haag, ambassadeur vanwege de Hoogmogende Heren van de Staten Generaal van Holland, had het druk met zijn gecompliceerde missie naar de Verheven Porte; en hij had al verschillende opmerkelijke successen geboekt aan doorvaart-concessies. Toch vond hij tijd om aandacht te schenken aan de moeilijkheden van een kennis die hij reeds in 1598 in de Levant had ontmoet. Deze man was:

 

2. Cyrillus Lucaris

Cyrillus was een buitengewoon man. Hij was opgevoed in de geestelijke stand van de oosterse kerk en daarna in haar opdracht uitgezonden om in noord-oost Europa, voornamelijk Polen, de zaak van onafhankelijkheid van Rome te bepleiten. Verder was hij in westelijk Europa in aanraking gekomen met calvinisten, waarmee hij nog een uitgebreide briefwisseling onderhield (o.a. met Wtenbogaert, Le Leu de Wilhelm, Abbot). Nu was hij, al vanaf 1620, patriarch van Constantinopel, en als zodanig prima inter pares ten aanzien van de andere patriarchen.

 

Omdat de oosterse kerk niet gebonden was aan op schrift gestelde dogma’s en belijdenissen of besluiten van concilies, meende Cyrillus dat hij gevoeglijk zijn afgedwaalde kerk uit haar onwetendheid kon optrekken door een krachtig appèl op de leer beleden in Schrift en belijdenis van Nicéa. Hij was er van overtuigd dat de oosterse kerk onmiddellijk zou aannemen die leer, die hij in het westen zag opbloeien onder het calvinisme, als ze die maar tot haar beschikking had. Onderwijs was dus noodzakelijk. En daarvoor was een drukpers nodig. Met veel moeiten kon uiteindelijk een drukpers uit het westen worden geïmporteerd – zelfs zonder protest of verbod van de sultan. Cyrillus was dolblij, want hij kon nu zijn kerkleden onderwijzen door allerlei schriftuurlijke lectuur te drukken en verspreiden. Onder bescherming van Thomas Roe draaide de drukpers een jaar.

 

Ondertussen had de Congregatio de Propaganda Fide te Rome gehoord, dat Cyrillus beschikte over een eigen drukkerij om ‘reformatorisch’ materiaal te drukken. Koste wat kost moest hieraan natuurlijk een einde worden gemaakt. Zij zocht net zo lang in de geschriften van Lucaris, totdat ergens een paar minder voorzichtige, maar vrij onschuldige, opmerkingen over de islam werden gevonden. Deze werden aan de sultan voorgelegd en de drukkerij werd met geweld gesloten.

 

Zelfs door tussenkomst van Roe, werd amper voorkomen dat de beheerder werd vermoord. Cyrillus’ opzet, zo zijn gemeenteleden te onderwijzen was mislukt.

 

Hij kwam echter in een nog moeilijker situatie toen de nieuwe ambassadeur van Oostenrijk, Schwarzenhorn, fanatiek Rooms-Katholiek bleek te zijn en zijn beschermheer, Thomas Roe, naar Engeland vertrok. Hoewel de nieuwe Engelse ambassadeur niet Rooms-Katholiek was en duidelijk partij koos voor Cyrillus, bleef hem slechts één vriend over: Cornelius van Haag. De Nederlandse ambassadeur had niet stil gezeten toen hij merkte dat een ’reformatie’ Cyrillus ernst was. Omstreeks dezelfde tijd dat de drukkerij draaide had hij al een brief geschreven aan de theologische hogeschool te Genève om navraag te doen naar een geschikte huispredikant voor de ambassade.

 

Hij lichtte een en ander toe en liet duidelijk blijken dat er perspectieven lagen voor het Woord. Voor een dergelijke post kwamen maar weinig mensen in aanmerking: kennis van de oosterse talen, Grieks en Italiaans (de handelstaal en voertaal voor intellectuelen), en bekendheid met de situatie waren onontbeerlijk. Toch had de school van Genève iemand op het oog. Zo werd er een beroep gedaan op Antoine Léger, pasteur van St. Martin, een dorpje dat in de valleien van Piemont lag. Léger was een van de meest vooraanstaande en bekwame predikanten van de Waldenzen. En omdat de tijden roerig waren en de Waldenzen veel te lijden hadden van vervolgingen (de meest bloedige en wrede die Rome ooit voerde), meende Léger voor het beroep te moeten bedanken, om zijn gemeenten te kunnen blijven steunen.

 

Genève bleef echter aandringen en appelleerde tenslotte aan kerkenraad en presbyterium, maar hij bleef het beroep afwijzen. Ten einde raad, werd er bij Léger met klem op aangedrongen zijn bezwaren persoonlijk te Genève uiteen te komen zetten, en na veel gepraat en verwijzing naar het vruchtbaar arbeidsterrein te Constantinopel‚ stemde Léger uiteindelijk ermee in om voor twee jaar te gaan.

 

Het werden er acht. Zijn functie werd officieel omschreven als het leiden van kerkdiensten en geven vav godsdienstig onderricht aan de kinderen van de protestantse kolonie.

 

In 1628 arriveerde Léger in Constantinopel. Het werd een uitgebreide samenwerking met Cyrillus Lucaris, want Cyrilus had nu een theologische gesprekspartner met wie hij op uitnemende wijze van gedachten kon wisselen over de leer van de kerk.

 

Het resultaat van het jarenlange studeren en corresponderen met calvinisten zou Lucaris nu op schrift stellen, met het doel de oosterse kerk op een schriftuurlijk pad te leiden. De verwachting van Van Haag dat een protestantst theoloog een stimulans zou zijn, werd bewaarheid.

 

Om de gemeenten te onderwijzen stelde Cyrillus de naar hem genoemde geloofsbelijdenis op (1629), die door Van Haag naar ’t westen werd gestuurd om gedrukt te worden – waarschijnlijk te Genève – omdat dit na de verwoesting van de drukkerij, in Constantinopel niet meer mogelijk was. De eerste druk verscheen in het Latijn, omdat Cyrillus het verstandig vond om het westen te laten weten, dat hij solidair met de protestanten was. Ook verwachtte hij hun hulp tegen de pogingen van de Roomsen om de oosterse kerk in te lijven. Kort na het verschijnen van de belijdenis worden een vulgair-Griekse vertaling van de Bijbel (1630) en een Griekse vertaling van Cyrillus’ belijdenis (1631) uitgegeven. Van de laatste twee verwachtte Cyrillus dat ze de gemeenten snel zouden doen inzien dat ze naast de hervormers dienden te staan.

 

Het optimisme van Cyrillus ten aanzien van de aanhang die zijn leer, zij het nu nog bedekt door onwetendheid, in de oosterse kerk heeft, komt tot uiting in een aanhangsel van de Griekse editie van zijn geloofsbelijdenis. Hij schrijft daar, dat hij zijn belijdenis heeft opgesteld om aan te tonen ‘dat ons geloof hetzelfde is als het door Jezus Christus gegevene, door de apostelen verkondigd, en door de orthodoxe (oosterse) kerk steeds onderwezen’. Niettemin voegt hij aan de Griekse editie toe een bijlage bestaande uit vier tegenwerpingen of vragen die inmiddels al waren geuit door critici. Dit stuk rechtvaardigt de vraag of de positieve kenschetsing van de oosterse kerk door Cyrillus wel helemaal terecht was.

 

De eerste vraag was of de Heilige Schrift wel door alle gelovigen gelezen moest worden. Hierop antwoordt Cyrillus dat, aangezien de Heilige Schrift de enige bron voor het geloof is, het misdadig is een christen van het lezen daarvan af te houden.

 

De tweede vraag: Is de Heilige Schrift wel voor een leek te begrijpen? Jazeker, zegt Cyrillus, de Bijbel is moeilijk en zwaar te verstaan maar de Heilige Geest licht ons in het lezen daarvan voor.

 

Een derde punt is, welke boeken de Heilige Schrift omvat. Hier onderscheidt Cyrillus de canonieke van de apocriefe boeken door te wijzen op de Goddelijke inspiratie, want aan de laatste ontbreekt de ‘bevestiging van de Heilige Geest’.

 

De vierde vraag die Cyrillus beantwoordt gaat over de beelden. Hij verwerpt elke beeldendienst (zowel ’douleia’ als ’latreia’).

 

Evenwel ontgaat het Cyrillus niet dat er veel tegenstand tegen de bijbelse leer valt te overwinnen, en hij erkent dat het boven zijn macht is ‘om de storm te stillen’. Hij bezwijkt er uiteindelijk ook onder.

 

Na 1632 wordt Cyrillus door de sultan driemaal in ballingschap gestuurd, telkens voornamelijk door de invloed van een fluister-campagne van de Roomse Congregatio de Propaganda Fide. Bovendien blijkt, dat de meeste oosterse theologen niet achter de gedachten van Cyrillus staan. Tenslotte wordt Cyrillus op 20 juni 1638 in opdracht van de sultan in ’t geheim gewurgd. De moord lekt pas uit als de soldaten die hem vermoordden zijn kostbaar borstkruis trachten te verkopen. Het wordt herkend en een menigte van Cyrillus’ aanhangers veroorzaakt haast een volksopstand. Het is de vraag, of het volk voor Cyrillus is omdat hij een schriftuurlijke leer trachtte te brengen, of omdat hij steeds blijkt op niet al te beste voet te staan met hun tamelijk milde onderdrukkers, de sultan en zijn islam-hoogwaardigheidsbekleders.

 

De Oostenrijkse ambassadeur Schwarzenhorn en de Congregatio de Propaganda Fide verheugen zich over de laaghartige moord. De eerste omdat hij in het verdwijnen van Cyrillus een grote verzwakking ziet van de negotie-positie van Van Haag; en de Congregatio, omdat ze in Cyrillus’ uitleveraar, Patriarch Contari, die zelfs de brutaliteit heeft zijn plaats in te nemen, een instrument ziet om de oosterse kerken onder heerschappij van Rome te brengen. Dat lukt evenwel niet: Contari wordt later ook door de sultan verbannen.

 

Zo eindigt het leven van Cyrillus Lucaris en al spoedig na zijn dood blijkt, dat zijn leer van weinig invloed is geweest op de harten van de mensen. Ook wordt zijn leer in de bisschoppen-synodes van o.a. Kiev en Jeruzalem volledig veroordeeld, en er wordt over Crrillus zelf postuum een anathema uitgesproken.

 

Cyrillus’ eigen geloofsovertuiging komt duidelijk tot uiting in een brief die hij tijdens een van zijn ballingschappen, op het eiland Tenedos in maart 1634 aan zijn vriend Antoine Léger schreef: ‘Hierom schrijf ik Uw Eerwaarde en dring er op aan dat u mij een getuige bent dat indien ik sterf, ik sterf als een orthodox katholiek in ’t geloof van onze Here Jezus Christus, in de evangelische leer die overeenstemt met de Nederlandse Geloofsbelijdenis, mijn eigen belijdenis en de andere (belijdenissen) van de evangelische kerken, die alle (daarmee) overeenstemmen; ik verafschuw de fouten van de papisten en de bijgelovigheden van de Grieken; ik onderschrijf en aanvaard de leer van die aller-verdienstelijkste geleerde Johannes Calvijn, en van allen die van hetzelfde gevoelen zijn als hij. In deze zaak wil ik, dat u, signor Léger, mij een getuige bent dat ik met een goed geweten datgene vasthoudt wat ik geloof en belijd, zoals ook mijn belijdenis aantoont’.

 

[1]Zie L. Praamsma, De kerk van alle tijden – verkenningen in het landschap van de kerkgeschiedenis (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 1989): pp. 384-388 en J.A. Meijer, ‘De oosterse confessie van Cyrillus Lucaris’, in: Bezield verband: opstellen aangeboden aan prof. J. Kamphuis bij gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kamen op 9 april 1984 (1984): pp. 134-151.

[2] Deze artikelen zijn: A.J. van der Jagt, ‘Gereformeerde’ belijdenis bij patriarch Cyrillus van Constantinopel’, Woord en Wetenschap jaargang 4, no. 4 (nov. 1972): pp. 9-12 en jaargang 5, no. 1 (feb. 1973), pp. 9-12.